Eurosonic 2025 :: Elke vorm van sérieux het raam uit

Vrijdag 17 januari

Naar aloude traditie wordt de Eurosonic-vrijdag afgetrapt in de tapasbar. Vier recensenten die zich een weg vreten door een zelf uitgestippeld parcours van exotische hapjes: we kunnen verdorie geen betere allegorie bedenken voor dit festival. En dag drie had weer – met af en toe een zoutloze patat of een droge mossel als uitzondering – heel wat lekkers op de kaart staan.

19.30u. Mutua Fides. Geen droge mosselen, maar verzopen Hollanders die het feestje vergallen. De bende vreselijk dronken mannen die zich ostentatief als een bende onbehouwen agrariërs naar het midden van Mutua Fides begeeft, is zo overduidelijk aanwezig en storend dat ze het optreden van We Hate You Please Die bijna in de soep doen draaien. Zelden zag je de rest van het publiek zo overduidelijk een bandnaam dénken.

Gelukkig laten de Franse dames (2) en heer (1) het niet meteen aan hun hart komen, en laten ze vooral hun potige mix van postpunk en noiserock, met nadruk op hun hun laatste uitstekende plaat Chamber Songs, luid en duidelijk spreken. Vooral gitarist Joseph met zijn hoekig gitaarspel en drumster Mathilde met rechttoe rechtaan powerplay halen hier het onderste uit de kan, terwijl zangeres/bassiste Chloé zich toch niet helemaal op haar gemak lijkt te voelen. In combinatie met zeer onwennige (want in quasi onbegrijpelijk steenkolenengels) bindteksten, levert het geheel een degelijk, potig, maar ook wat onevenwichtig optreden op. We gaan dit Franse trio nog in de gaten houden, en zien hen hopelijk nog wel eens terug in een zatlappenvrije omgeving.

19.40u. WEnutbutter.               “Aha, T-Rex!”, denken we, wanneer we de kou achter ons laten en de WEnutbutter – wat een onnozele naam blijft dat toch – binnenstappen. The Family Mountbatten, een van flinke bossen headbanghaar voorzien bandje uit Wales, staat er immers zo sympathiek fuzzy te rocken dat je je met je ogen dicht diep in de jaren zeventig waant. Ze vernoemden zich naar de oorspronkelijke, Duitse naam van het geslacht Mountbatten – u weet wel, die van de Windsors – maar veel protocollair correct gedrag is er vanavond niet bij. Het viertal brengt goeie ouwe rock-‘n-roll met een lekker psychedelisch randje, wil vooral dat iedereen daar hard op danst, en geeft zelf enthousiast het goede voorbeeld. “If you’re not dancing, you’re thinking too much”, schreeuwt frontman Eliot Jones ons toe – excuses Eliot, zo’n verslag schrijft zichzelf niet.

En natuurlijk loert bij dit genre de pastiche altijd om de hoek, maar hier valt dat gelukkig best mee: The Family Battenberg varieert in hun langgerekte jams kundig tussen all things rock, van de pure glamrock in “Fuzzy Features”, over de King Gizzard-achtige kraut van “Feed Yer (Nganga)”, tot de woest rammende garagerocker “Rocket Dustbin”, en elke keer weer leidt dat tot een chaotische, maar oh zo verrukkelijke slotexplosie. Ze doen nergens iets wereldschokkends (laat staan vernieuwends), maar het is wel érg plezant.

20u. Machinefabriek.        Bnnyhunna, een Amsterdammer met Ghanese roots, kreeg zijn muzikale opvoeding in de kerk en dat laat zijn sporen na in zijn muziek. Hij brengt een show vol lekkere soul en spirituele jazz, waarvoor hij een uitgebreide schare vrienden meebrengt naar het theater van de Machinefabriek. We tellen een drummer én een extra percussionist, een bassist, een gitarist, een dwarsfluit die organisch spelen als één lichaam. De bandleden zijn de ledematen en Bnnyhunna is het hoofd en de ziel die van achter vier centraal opgestelde klavieren het geheel aanstuurt.

Aanvankelijk loopt dat moeizaam: de band speelt vrij hermetisch en de frontman lijkt te verlegen om het publiek aan te kijken, maar gaandeweg ontdooit iedereen, en wordt er meer uit de losse pols gespeeld en geswitcht tussen jazzy soundscapes, softe r&b van “Silent Chaos” (waarin een flard Jackson Five wordt gesmokkeld) en iets vettigere p-funk verderop. De set komt onder stoom: de drummer en percussionist gaan in soleerduel, de vingers dartelen over de klavieren en Bnnyhunna is nu volledig losgekomen, jolig zelfs wanneer een handklapspelletje met het publiek de mist in gaat en goedlachs herhaald wordt. De band staat zelfs zo enthousiast te musiceren dat er op het einde geskipt moet worden in de setlist, maar geen hond die daarom maalt. “How’s the festival been so far? Am I gonna get a positive review?” Komt in orde, Bnnyhunna.

20.10u. Huize Maas Main.           “We zijn een boyband”, ginnegappen de jongens van Soft Launch in hun bio, en dat is tegelijk niét en wel bezijden de waarheid: ja, de jongens hebben liedjes waarin ze mooi elk om beurten hun zangmomentje krijgen, maar ze spelen wel zelf hun instrumenten en van kekke dansjes is ook geen sprake. Minpunt: dit zijn nog bravigere liedjes dan waar het gemiddelde One Direction mee uitpakt, en voor een groep met zoveel zangers kan er helaas geen één echt zingen. Neen, neen, en neen: Soft Launch is van het meest fletse en vervelende dat we deze editie te zien kregen.

20.20u. AA-Theater.    Aan hun frisgewassen gezichten zou je het niet meteen zeggen, maar SCHNTZL bestaat intussen bijna tien jaar. Hendrik Lasure en Casper Van de Velde hebben er ondanks hun bescheiden leeftijd (ze zijn nog altijd geen dertig) al een indrukwekkende en gevarieerde loopbaan in diverse opstellingen – zelfs een heuse solocarrière – op zitten. SCHNTZLs laatste album dateert al van 2023: nieuw werk wordt hier dus niet meteen voorgesteld, maar als kennismaking met de eigenzinnige sound van dit duo is Eurosonic een perfecte gelegenheid. Want waar de jazzbands in het AA-theater geheid op de dansbenen mikken, stimuleren Hendrik en Casper eerst en vooral de hersenen.

De complexe ritmepatronen en tempowisselingen, intrigerende syntharrangementen en eigenzinnige samples weven een uniek en fascinerend klanktapijt, maar stellen de aandachtspanne van het publiek ook danig op de proef. Gelukkig weet het duo ook zeer goed hoe ze een langgerekte spanningsboog tot een mooie climax kunnen brengen, zoals in het knappe “Holiday” vanop hun laatste plaat. SCHNTZL splijt de zaal wat doormidden (“nou, dat was toch wel héél moeilijk”), maar een mens mag ook al eens een beetje moeite doen hé zeg.

20.50u. Mutua Fides.     Hardcore will never die, maar op Eurosonic wel een beetje. Dit festival heeft nooit echt gedraaid op zwaardere acts, maar dit jaar worden de liefhebbers van het betere hamer- en sloopwerk wel erg stiefmoederlijk behandeld. Aan het Noorse Daufødt (“doodgeboren”, ieuw) om enigszins de meubelen te redden. Dat was maar een woord: van seconde één walsen de Noren de Mutua Fides plat met een ziedende combinatie van hardcore en noiserock, waardoor het lijkt alsof je het ene moment naar de kinderen van The Jesus Lizard staat te kijken, en het ander moment pure Discharge door je oren klieft.

Primus interparissen van de klas zijn gitarist Eirik A. Reithaug en zangeres Annika Linn Verdal Homme die met haar imponerende verschijning (die laarzen!) en smerige vocalen de tent in de fik steken. Halverwege dreigt de band zich even vast te zetten in derde versnelling, maar gelukkig schakelt Daufødt net op tijd weer om, om zo weer op het dooie gemak wat snelheidsrecords te breken. En hoewel het niet makkelijk meezingen is met nummers als “Jeg Vil Bare Hjem” (“ik wil gewoon naar huis”) of “Falske Vekkelser” (“valse herlevingen”), wordt er veertig minuten beenhard gevlamd, geragd en gemosht door de mannen en vrouwen in de zaal, zeker wanneer Annika herhaaldelijk het publiek induikt. Wat een verademing, zo dansen zonder dronken idioten!

20.50u. Huize Maas Front.       Wat is het akelig leeg in het kleine voorzaaltje van Huize Maas. Toegegeven, wavey electro uit Athene is niet meteen iets wat een grote doorbraak belooft, maar zo weinig interesse verdient Someone Who Isn’t Me nu ook weer niet. Het duo Marilena Orfanou (synths en zang) en Maria Hatzakou (drums) verdiende in Griekenland al flink zijn sporen met een aantal bekroonde soundtracks, en dat hóór je: er zit een filmisch, haast orkestraal kantje aan de new wave van nummers als “A Girl Like This”, waardoor dit net een tikje spannender klinkt dan de gemiddelde zwartzakkerij-revisited-band.

Ook de performance is niet wat je zou verwachten: Orfanou stuitert onhandig mamadansend over het podium, Hatzakou verbergt haar niet echt gigantische drumtalent vlotjes achter haar enthousiasme, en de twee zijn zichtbaar blij om hier te staan, al is het dan voor twaalf man. Dat de set halverwege wat inzakt, en de dreinende zang van Orfanou te eentonig dreigt te worden, wordt in één klap weer goedgemaakt door “My Endless Youth”, de eighties verpakt in een perfecte popsong over vriendschap. Wat bouwt het nummer prachtig op, met fonkelende laagjes synths en rudimentaire elektronische drums, en een refrein om met je ogen dicht en je armen in de lucht eindeloos op te dansen. Hoe gaat dat spreekwoord over de afwezigen ook alweer?

21u. WEnutbutter.         Bam: Clutter laat er geen gras over groeien, en knalt er meteen single “Jesus” tegenaan. Heerlijk hoe die dreinende Afghan Whigs-gitaren ons in het gezicht kletsen. Dit piepjonge Zweedse viertal speelt rücksichtslos luid, met de ongenaakbaarheid van puberale branie – wie doet hen wat? – en zo onvervaard is ook hun jaren negentigrock die soms flirt met hardcore, maar altijd de melodie weet te bewaren.

Terwijl gitarist Ove Jerndal met zijn snarenwerk het hoge woord voert, zijn het Hilda Ander en Emma French die bas, gitaar en het frontvrouwschap vinnig afwisselen. En dan is het alweer gedaan. “This is our last song”, klinkt het na krap twintig minuten en dus is het vijf minuten later voorbij. Zo kort en krachtig was precies goed. Het is nog vroeg voor Clutter, maar voor het eerst voelden we tijdens dit festival eindelijk iéts van opwinding.

21.30u. Simplon.         “Our set has two parts: the culture part and the party part”, verklaart Aili halverwege hun set in de bomvolle grote zaal van de Simplon, en dat is niet gelogen. De eerste twintig minuten waren voor het Nederlandse publiek al een aangename kennismaking geweest met dit in vrolijke kleuren uitgedoste duo. Orson Wouters dreunt op de basgitaar “Nandakke?” op gang en “Takoyaki” is niet enkel een lekker hapje dat je hier in Groningen bij de sushi op de Vismarkt kan eten, maar ook een speelse elektropopsong over de tenen van Aili’s nog in Japan residerende familie. Dat vraagt enig aanpassingsvermogen van het publiek dat met verwondering staat toe te kijken en mee te zingen wanneer frontvrouw Aili hen de microfoon onder de neus duwt tijdens “Babychan”, dat bovendien een uitgesponnen outro meekrijgt. De band geeft een proeve van hun veelzijdigheid en het publiek kijkt dan wel geïntrigeerd, maar danst voorlopig toch nog beleefd.

Dat verandert volledig na de speech halverwege, wanneer de groep de bruisbal “Yubikiri” de zaal in dropt. “Are you ready for a little explosion?” vraagt Wouters laconiek om meteen de daad bij het woord te voegen en de zaal geen rust meer te gunnen tot het einde. Er volgt immers nog de Jane Fonda-fitness van “Up & Down” waarbij iedereen zich gedwee en vol enthousiasme aan de instructies overgeeft en Wouters pull-ups doet aan de verlichtingspalen. De band duikt vervolgens nog het publiek in, en “Oyasumi” is een beenhard slaapmutsje. Aili is klaar voor Europa en Europa begint op te warmen voor Aili.

22.10u. Simplon Up.      Het feestje dat Aili beneden in gang zette, gaat vervolgens boven in de Up ongegeneerd verder bij Valentino Vivace, een Zwitser die werkelijk alle clichés over foute Italodisco omarmt. Te midden twee in neonkleuren oplichtende V’s staat Vivace het beste van zichzelf te geven, gekleed in een grote gele veston, een gouden zonnebril en een zijden hemd waar zelfs Balthazar Boma niet in gezien zou willen worden. Het geheel wordt afgetopt met een joekel van een nektapijt: het is business on top, party in the back – véél party zelfs. Benvenuti a la discoteca Vivace! waar ingestudeerde dansjes met de toetsenist afgewisseld worden met een theatraal “Baia dei angeli”, dat ingeleid wordt met een sample die komt uit een ouderwets telefoontoestel en uitloopt in eightiesfunk uit de school waar ook Chromeo studeerde. “Andiamo al mare” is Eros Ramazzotti-schmalz, vettig als gesmolten kaas.

Dit is uiteraard spek naar de fijnproeversbek van uw enola-team, maar we moeten hier niet meer van maken dan het is. Het geheel blijft vederlicht, en zolang het mag duren, amuseren we ons te pletter. Als het niet voor de eeuwigheid is, laat het dan alvast duren tot aan een deelname aan een Eurosongfestival in de toekomst – onze stem heeft hij alvast. Het allermooiste om hier te zien is immers niet deze overdaad aan kitsch, maar wel het moment waarop we deze artiest zien vervellen van een uit bordkartonnen ironie opgetrokken cartoonfiguur tot een warmbloedig mens van vlees en bloed die zich met stijgende verbazing en oprechte dankbaarheid volop laaft aan de liefde die hij uit het piepkleine zaaltje krijgt. Mi piace Olanda. Que caldo!

22.10u. Mutua Fides.     “Noise pop from Berlin” verkoopt Errorr zichzelf, en wie zijn wij om daarover te discussiëren? Journalisten, juist, en die doen dat al eens graag. Horen wij dus: rock die al eens neigt naar shoegaze, maar zich nooit écht op die mistige terreinen durft te begeven. Wat voor het Duitse viertal pleit, is niettemin dat de vier muzikanten er zonder omwegen voor gaan. Ze hameren en beuken met overtuiging, en dat het soms inkakt, dat nemen we er dan maar bij. We houden een half oog op dit kwartet.

22.30u. All Round.       Dat belooft: bij het binnenwandelen van het poolcenter horen we twee verontwaardigde locals “nou dat was écht slecht, écht slécht” sakkeren. De liefde voor de Brusselaars van Marcel is geen evidentie, maar daar trekt dit viertal zich uiteraard geen sikkepit van aan. Gevoed door fikse dosissen postpunk, noiserock en sarcasme banjert dit viertal door de erfenissen van bands als Wire, The Minutemen en Viagra Boys. En ja, dat zie-ons-eens-doen zelfgenoegzaam ironisch toontje kan danig op de heupen werken, maar Marcel stelt daar wel potige en goed geschreven nummers tegenover, die bulken van energie en spelplezier. Frontman Amaury Louis heeft dan ook weinig overtuigingskracht nodig om de feestbeesten in de poolhal in gang te krijgen, en wanneer het hilarische maar vlammende “Spirit Of Eden Hazard Kicking Ball Boy” weerklinkt, wordt er gedanst en gemosht dat het een lieve lust is. Laat die sceptisch kijkende meute achteraan in de zaal er maar het hunne van denken: dit is een verademing tussen al die zichzelf veel te serieus nemende acts die nét iets te hard naar de goodwill van de industrie zitten te happen.

22.50u. Simplon Main.       De helft van uw team geraakt maar niet weg uit de Simplon, want ook okgiorgio, de volgende artiest uit focusland Italië, had op voorhand onze nieuwsgierigheid weten te prikkelen. Deze Milanese producer maakt immers op samples gebaseerde elektronica met indievibes. De hele set lang combineert hij het knoppen draaien met spelen op de akoestische gitaar, waar hij vervolgens ook weer interessante dingen mee doet. Hij weeft samples door elkaar, gaat even in gabbermodus, draait zelfs een verknipt “Everything In Its Right Place” van Radiohead erdoorheen. Hij doet dus werkelijk alles goed – maar toch ook weer niet.

Want wat okgiorgio ook probeert, de zaal is met geen stokken in beweging te krijgen en laat dat nu net de enige job zijn van een dj. De songs op zijn album dragen titels als “ok:/”, “ok:)” en “ok<\3” maar het besluit van deze show kan gevat worden met een sample van een Radiohead-album: “oknotok”.

22.50u. Huize Maas Front.       Ha, maar deze kennen we! En yup, ook deze keer brengt Big Special zijn vertrouwde Sleaford Mods-met-een-drummerdingetje. “The disco is now open!”, declareert Callum Moloney, en hij mept zijn kit aan gort terwijl Joe Hicklin in een Lankum-T-shirt opkomt, klaar om alle hedendaagse problemen te tackelen. In ‘hitje’ “Shit House” raast hij tegen de onbetaalbaarheid van stevige bewoning, “Desperate Breakfast” is een eerlijke weergave van zijn leven met depressie.

Het is allemaal erg rudimentair; een staccato tirade over een backingtrack die Moloney van ritme voorziet. In “This Here Ain’t Water” hint een vleugje soul in Hicklis stem op meer mogelijkheden, net als de melodie die “Black Dog / White Horse” kleurt. En hop, daar is de frontman het publiek in – zoals dat gaat. En zo is Big Special een van de weinige acts op deze Eurosonic die volledig festivalklaar lijkt. Maar dat wisten we dus al.

23.30u. Huize Maas Front.          Blijven plakken; nooit een goed idee, zo leren we wanneer we op zaterdag veel te vroeg onze logies uit moeten, maar het is wat het is: vooraan in Huize Maas krijgen we met Frytz Duitse millennialhiphop. Sléchte millennalhiphop, that is, en eentje die zelfs geen moeite doet om de illlusie van een hoop op doorbraak in leven te houden: stug blijft de Keulenaar ganz auf Deutsch reden alsof wij dat zomaar moeten verstaan. Tja, wat je hier dan komt zoeken, is ons een raadsel.

23.40u. WEnutbutter.    Nog maar eens een zaaltje met belachelijk weinig volk – wie niet Brits of Iers is, blijft op Eurosonic toch nog steeds een beetje benadeeld, helaas. Postman komt bovendien uit Oekraïne, en wanneer hij in zijn moedertaal zingt, is dat toch echt wel een barrière, hoe mooi intimistische, folky nummers als “Fellini” verder ook klinken. Gelukkig blijkt Konstiantyn Pochtar nogal een polyglot te zijn, want we krijgen minstens evenveel songs in het Engels, en met “Segundos Transparentes” zelfs eentje in het Portugees – saudade van een braaf bleek jongetje in een debardeur, wie had dat gedacht?

Postman zit hier helemaal alleen, met niets dan zijn kleine gitaartje en een mondharmonica om hem gezelschap te houden, maar toch luister je: hij heeft de vertelkracht van Jens Lekman, zeker in “The Great Summer Drift”, en het talent om van iets heel eenvoudigs iets heel schoons te maken. Beste voorbeeld: het melancholische “Common Memory”, dat van M. Ward had kunnen zijn, warm als een gezellig dekentje op een frisse januarinacht. Een grote internationale carrière houdt Postman vermoedelijk niet over aan Eurosonic, maar wij hebben er wél een bescheiden nieuw favorietje in onze Spotifyplaylist bij.

00.10u. Vera.       Sinds de onverwachte doorbraak van het experimentele darkfolkproject Heilung was het maar een kwestie van tijd vooraleer de eerste klonen op het toneel verschenen. En de gebeden van de LARP-gemeenschap en bond van pelsenverkopers zijn eindelijk verhoord: het Franse Eihwar probeert met een gelijkaardig soort paganistische vikingmuziek een graantje mee te pikken van de herwonnen interesse in wild ritueel dansend op een opgespannen dierenvel slaan. Het duo vult dit muzikaal verder in met elektronische drums en samples van folkinstrumenten, zang in … euh … vikingtaal(?) en energiek gebonk op de trom van zangeres/fitnessmodel Asrunn. Klinkt potsierlijk? Is het ook.

U was al zo snugger om op te merken dat Frankrijk weinig of niks met de Scandinavische vikingcultuur te maken heeft, maar Eihwar doet ook weinig moeite om hun hele schtick enigszins gemeend te laten overkomen. Want buiten de verkleedpartij en het rare taaltje is enige vorm van authenticiteit nergens te bespeuren: de beats zijn plat, de samples ordinair, het geluid afgelikt en de voordracht onoprecht. Wat een Engelstalige ballad halverwege de set komt doen, is iedereen een raadsel, en het helpt ook niet dat we om de haverklap om de oren worden geslagen met onzin als “Eurosonic, how are you tonight!” of “Make some noise!!”, “Sing with me!”, alsof dit een ordinair popconcert is. Wanneer muzikant Marc in zijn zwaar vervormde Gruffalo-stem “Tonight, the old gods arrrrrre watching us” begint te declameren, wordt elke vorm van sérieux het raam uit gekieperd. Geen mens die nog snapt wat hier de bedoeling van is. Wij komen niet verder dan een voorprogramma van Milk Inc. met een beter kostuumbudget. Wel benieuwd wat de reactie van een echte viking zou zijn op “Waar zijn die handjes!”

00.10u. Huize Maas Main.           “Godver, mijn management had me een half jaar rust beloofd, sta ik hier maar mooi voor jullie.” Jere Pöyhönen, als Käärijä de zotte Fin die twee jaar geleden het Eurovisiesongfestival op stelten zette, heeft er wel degelijk zin in, maar dan op zijn voorwaarden. Krijgen we dus: een bierbuik onder een leren halfjas, raprock op zijn 1994 met vette platte beats. “I from Finland! You know where is the Finland? Ten peoples?”: Finland heeft zijn eigen Aertbeliën Sylvain. En zegt ie na “Mic Mac”, waarvoor het seutige tweelingbroertje Häärija aan boord wordt gehaald, werkelijk “I’m marketing band, you know”? Tja, schaamte is duidelijk geen kleur die Pöyhönen staat. Maar in “Cha Cha Cha” is de gitaar van een van zijn skinheadmuzikanten wel live. Dat is al meer dan gisteren van Baby Lasagne kon worden gezegd. Je vraagt je af of dit echt is waar Eurosonic mee bezig moet zijn. We hebben hiervoor dat andere, bijna gelijknamige maar toch andere festival.

00.20u. Het Paleis.     Twintig minuten voordat Brògeal het podium op mag, wacht er slechts twee man voor de deur. Alright, vlotjes naar binnen dus? Nope, Het Paleis zit al vol, en de rij achter ons zal absurde proporties aannemen: er past maar 135 man in de zaal, en hier schuift nog eens minstens dat aantal aan. Voor één keer danken we de organisatie dus op onze blote knietjes voor het delegates-bandje dat voorrang geeft bij de toegangscontrole – en nog eens onze oprechte excuses aan het duo dat er al veel eerder stond. Sowieso komt er voor hen een herkansing: Brògeal is honderd procent klaar om vanuit Schotland stormenderhand alle concertzaaltjes en festivals te veroveren met hun mengelmoes van britpop en folk.

Het begint vanavond nog rustig, met “Fly Away” en “Vicar Street Days”, waarin enkel de mandoline en accordeon weggeven waarom deze jongens zowel voor The Mary Wallopers als Flogging Molly mochten openen. “One For The Ditch” – “a song about getting pissed”, ook voor hun andere nummers een geliefd onderwerp – en het klassiek getitelde “Witchy Emerald Eyes” trekken het geluid wat meer open, met invloeden van The Pogues en The Dubliners.

Hoe verder in hun set, hoe folkier het wordt, met méér banjo en accordeon, en zelfs een deels zonder handen bespeelde tin whistle. De nacht is intussen echt gevallen, en menig licht beschonken Nederlander laat zich dan ook verleiden tot een hupsend rondedansje door de zaal, wat het vuur bij de band nog wat verder oppookt. “Dirt And Daydreams” krijgt een typische Pogues-versnelling mee, het startschot voor een wild instrumentaal stukje dat de boel alleen maar meer op zijn kop zet. Je zou Brògeal al te makkelijk kunnen wegzetten als de zoveelste folkfeestband, maar dat zou het oprecht bonkende hart in wondermooie drinkebroerssongs als “Roving Falkirk Bairn” geen recht doen. De woeste instrumental “The Lonesome Boatman”, een cover van een sixties folksong, mag het helemaal aan het eind nog eens op ietwat rommelige wijze duidelijk maken: dit groepje zien we héél snel terug.

00.50u. Grand Theatre. Freakin’ Disco uit Hongarije was een van de namen die tijdens de voorbereiding voor het festival meteen onze aandacht greep. Ze doen immers wat hun naam belooft, en dat is: dreunende elektronica uit de school van SoulwaxNite Versions maken waarop het prettig je hoofd kwijtraken is na drie dagen muzikale mayhem. Althans, dat is het in theorie en op plaat, want wat ze ons vanavond laten zien, weet echt niet te overtuigen. In plaats van stampers als “Freak In, Freak Out” te laten ontploffen tot een extase waarin iedereen zichzelf verliest, komt het geheel afstandelijk over (het feit dat drie van de vier heren hoofdtelefoons dragen, helpt zeker niet bij het leggen van connectie met het publiek). Daarnaast is de gitarist wel te zien op het podium, maar alvast niet te horen, en als we eerlijk zijn, voelt de sound ook wat gedateerd aan: de periode waarin de Dewaeles en de Justice’n van deze wereld iets spannends deden met rockrave, ligt uiteindelijk ook alweer vijftien jaar achter ons en (anders dan wij tijdens dit optreden) is de wereld niet stil blijven staan.

00.50u. Mutua Fides.     Het is laat, we zijn verdomd moe, maar Texoprint – u kende hen misschien ooit als Kalaallit Nunaat – moet er niet van weten. Alsof wij daar nu nog op zitten te wachten – jà, godverdomme – geeft het Nederlandse trio ons een trap onder de kont die ons meters ver de nacht in schopt. Zingende drummer David Pop is van het type dat zijn drums laat klinken alsof hij ze net van de trap heeft geduwd, maar dan in de maat, en ook maten Jasper Werij (bas) en Redwin Rolleman (gitaar) doen dat lekker. Eindelijk krijgen we hier een gezelschap dat morst met energie, dat weet wat strak spelen is. Dit jaagt zo lekker dat we noteren “ze doen iets goed dat andere bands niet goed doen.” Blijven doen, Texoprint!

Beeld:
Ben Houdijk/Julia Huikeshoven/Niels Knelis/Casper Maas/Siese Veenstra - eurosonic

verwant

Left Of The Dial 2025 :: Een beginnerskwestie met vuistje

Antwerpen kreunde, Gent plooide bijna, maar in Rotterdam hield...

Poolse artiesten zoeken de wereld op Music Week Poland

Een eigen showcasefestival dat moet helpen de internationale aandacht...

Clutter :: Brideshead

Haa, de jeugd. Dat ramt nog, dat heeft geen...

Antony Szmierek :: Service Station At The End Of The Universe

Britser dan buttered scones en even universeel als down...

recent

Crime 101

“Crimineel die een laatste grote klus wil klaren om...

Zondag de negenste

Met Zondag de negenste maakt Kat Steppe haar langspeeldebuut....

Cardinals :: Masquerade

Het komt uit Ierland en de mannen van Fontaines...

No Other Choice (Eojjeolsuga Eobsda)

Met No Other Choice waagt Chan-Wook Park zich aan...

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in