De laatste tijd zijn de beide grote superheldenfranchises – Het Marvel Cinematic Universe en het Dark Comics Extended Universe (of eerder Detective Comics zoals het oorspronkelijke heette) – druk doende geweest met het heropstarten van verhaallijnen en plannen. Het is binnen die strategie (in het geval van DCU uitgetekend door James Gunn) dat Clayface past, al is de film eerder bedoeld als apart avontuur dan als initiatie van een geïntegreerd narratief. Het is ook nog maar de vraag of het publiek zal volgen, want dat publiek heeft duidelijk genoeg van derderangsfiguren uit de marges die een eigen film krijgen en blijft meestal in groten getale weg van dat soort experimenten (denk recent maar aan Supergirl en Kraven the Hunter). Clayface, met zijn origine in de jaren negentienveertig, is bovendien nu niet meteen een figuur die veel enthousiasme oproept bij mensen die weinig hebben met comics, wat wellicht verklaart waarom de studio de vinger heel stevig op de budgettaire knip hield, zodat een bescheiden succes al zou volstaan om de potentiële schade te beperken.
Ietwat herinnerend aan Sam Raimi’s Darkman, brengt Clayface het verhaal van Matt Hagen (Tom Rhys Harries) een rijk en succesvol acteur die in Gotham met de verkeerde vrouw slaapt, daarvoor betaalt met een compleet verminkt gezicht en vervolgens zijn hoop vestigt op een experimentele remedie uitgewerkt door een ambitieuze wetenschapster (uiteraard altijd een recept voor de nodige problemen).
Zoals Raimi’s onderhoudende proto-superheldtijdperk thriller, is ook Clayface een beetje een mix van (body)horror, actie en drama, met dat verschil dat het mislukte wetenschappelijke experiment hier wel degelijk leidt tot een superkracht (Darkman voelde gewoon geen pijn meer). Matt kan nu plots de gelijkenis van gelijk wie aannemen (een beetje zoals Odo uit Deep Space Nine), best handig wanneer je op wraak zint en dus in de gangsterwereld wil infiltreren. De horror die dat teweegbrengt drijft op gebruik van ouderwetse prothesen gecombineerd met digitale effecten en zonder nu echt bijzonder te zijn, geeft dat Clayface toch een ietwat ander uitzicht dan de generische CGI die veel superheldenfilms tekent. Het gore aspect wordt ook behoorlijk ver doorgedreven, dit avontuur is een pak bloediger dan we van Superman en consoorten gewend zijn.
Een van de meest opvallende aspecten aan Clayface is het – volgens regisseur James Watkins door Sergio Leone geïnspireerde – gebruik van het extreem brede 2:76 formaat in combinatie met Panavision C lenzen die door de bewust ingebouwde afwijkingen de textuur van oudere films imiteren en dus een gladde digitale stijl vermijden. Dat is een nobele betrachting, al is ze ook wel wat verspild aan een film die verder heel weinig ambitie aan de dag legt inzake
beeldopbouw en cameravoering. Toch is het voldoende om alles een ietwat verschillend visueel cachet te geven, waardoor Clayface zich zeker een beetje weet te onderscheiden van de vele gelijkaardige prenten.



