Mike Watt & The Missingmen :: 1 november 2011, Trix

“Punk is whatever we made it to be.” Onder dat motto zorgden D. Boon, George Hurley en Mike Watt, samen The Minutemen, voor een onvergetelijk hoofdstuk rockgeschiedenis. Zesentwintig jaar na het overlijden van Boon zet Watt die nalatenschap even onverdroten verder. Gisteren stond de held in Antwerpen om zijn derde ‘punk opera’ voor te stellen.

Watts solocarrière, die pas na het ontbinden van fIREHOSE in 1993 op gang kwam, is even klein als divers. Was Ball-Hog Or Tugboat? nog een onderonsje met enkele kleppers uit de alternatieve scène van de mid-90’s (Henry Rollins, Flea, Eddie Vedder, etc), dan waren de drie volgende albums andere kost. Met Contemplating The Engine Room (1997) dook hij in z’n familiegeschiedenis, terwijl The Secondman’s Middle Stand (2004) aan de hand van de Divina Commedia liet horen hoe hij de strijd tussen leven en dood nipt overwon. Het eerder dit jaar verschenen Hyphenated-Man was de eerste terugkeer naar de sound van The Minutemen.

Het concert van Mike Watt & The Missingmen, dat een last minute toevoeging was aan het tourschema, zou niet zorgen voor de oplawaai die ons te beurt viel toen de bassist in 2005 The Secondman’s Middle Stand kwam voorstellen, maar dat kan hem niet kwalijk genomen worden. Werden we toen eerst al volledig gewonnen voor de voorstelling van We Jam Econo, de documentaire over The Minutemen die verplichte kost is voor iedereen die ook maar iets wil weten van de band en zijn tijdperk, dan zorgde het concert van Watt, drummer Raul Morales en organist Paul Roessler voor een onverwachte muilpeer. Deze keer waren we voorbereid op wat volgen zou — Hyphenated-Man, integraal — al was de ervaring er niet minder indrukwekkend om.

Morales was er opnieuw bij en derde man was deze keer gitarist Tom Watson, die ei zo na Boon deed vergeten met z’n messcherpe, van bakken distortion en andere rommel gevrijwaarde stijl. Samen met Morales zorgde hij voor een nerveus rondspringende fond waarop Watt z’n instant herkenbare baslijnen kon leggen. En het trio zou z’n vel duur verkopen. Gehinderd door een knieblessure was de performance van Watt misschien wat statisch, maar de no nonsense-attitude en bezieling waren duidelijk aanwezig vanaf opener “Arrow-Pierced-Egg-Man” tot afsluiter “Wheel-Bound-Man”, een goeie drie kwartier later. De miniatuursongs, stuk voor stuk genoemd naar afbeeldingen uit schilderijen van Hieronymus Bosch, werden aan een razend tempo afgehaspeld en sloten soms naadloos bij elkaar aan, waarbij meteen ook duidelijk werd dat niemand behalve Watt die sound ooit heeft kunnen benaderen.

Aan hoogtepunten geen gebrek: zowat het eerste dozijn bleef voluit op het gaspedaal staan, met de boogierock van “Bird-In-The-Helmet-Man”, de jachtige punkfunk van “Fryingpan-Man”, en een machtig intens “Shields-Shouldered-man”. Halfweg namen de kalmere nummers het even over, maar voor je het wist, was de band toe aan z’n laatse beweging, passeerde het de wereld van de countrypunk (“Hill-Man”) en werd het vurige een-tweetje “Hell-Building-Man”/”Man-Shitting-Man” uitgespuwd. Een verzengende finale, die half geblust werd door een gezapiger “Wheel-Bound-Man”. En daarna zat het er onherroepelijk op, het trio moest wijken voor Dirty Beaches, al werd naar goede gewoonte afgesloten met die bekende Watt-kreten “START YOUR OWN BAND! JOHN COLTRANE, JOHN COLTRANE, JOHN COLTRANE!” Watt blijft een held.

Dirty Beaches, nom de plume van Canadees met Taiwanese roots Alex Zhang Hungtai, is op plaat een eenmansproject, maar hij werd nu bijgestaan door een saxofonist die zich al even sterk liet gaan met vervormende effecten. Hungtai’s muziek kan je best omschrijven als gemuteerde rockabilly, met in galm gedrenkte zang- en gitaarpartijen, massa’s twang en een attitude die half David Lynch en half Screamin’ Jay Hawkins schreeuwt. Nu en dan, en dan vooral wanneer hij als een bronstige Elvisimitator lijnen als “I’m Gonna Make Her Mine” (“Sweet 17”) in z’n micro balkte, leek hij wel héél erg schatplichtig aan Suicide, al wist hij in z’n set van veertig minuten genoeg variatie te stoppen om te overtuigen.

Het werd alleszins een beluisterbare roadmovie tussen tot de essentie herleidde rock-‘n-roll (live doen z’n kreten ook nog een pak meer dan op plaat denken aan het primitiefste van The Cramps) en haast ondraaglijke kitsch. Zo leek “Lord Knows Best” vooral op de genante scènes die zich ’s nachts rond een uur of vier voordoen in de karaokebars van Tokyo. De roots van z’n sound zijn dan wel niet origineel, maar het spreekt wel in ’s mans voordeel dat hij momenteel een van de weinigen is die zich aan zo’n bastaardvorm durven wagen. Een mooi eerbetoon aan Watt bewees bovendien dat hij zich bewust is van de traditie. Benieuwd hoe Badlands opgevolgd zal worden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

elf + dertien =