Öndög

In 2007 won Wang Quan’an een Gouden Beer op de Berlinale voor zijn langspeler die zich ontrolde in de Mongoolse steppes. Dertien jaar later keert de Chinese regisseur terug naar de ongerepte vlaktes in Binnen-Mongolië voor zijn zevende film, waarmee hij deze keer de Grand Prix van het Film Fest Gent in de wacht sleepte. Het zou onfair zijn om de pracht van de oneindige landschappen als reden voor zijn overwinningen te zien, maar feit is wel dat het een enorm dankbare regio is voor iemand die van extra lang aangehouden shots houdt.

Onfair, alleen al omdat het minutenlange openingsshot zich bijvoorbeeld volledig in de duisternis bevindt. Het is een ijskoude nacht op de steppes, wanneer een jeep over het hobbelige gras rijdt met twee mannen erin die gezellig keuvelen. Het camerastandpunt plaatst ons in de jeep, met de blik op de weg, enkel de koplampen kunnen ietwat ontwaren wat vooruit ligt. Eerst niets, maar naarmate de meters vorderen blijkt er een dode vrouw naakt achtergelaten te zijn in ‘the middle of nowhere’. Een indrukwekkende openingsscène: weids, verbijsterend mooi en met een nagenoeg perfect spel tussen licht en donker.

Deze film is evenwel niet het verhaal van de dode vrouw, dit is geen ‘whodunit’, geen misdaadverhaal. Wanneer de politie de dag erna aankomt bij de ‘crime-scene’ is het politiecommissariaat te ver om de vrouw meteen al mee te nemen zonder dat er sporen verloren gaan. Eén piepjonge politieman van achttien krijgt de opdracht om een hele nacht in de ijzige koude het lijk te beschermen tegen de wolven. Een onafhankelijke herdersvrouw wordt gedwongen om hem bij te staan.

Er ontstaat een kortstondige connectie tussen beide, die de rol van de (herders)vrouw op scherp stelt. Liefde of voortplanting was niet wat op haar agenda stond. Ze vond het best prima om dag op dag rond te dwalen op een (licht hilarische) kameel om schapen te hoeden. Die nachtelijke ontmoeting tussen kameel en lijk start voor haar een zoektocht naar wie ze wil zijn als vrouw in Mongolië.

Öndög gaat om het menselijke en de (on)herbergzaamheid die te vinden is op een plek waar de mens in de absolute minderheid is tegenover de hordes schapen, paarden en wolven die er leven. Een wereld die niet verder kon afstaan van de onze: de herdersvrouw heeft weliswaar een gsm, maar die gebruikt ze vooral om haar ex-lief op te bellen als ze hulp nodig heeft bij het slachten van een schaap om soep mee te maken of het kalveren van een koe. Het is een oefening om in die fascinatie voor de omgeving en levensstijl het verhaal dat Quan’an wil vertellen niet uit het oog te verliezen.

En dat is effectief een uitdaging. De personages lopen naamloos door de film heen en er zijn fragmenten van het Mongoolse leven die getoond worden waarvan we niet meteen kunnen uitmaken waarom die eveneens verteld moeten worden. Het is niet voor niets dat als de naam Quan’an valt, dat ook de term ‘Zesde Generatie’ in de mond genomen wordt: een beschrijving van een groep onafhankelijke filmmakers die fictie laten flirten met documentaire. En het lijkt erop dat het daarin is dat Öndög soms wat mank loopt: ook Quan’an lijkt soms vooral oog te hebben voor het naturalisme en de ‘slices-of-life’ die weliswaar verpakt zijn in weldoordachte verbluffende cinematografie, maar die uiteindelijk niet wezenlijk iets raken. Terwijl dat dat wel zijn opzet lijkt te zijn.

Toch is het niet moeilijk om te zien waarom net Öndög de koploper in de Gentse competitie was. Los van het natuurlijke wonder dat Binnen-Mongolië is, slaagt Quan’an er consistent in om prachtige cinematografie met fveel fijngevoeligheid te evoceren. Vooral de donkere sequenties (het openingsshot, de nacht tussen lijk en kameel en zelfs de bevalling van een kalf) zijn ontzagwekkend. Zonde dat die poëzie niet oversloeg op de filosofische overpeinzingen in de film.

 

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijftien + elf =