Blog Offscreen Filmfestival 2021

De laatste editie van Offscreen diende op vrijdag de 13e maart 2020 noodgedwongen vroegtijdig te stoppen met een film die The Eternal Evil of Asia heette. Een gepastere én ongepastere titel hadden we zelf niet kunnen bedenken, maar die combinatie van smaak en smakeloosheid is dan ook weer hélemaal Offscreen. Ruim anderhalf jaar later is de liefhebber van de betere cult- en margefilm echter weer helemaal welkom in Cinema Nova en co. Dit jaar programmeert Offscreen een “Eco-horor & climate fiction”-programma, gaande van “Animal Attack”-films zoals Hitchcock’s The Birds uit 1963 of Kingdom of the Spiders uit 1977 tot andere milieu-apocalyptische thema’s zoals het klimaat (The Last Winter) en luchtverontreiniging (Godzilla vs. The Smog Monster). Binnen de Offscreenings, een uitgekiende selectie avant-premières is het vooral uitkijken naar openingsfilm Censor van Prano Bailey-Bond, afsluiter Undergods van Chino Moya en uiteraard Ben Wheatley’s (gekend van o.a. High Rise en Kill List) In The Earth. (JH)

Woensdag 8 September

Censor

Reikhalzend uitkijken was het naar de openingsfilm Censor van de debuterende cineaste Prano Bailey-Bond, in zes edities reeds de vijfde vrouwelijke regisseur die de spits mag afbijten – een statistiek waar Hollywood wel een puntje aan kan zuigen: ga maar eens op zoek naar het shamele aantal cineastes die de Oscar beste regie mochten wegkapen (spoiler: u heeft minder dan een halve hand nodig).

Censor is een psychologische horrorfilm die zich afspeelt in het milieu van de beruchte ‘video nasties wet’ uit het jaren 80 Engeland van Thatcher en brengt zo enkele favoriete ingrediënten samen voor een ideale Offscreenfilm. De prent kan zo zonder scrupules lekker van twee walletjes eten: enerzijds is het in sé een uitstekende genrefilm, anderzijds kan de film profiteren van het kijkplezier dat je beleeft bij het kijken naar een over-the-top slechte film. Zo is Censor bij momenten onverwacht grappig, zowel binnen het eigen verhaal als binnen dat van de films-in-de-film.

De censor van dienst, Enid (Niamh Algar) mag er dan braaf en burgerlijk uitzien, haar job is zowat het tegenovergestelde: de hele werkdag bekijkt ze, op meticuleuze wijze, videocassettes om deze te voorzien van van censuur (“die onthoofding knippen we eruit”). Onbewogen en met ongekende precisie voert ze haar job uit, totdat één bepaalde film verdacht veel overeenkomsten vertoont met een trauma uit haar verleden en ze besluit de productent van die film op te sporen. In die zoektocht die ons naar steeds onguurder krochten van Engeland brengt, stelt Censor ons op erg inventieve wijze vragen over traumaverwerking, hoe ons geheugen ons probeert te behoeden voor de harde realiteit en welke rol repressie speelt in het ontsporen van een maatschappij. Dit alles, zonder een al te belerende boodschap in je gezicht te willen drukken.

De film neemt je mee in de pscyche van Enid, die we steeds verder zien afdalen in een reële onderwereld, maar vooral ook in haar eigen steeds donkerder en troebeler wordende geest. Bailey-Bond levert prachtige tableaus af en laat haar camera traag door de omgeving schuifelen. Terecht durft ze te rekenen op een beklijvende opbouw om dan slechts sporadisch uit te halen met enkele zeer abrupte, onverwachte klappen, die zo dubbel zo hard op het scherm spatten. Dat deze film zo overtuigt, is echter ook voor een groot deel de verdienste van hoofdrolspeelster Niamh Algar. De transformatie die haar aanvankelijk braaf geklede en gemanierde personage doormaakt tot een in bloed gedrenkte wraakengel zet zij neer zonder dat de kijker die extreme transformatie in vraag stelt. Een enorm krachtig debuut op deze eerste Offscreenavond. Dat belooft voor de komende dagen! (JH)

“Censor” van Prano Bailey-Bond met Niahm Algar, Michael Smiley, Uk, 2021, Score: 8/10

Vrijdag 10 September

Long Weekend

Het eco-horror programma van het festival werd donderdag afgetrapt met de Hitchcock klassieker The Birds uit 1963. Wie liever koos voor kijkplezier in de marge, kon terecht bij de Ozploitationklassieker Long Weekend uit 1978 van Colin Eggleston. Wie de natuur uitdaagt, kan dat duur bekopen, zo werd ons onder andere op subtiele wijze duidelijk gemaakt in het mysterieuze Picnic at Hanging Rock, die zich ook afspeelt in Australië. Long Weekend staat qua subtiliteit echter diametraal t.o.v. van die Picnic at Hanging Rock en smijt de eco-horror frontaal in je smoel.

Wanneer je eco-horrorfilm zich pakweg in de Park Midden Limburg afspreekt, deel je je personages nog enige kans toe op succes. In de Australische ‘Outback’, weet je echter verdomd goed op voorhand dat de kansen er helemaal anders voorleggen. Laat het daarom amper een spoiler heten dat het voor onze hoofdpersonages Peter (John Hargreaves) en Marcia (Briony Behets) behoorlijk hard afzien wordt op hun weekendje aan zee. Eggleston zet zijn protagonisten echter zo ongezien onsympathiek neer, dat je echter al gauw kiest voor de kant van Moeder Aarde. Vooral Peter kan het niet laten om in elke scène te tonen wat voor onuitstaanbare egocentrische hufter hij is. Niet alleen heeft hij lak aan alles wat met respect voor leefomgeving te maken heeft – hetgeen de Natuur meer dan één legitieme reden geeft om de tegenaanval in te zetten – ook naar zijn echtgenote Maria toe is hij werkelijk onuitstaanbaar. Dat praat daarom de regelmatige hysterische uithalen van haar kant enigszins goed. De meest geslaagde van die onverwachte uitbarstingen zien we wanneer Marcia in totale hysterie uitschreeuwt “But I don’t wanna go for a walk !!’ waarop we haar in het volgende shot alleen zien in de Australische duin: ‘on a walk’. Het acteerwerk is dan ook wat je verwacht van een jaren ’70 Ozploitationfilm en hoeft vanwege die lage verwachtingen amper te storen. De film verliest de kijker echter op andere vlakken: verschillende scènes zijn dramaturgisch wel heel erg zwak opgebouwd en doven zo ongemakkelijk uit om vervolgens al even ongemakkelijk te knippen naar een volgende scène waartussen alle samenhang ontbreekt. Zo lijkt de film langer te duren dan nodig en worden de stukken plot tussen de stukken plezier – we zitten immers in de zaal om Australische outback een robbertje te zien uitvechten met Homo Sapiens – iets te langdradig. Wanneer Natuur echter volop in de aanval gaat, is het wel verkneukelen zoals gehoopt. Dat kan in de vorm van erg directe frontale aanvallen van adelaars en buidelratten, maar het akeligst is de subtielere dreiging van een volhardende zeekoe, die steeds weer tot leven lijkt te komen en steeds dichter bij hun tentenkamp geraakt.

Na een behoorlijk langgerekte, dialoogloze uitputtingsslag in de laatste act beslist Long Weekend plots dat het welletjes is geweest en serveert ze u  een compleet onverwachte razendsnelle afhandeling van zijn verhaal.  En zo geeft ie de verdwaasd achtergebleven kijker een duidelijke tip: gaat u gerust kamperen op uw fietsvakantie in Park Midden Limburg, maar in Australische Outback boekt u gewoon een gezellig hotel.(JH)

“Long Weekend” van Colin Eggleston met John Hargreaves, Briony Behets, Australië, 1978, Score: 5/10.

Zaterdag 11 September

Godzilla vs. The Smog Monster (Gojira tai Hedora)

Godzilla moet zowat hét archetype zijn van het thema eco-horror. Het monster voedt zich immers met radioactief afval en is zo een direct gevolg van de onvoorzichtige menselijke omgang met de leefomgeving. De evolutie die Godzilla – met 36 films, waarvan 32 Japanse producties, de langst lopende franchise ooit – doorlopen heeft is ongezien. Het bijna kolderieke Godzilla vs. The Smog Monster heeft quasi niets meer te maken met de originele Godzilla/Gojira uit 1954. Het is opvallend hoe ontzettend somber de toon van die eerste film is in vergelijking met de latere incarnaties. De vernieling die het monster daar aanbrengt, met steden die aan verwoestende vlammenzeeën ten onder gaan, was uiteraard niets meer dan een directe herinnering aan de twee atoomrampen die het land troffen. Begin jaren ’70 verschoof de primaire bekommernis van kernoorlogen en -afval naar naar de steeds giftigere smogdampen die de Japanse steden omhulden. En zo ontstond het idee van Godzilla en een nieuwe vijand: The Smog Monster.

Het is moeilijk om deze nummer elf uit de franchise in één toon te vatten: er zitten zoveel onbegrijpelijke stilistische en thematische keuzes in die als meerdere tangen op meerdere varkens telkens weer niet passen, dat het soms om van te duizelen is. Enerzijds was de film bestemd voor een publiek van kinderen en staat die bol van educatieve lessen over luchtvervuiling (geanimeerde intermezzo’s met belerende booschap en zelfs een theme song met duidelijke waarschuwing :“mercury, cobalt, cadmium, filthy polluted oceans!”). Anderzijds deinst de prent er voor terug om ongegeneerd mee te surfen op de hippie-tendensen van zijn tijd en LSD-trippende passages te tonen en wordt ook brutaal geweld geenszins geschuwd. Hoe die elementen samengaan met het idee van de kinderfilm, blijft een raadsel – al heeft de Japanse entertainmentindustrie daar zeker een geschiedenis in: een ‘kinderserie’ als Gatchaman werd aan het begin van de jaren negentienzeventig veel te gewelddadig en complex bevonden voor brave westerse kinderoogjes en de franstalige en nederlandstalige versies (La Bataille des Planètes/ Strijd der Planeten) waren dan ook enkel in sterk geknipte versies te zien op de Europese televisieschermen.

Naast die bedenking valt ook op te merken dat Godzilla vs. The Smog Monster definitief het tijdperk inluidt waarin het prehistorische monster niet meer het kwaadaardige gevaar is dat de aarde vernietigt, maar eerder de beschermheer van de mensheid. Godzilla werd in Japan immers zo populair dat hij werd omgedoopt tot een ‘good guy’ (een benadering die ook de recente versies huldigen). Wanneer Godzilla onder aanstekelijke, triomfantelijke muziek uit de oceaan opduikt, doet dat immers meer denken aan Superman onderweg om de aarde te redden dan aan een rampscenario. De manier waarop Godzilla en het Smog Monster het gevecht aangaan is echter zó bespottelijk dat het lastig is om de held of de slechterik maar enigszins au sérieux te nemen. Als twee onbeholpen monstertjes staan ze wat tegen elkaar aan te schuifelen en ongemakkelijk de prut uit hun ogen te wrijven,  zodat we dit bezwaarlijk een epische strijd kunnen noemen. De plot van de film is gelukkg zo krankjorum dat het allemaal niet veel uitmaakt: een groot smogmonster – duidelijk een man in een veel te warm en zwaar pak – dat boven de Grote Boze Vuile Fabriek uitlaatgassen gaat eten en daarbij met riducule rode ogen ons de stuipen op het lijf zou moeten jagen. Helemaal gestoord wordt het wanneer – en dit hadden we zelf absoluut niet kunnen verzinnen – Godzilla achter het Smog Monster aangaat door met behulp van zijn atomische vuuradem achteruit te vliegen en zijn rivaal achtervolgt om hem vervolgens pardoes met zijn kont te ‘tackelen’.

Ik denk niet dat Godzilla vs. The Smog Monster een erg goede film is, maar ik kan u wel garanderen dat u zich geen minuut zal vervelen tijdens het bekijken van uitzinnige avontuur. Beslist u zelf maar wat u het belangrijkst vindt.(JH)

“Gojira tai Hedora’ van Yoshimitsu Banno en Ishirô Honda met Akira Yamanouchi, Toshie Kimura, Japan, 1971, Score: 7/10

Zondag 12 September

Waterworld

Waterworld is het soort productie waarvan de omstandigheden rondom de film veel meer stof deden opwaaien dan de film zelf. Nog voor de prent in 1995 in de zalen kwam, was Waterworld eigenlijk al aan het genadeloze kruis genageld van de filmcritici: verschillende geruchten bereikten immers de buitenwereld over de gigantische problemen waarmee de opnames te maken kregen, wat meteen resulteerde in de (toen) duurste film ooit. Bovendien boterde het allerminst tussen hoofdrolspeler en producent Kevin Costner en regisseur Kevin Reynolds wat leidde tot menig scriptdokter die het script in volle productie nog moest oppoetsen. bovendien moesten verschillende crewleden Waterworld ei zo na met de dood bekopen, waaronder Costner zelf die enkele hachelijke uren beleefde op een torenhoge mast. De critici stonden dus in lange rijen klaar om Waterworld neer te sabelen vooraleer de titel ooit aan land kwam.

Wat is de film zelf nu waard, zo’n vijfentwintig jaar na datum? Eigenlijk is dit een meer dan uitstekende B-film. Het moeilijk te negeren probleem is evenwel dat een B-film in normale omstandigheden gekenmerkt wordt door een beperkt budget, terwijl Waterworld afklokte op zo’n slordige 175 miljoen dollar. Er kunnen behoorlijke vragen gesteld worden over dat budget, maar wellicht is het best die buiten beschouwing te laten en de prent op de eigen waarde te taxeren.

Er valt niet te ontkennen dat dit een bij momenten geweldig spektakel is, al moet ook meteen worden toegegeven dat de film wel héél ongegeneerd gaat jatten uit George Millers actieklassieker Mad Max 2: vervang woestijn door oceaan en je komt heel dicht in de buurt. Dat wil niet zeggen dat er niet heel wat plezier te beleven valt: zo is het absoluut genieten wanneer de ‘Smokers’ (een plaatselijke bende) met hun jetskiramps en een dirigerende Dennis Hopper op zijn ‘Dennis Hopperst’ het atol van een lokale gemeenschap aanvallen. Ook de megalomane op het water gebouwde decors, de roestige boten en steampunkkostuums, zijn een verademing in vergelijking met wat Hollywood ons tegenwoordig serveert op vlak van actiefilms. Zo doorstaat Waterworld op dat vlak niet alleen de tand des tijds, maar doet hij zelfs verlangen naar vroegere tijden, toen niet alle actie bestond uit afgelikte lichamen in afgelikte kostuums, die poseren voor een ‘green screen’.

Waar de tand des tijds echter redelijk stevig begint af te brokkelen is op een heel aantal andere vlakken: het verhaal is flinterdun en het personage van Kevin Costner is heel de film lang waanzinnig onsympathiek tegenover zowat iedereen die zijn pad kruist – vooral dan zijn directe tegenspeelsters Jeanne Tripplehorn (Helen) en Tina Majorino (Enola). Moesten we voor elke keer dat er een vrouw of kind een brutale mep in het aangezicht krijgt een cent krijgen, dan waren we nu een heel eind rijker geweest. Eén van de dieptepunten is dan ook het moment waarop Kevin Costners personage de vrouw en het kind waarmee hij reist inruilt (voor wat papier nota bene!) aan een openlijk verkrachter, om zich daarna te bedenken en daarom als held onthaald te worden. Het heldendom bereiken om iemand uit te leveren aan verkrachting, maar dat dan nét niet te doen, dat is op zijn minst gezegd ‘niet meer van deze tijd’. De daaropvolgende romance tussen Costner en Triplehorn is dan ook meer dan potsierlijk en doet een volle zaal ongemakkelijk schuifelen… Hoe problematisch je dat moet vinden, valt moeilijk te achterhalen zo’n vijfentwintig jaar na datum: is dit nu een leuke – maar veel te dure – B-film of een compleet mislukte blockbuster? (JH)

“Waterworld” van Kevin Reynolds met Kevin Costner, Dennis Hopper, Usa, 1995, Score: 7/10

Maandag 13 September

Soylent Green

Vijftig jaar na de ‘boom’ van de sciencefictionfilm bevinden we ons in een ietwat bevreemdende situatie. Heel wat van die films die gemaakt werden na het overdonderende succes van Kubricks 2001: Space Odyssey spelen zich af in een toekomst die in feite helemaal niet meer zo veraf is voor ons. Of in het geval van Richard Fleischers Soylent Green: 2022.

Nu, er kan veel gebeuren op één jaar tijd, maar de kans dat we over een kleine vier maanden ons in het duistere toekomstbeeld van Fleischer zullen bevinden is wel heel erg klein. Zijn wereld van 2022 baseerde hij op een essay uit de achttiende eeuw van de filosoof Thomas Malthus: hij vermoedde dat de snelheid waarmee de bevolking groeide zo groot zou zijn dat de voedselproductie op geen enkele manier meer zou kunnen volgen. Het gevolg: vlees, groenten en fruit is er enkel nog voor de allerrijksten en de maatschappij moet zelf zijn bevolkingsexplosie bemiddelen door euthanasie als normale praktijk in te voeren.

Dat basisidee werd quasi volledig overgenomen in het plot van Soylent Green. In het New York van 2022 zorgden de broeikasgassen voor een broeierige hitte, massale dakloosheid, slinkende voedselvoorraden en een avondklok (Fleischer had op zijn minst één aspect juist). Als gevolg leeft de arme bevolking van ‘soylent green’, een soort voedingsrijk koekje gemaakt van plankton. Een politieagent die de moord op een rijke en invloedrijke man onderzoekt, merkt echter dat de waarheid niet zo simpel ineen zit.

Het fascinerende aan Soylent Green is vooral het overweldigende pessimisme dat er aan de dag gelegd wordt. Uiteraard is dat voor een stuk eigen aan dystopische sciencefiction die altijd wel uitgaat van het allerslechtste in de mens, maar voor Fleischer lijkt er helemaal geen hoop meer op vooruitgang te zijn: 2022 brengt geen futuristische robots, hooverboards, vliegende treinen, laat staan feminisme – naar vrouwen wordt tenslotte verwezen als “meubelstukken”. Integendeel: het is gewoon dezelfde wereld uit de jaren 70, maar dan onvoorstelbaar meer vreselijk door ecologische en demografische rampspoed.

Toch hoef je het niet eens te zijn met dat cynisme om van de film te kunnen genieten. Al bij al dient die dystopische achtergrond ook als een goed idee waaruit je ook een amusante thriller kunt puren, en in het geval van Soylent Green: een thriller waarin ‘overacting’ op zichzelf een vorm van entertainment wordt en waarin antagonisten systematisch naast het gezicht van hun slachtoffers mikken. Een thriller ook die er ook geen zier om geeft dat je vanaf het begin wel een donkerbruin vermoeden hebt van wat die te ontrafelen waarheid zal zijn. Misantropie kan dus ook simpelweg aangenaam vertier zijn. (LD)

“Soylent Green” van Richard Fleischer met Charlton Heston, Leigh Taylor-Young en Chuck Connors, Usa, 1973, Score: 7/10.

Dinsdag 14 September

Sputnik

Naast Tarkovsky zijn er slechts weinig Russen die zich in het verleden aan het horror of scifi-genre durfden wagen. De jonge regisseur Egor Abramenko brengt daar verandering in met zijn niet altijd even geslaagde debuut Sputnik, een moderne Russische B-filmversie van Ridley Scotts Alien.

Het verhaal speelt zich af tegen de achtergrond van de Koude Oorlog, de paranoïde jaren waarin de twee grootmachten verzeild zijn in een potje armworstelen over wie het eerst de ruimte kon veroveren. Kameraden Konstantin en Yan zijn twee kosmonauten die net een succesvolle rit met een satelliet erop zitten hebben. Het USSR-heldendom lag voor het rapen, maar er gaat iets mis bij de landing: Yan laat het leven, en Konstantin bracht een buitenaards wezen mee dat vanaf dan binnen in hem leeft.

Het is aan psychiater Tatyana Klimova (gespeeld door de charismatische Oksana Akinshina) om Konstantin te scheiden van de ‘alien’ via haar inzicht in de menselijke psychè. Daarvoor wordt de astronaaut naar een zwaar bewaakt fort gebracht in Soviet-Kazachstan, een geheimzinnige plek waar niemand iets lijkt te willen lossen over Konstantins gezondheid of voedingspatroon. Toch moet Tatyana zien te achterhalen of de hongerige alien een parasiet is of net symbiotisch leeft, een vraagstuk dat haar voor ethische dilemma’s zal stellen.

Abramenko heeft duidelijk goed gekeken naar zijn grote voorbeeld Ridley Scott: de bodyhorror is subtiel, maar onbehaaglijk, de soundtrack klinkt als een ingetogen rave en  de duisternis is alomtegenwoordig. Maar het hoge niveau van de klassieker die buitenaardse monsters voorgoed op de kaart zette, bereikt hij nooit.

Niet per se door de goedkope special effects, want die zijn best verbluffend voor het kleine budget waarmee de film gemaakt werd. De echte valkuil zit hem in de oppervlakkige en voorspelbare politieke statements over de angstcultuur van de USSR – nogal wiedes dat angst een wapen was tijdens de koude oorlog. Ook de psychologische observaties van Tatyana en het slappe trauma dat op Konstantin gekleefd wordt, kunnen nooit echt overtuigen. Dat is jammer, want de juxtapositie van aliens en dictatoriale regimes had een interessante toevoeging kunnen zijn aan de alien-genrefilm waarvan we al talloze varianten gezien hebben.(LD)

“Sputnik” van Egor Abramenko met Oksana Akinshina, Fedor Bondarchuk en Pyotr Fyodorov, Rusland, 2020, Score: 5/10.

Woensdag 15 September

The Last Winter 

Deze editie van het Offscreen festival wordt onder andere gesponsord door vreemde eend in de bijt ‘Greenpeace’. Voor het vrijdagavondprogramma Eco-Horror & Climate Fiction werden de films dan ook ingeleid door milieu- en klimaatexperts van de milieubeweging: in een vijftal minuten trachtten zij verschillende milieuproblematieken te duiden voor een onvoorbereid publiek, om dan af te sluiten met een boodschap die neerkomt op “voor zover de milieuproblemen, ziehier een onderbelichte B-film die deze problemen op een erg van de pot gerukte manier fictionaliseert”. Het is eens wat anders.

In The Last Winter zien we een verwoede strijd tussen de mens en de elementen. Een team van het oliebedrijf ‘North’, aangevoerd door de onvermurwbare Ed Pollack (Ron Perlman) wordt naar een onherbergzaam werkstation gestuurd in Alaska om een olievoorraad te exploreren die de Verenigde Staten energieonafhankelijk zou maken. Het weer is echter niet naar behoren: het is immers al enkele dagen boven vriestemperatuur waardoor geen stabiele wegen aangelegd kunnen worden om het nodige materieel aan te voeren. Al snel blijkt echter dat dat niet het enige is wat niet spoort: het barre Alaska lijkt de manschappen stilaan naar onverklaarbare symptomen en gedragingen te voeren. Te pas en te onpas beginnen neuzen te bloeden en het loopt pas echt stevig mis wanneer één lid van de expeditie beslist om in z’n nakie op ontdekkingstocht te gaan.

De hoogmoed van de mens die de natuur denkt te overwinnen voor zijn eigen rijkdom  en zo zijn eigen ondergang tegemoet gaat. Een boodschap die we al eerder zagen op dit Offscreenprogramma, zie o.a. de niet zo subtiele versie hiervan in The Long Weekend (zie hoger). De dreiging in The Last Winter is treffender omdat het verhaal zich al afspeelt in een arena die sowieso doodsbenauwend is. Regisseur Larry Fassenden maakt optimaal gebruik van de besneeuwde vergezichten en zet zijn personages neer in compleet witte tableaus: de grond waarop ze staan, voorgrond, achtergrond: alles lijkt één immens, uitgestrekt wit. De mens als nietig wezen, op zijn kwetsbaarst in een vijandige omgeving. Wanneer die omgeving dan nog eens beslist in de tegenaanval te gaan, wordt alles eens zo beklemmend.

The Last Winter brengt zeker geen nieuw narratief patroon, maar doet dat erg efficiënt. De derde akte waarin ‘Moeder Natuur’ echt in aanvalsmodus gaat en steeds maar ravage aanricht, weet spanning op te bouwen en af te leveren. Het geheel blijft echter steeds vrij voorspelbaar en kleurt nergens genoeg buiten de verwachte lijntjes om zich te onderscheiden van andere gelijkaardige thrillers. Bovendien maakt de film naar het einde toe de jammerlijke fout om de mysterieuze, eerder abstracte tegenslagen te laten materialiseren in een erg concrete tegenstander. Komt daarbij dat veel filmmakers aan het begin van de 21e eeuw het idee hadden dat plots alles mogelijk was met CGI. Dat maakt dat we een aanvankelijk behoorlijk epische strijd tussen de mens en zijn besneeuwde omgeving voor onze ogen zien wegsmelten en verwateren in een jammerlijke CGI-constructie.(JH)

“The Last Winter” van Larry Fessenden met Ron Perlman, James Le Gros, Usa/Ijsland, 2006, Score: 6,5/10

Vrijdag 24 September

Lapsis

Lapsis is zonder twijfel een van de verrassendste debuutfilms op Offscreen dit jaar. De satirische sciencefictionfilm combineert ‘Ken Loachiaanse’ sociale kritiek met een heerlijk inventieve alternatieve realiteit waarin bekabelaars elkaar bekampen in het woud voor een schamel loon.

Ray is een man met een zieke broer, een doodlopende job en een onbetaalbare ziekenhuisfactuur. Ondanks zijn openlijke walging voor de hypermoderne quantumcomputers, gaat hij toch aan de slag bij CBLR (spreek uit: cabler), een bekabelingsbedrijf dat bekabelaars tewerk stelt: mensen die meerdaagse trektochten maken in ongerepte natuur, met kabels die ze verslepen van punt A naar punt B. Enkel dankzij hun werk kan quantumtechnologie in stand gehouden worden.

Ray is een goedhartige, maar ook wat naïeve man. Hij ziet geen graten in het flexwerk bij CBLR. De marketing zit dan ook goed: ze beloven avontuur, flexibele werkuren, jonge collega’s waarmee je samen kunt kamperen in de vrije natuur. Bovendien word je beloond als je hard werkt: de app herinnert je er meermaals aan dat je je “status quo moet uitdagen”. Het klinkt allemaal mooi, maar de kijker weer dat Hutton op dat moment zijn pijlen richt op bepaalde bedrijven die we maar al te goed kennen.

Net doordat we het CBLR leren kennen door de goedgelovige blik van Ray, bouwt Lapsis de suspense erg efficiënt op: wat zijn die robots die Ray blijven inhalen? Waarom vallen er kabels uit de lucht? En waarom kijkt iedereen hem zo raar aan wanneer hij zegt dat de nickname op zijn CBLR-app ‘Lapsis Beeftech’ is?

En terwijl wij ons stukbijten op het ‘Lapsis Beeftech’-mysterie, grijpt Hutton de kans om heldere statements te maken over het bigtech proletariaat, Amazon, Deliveroo, kapitalisme, flexwerk en de commodificatie van de gezondheidszorg. En die symbiose werkt erg goed, tot het moment dat de film geleidelijk aan ineen zakt: te vroeg ontrafelt Ray het mysterie – weg spanningsboog – en dat mysterie zelf draait ook wat uit op een sof.

Toch is het indrukwekkend hoe Hutton zo’n absurde wereld van kabeltrekkerij heel natuurlijk doet aanvoelen vanaf het begin, hoe hij de informatie weet te doseren en ons al te gemakkelijk meesleept in de kabelwouden, zonder ooit te drammerig te worden in zijn snoeiharde kritiek op het neoliberalisme. Lapsis is een heel erg te smaken B-filmdebuut.(LD)

“Lapsis” van Noah Hutton met Dean Imperial, Madeline Wise en Babe Howard, Usa, 2020, Score: 7/10

Lapsis

Heeft u enig idee wat er precies in de blockchain van uw bitcoins gebeurt? Of welke mechanismes in werking schieten wanneer ‘futures geshort’ worden op de aandelenmarkt? Wel, dan hoeft u de premisse van Lapsis misschien niet zó krankzinnig te vinden als hij aanvankelijk lijkt: in een alternatieve versie van het nu worden financiële transacties gedaan via quantums: grote, magnetische kubussen op willekeurige plekken in het landschap, waartussen om onverklaarbare wijze in een mum van tijd kabels gelegd moeten worden om quantumverbindingen te maken. En dat meestal in de prachtigste Nationale Parken van de Oostkust van de VS.

Centraal in Lapsis staat Ray (Dean Imperial), het prototype van een Italiaans-Amerikaanse lage middenklasser die zijn eindjes aan elkaar probeert te knopen. Het verhaal wordt volledig vanuit zijn standpunt vertelt en dat komt twee keer erg goed uit: de makers hoeven er zich niet te veel zorgen over te maken hoe waterdicht de wetten van hun gecreëerde universum zijn en de kijker hoeft er zich het hoofd ook niet over te breken. Vanuit Rays standpunt geldt immers maar één zaak. Hij dient kabels te leggen om de quantums te verbinden. Wat ertoe doet, is dat de gewone mens – de 99% zeg maar – uitgeknepen wordt, niets van het systeem begrijpt en op alle vlakken het onderspit delft.

Lapsis is daarmee een gitzwarte satire op de huidige flexwerkeconomie. Denk aan Ken Loachs laatste worp Sorry We Missed you: Lapsis is minstens even kritisch, maar smeert er een dikke welgekomen laag saus van prettige gestoordheid over. De bekabelaars – een vrij directe metafoor voor huidige koeriers en andere flexwerkers – gaan gebukt onder contracten met weinig garanties en rechten en worden verleid met mooie beloftes over zelfstandigheid en stevige vergoedingen, áls daar een lange periode van trouw aan het bedrijf (CABLR) tegenover staat. De beperkt toegestane pauzes en de schimmige contracten verhullen nauwelijks aan welke bedrijven Hutton dacht bij het bedenken van dit script. Lapsis komt echter nooit prekerig of storend over, omdat Hutton er zoveel absurdisme aan toevoegt dat de film blijft entertainen. Alleen al het basisgegeven van honderden bekabelaars die met gigantische bobijnen dwars door de mooiste nationale parken zitten te ploeteren is hoogst vermakelijk.

Lapsis laat zijn aanklacht doordringen in alle facetten van de wereld, niet alleen in het centrale thema van de film, maar ook in de nog absurdere richting die de financiële wereld is ingeslagen: rijke gezinnen die hun familie aan woekerprijzen verhuren voor het droppen van hun kabels, een over-the-top uitbuitend gezondheidssysteem… Ray wordt nérgens met rust gelaten. En hoewel Ray hét prototype is van een antiheld (een kalende, gezette, zwetende en ongeletterde man van middelbare leeftijd) is hij een droom van een hoofdpersonage. Zijn bedoelingen zijn van meet af aan nobel en ook al kleurt hij niet helemaal binnen de lijntjes, toch slaagt hij er tegen de verwachtingen in om het publiek achter zich scharen.

Een indrukwekkend langspeeldebuut van debuterend regisseur Noah Hutton, die niet alleen de film regisseerde en schreef, maar ook de uitstekende score verzorgde en de film zelf monteerde. Nieuw talent om verder naar uit te kijken! (JH)

“Lapsis” van Noah Hutton met Dean Imperial, Madeline Wise en Babe Howard, Usa, 2020, Score: 7,5/10

Zaterdag 25 September

The Amusement Park

Deze George Romerofilm is wat de vreemde eend in de bijt van ’s mans oeuvre.  De regisseur van Night of the Living Dead werkte voor The Amusement Park in opdracht van de overheid: in 1973 werd Romero namelijk gevraagd om een soort publireportage te maken over de discriminatie tegenover oudere mensen. Alleen moet het zijn dat de overheidsinstelling die de informatiefilm aanvroeg zich niet helemaal goed ingelicht had over Romero’s filmstijl, dat Romero niet goed gebriefd werd of dat hij gewoon wat een eigenzinnige stijfkop was die niet meteen zin had om zijn stijl te verloochenen voor een ‘infomercial’.

The Amusement Park werd immers nooit echt met het doel van informatieverschaffing vertoond: de overheid vond de film – weinig verrassend – te gruwelijk. Gelukkig zijn wij geen Amerikaanse ambtenaren en is het Offscreen publiek de nodige brutaliteit over het algemeen wel genegen, want enkele jaren geleden werd de prent eindelijk teruggevonden na jarenlang vermist geacht te zijn en kunnen we vandaag genieten van de gerestaureerde versie.

Defilm trapt af met de zestigplusser Lincoln Maazel die uitlegt wat we te zien zullen krijgen: pretparkattracties die de alledaagse mishandeling die de oudere bevolking moet meemaken, blootleggen. We zullen financiële worstelingen zien, scheve blikken – of erger – het gebrek aan blikken en moeten meevoelen met de algehele boodschap dat ouderen er niet meer toe doen. Vooraleer we het dolgedraaide pretpark binnenstappen, drukt hij het ons nogmaals stevig op het hart dat we maar beter goed opletten, want ook wij zullen op een dag oud zijn.

Daarop stapt Maazel in het pretparkavontuur, waarin hij van het ene onheil in het andere verzeild geraakt. Zijn oudere metgezellen raken hun rijbewijs voor botsauto’s kwijt, Magere Hein blijft maar rondjes draaien op de draaimolen en stoute motorbendes stelen pretparkbonnetjes van weerloze oudjes. Maazel raakt zijn trots en eer kwijt en beseft langzamerhand dat hij de ‘freakshow’ is van park. Hij hoort er niet meer thuis.

De ironie van dit alles is dat ondanks Romero’s eigenzinnige aanpak, dit eigenlijk nog niet eens zo’n slechte infofilm is. Hoewel The Amusement Park overduidelijk een heerlijk bij de haren getrokken horrorkomedie is, laat Romero ons daadwerkelijk reflecteren over hoe we kijken naar de oudere bevolking. Wie zou immers niet te doen hebben met Maazel in een scène waarin hij niet eens meer ‘de drie biggetjes’ mag voorlezen aan een kind? Wat dan wel weer in het nadeel van het ‘infomercial’ gehalte spreekt is de genadeloze hopeloosheid waarop Romero het onderwerp benadert: je zal vol hoop het pretpark binnenstappen, maar met lege handen terugkeren, aldus Maazel zonder mazzel. (LD)

“The Amusement Park” van George A. Romero met Licoln Maazel, Verenigde Staten, 1973, Score: 7/10

Undergods

Het surrealistische debuut van de Spaans-Britse Chino Moya, is een ‘patchwork’ van drie zwartgallige kortverhalen die verbonden zijn met elkaar door een overkoepelende dystopie van puin, verderf en de dood. Het is een uitdaging om het kluwen aan ideeën in het drieluik te ontwarren, maar zelfs als het allemaal je petje te boven gaat, blijft er nog altijd een doorgetripte duistere komedie over, gemonteerd op ‘new wave beats’ en gevuld met superprestaties van zowaar de gehele cast.

Undergods is niet meteen een gezellige zondagavondfilm: de prent heeft geen enkele intentie om de zwaarte van de getoonde duisternis te verlichten. De film presenteert naadloos in elkaar overlopende sombere en ‘unheimliche’ verhalen. Het eerst over een koppel dat net introk in een nieuw appartement in een ‘revolutionair bouwproject’ en een bovenbuur in huis neemt voor enkele dagen die vervolgens het zelfvertrouwen van de man des huizes aan diggelen slaat. Een tweede volgt een koopman die het geniale ondernemingsplan steelt van een geflipte ‘buitenlander’, maar er ook niet in slaagt om op een normale manier met zijn dochter om te gaan. Het slotluik – het hoogtepunt van Undergods – is een verhaal over een man (een haast onherkenbare Sam Louwyck)  die na 15 jaar vermist te zijn, opnieuw zijn vrouw opzoekt die inmiddels hertrouwd is.

Die verhalen spelen zich af tegen een achtergrond van vernieling: de drie verhalen lijken allemaal verbonden te zijn met een soort donkerblauwe toekomst, een wereld die volledig vernield is op enkele Sovjet-achtige betonblokken na. Het economisch stelsel van die toekomst is gebaseerd op lucratieve mensenhandel en een bikkelharde concurrentiestrijd. De vraag is echter wel of de drie verhalen zich afspelen in die tijd, of net verschillende stadia van het verval willen visualiseren.

Het woord Undergods scheelt niet toevallig maar weinig van het woord ‘underdogs’. In elk van de verhalen lijkt Moya de vraag op te werpen wie de ‘underdogs’ zijn en wie de ‘(onder)goden’ – wie grijpt er de macht, en wie wordt er ontdaan van de macht en wie is de grotere hond te slim af.

Undergods maakt gebruik van groteske hyperbolen om de visie over enkele maatschappelijke tendensen in verband met gender, arbeid en macht bloot te leggen. Maar naast een politiek betoog, is dit voornamelijk een immersieve en verbeeldingsrijke film met virtuoos camerawerk en vertolkingen van acteurs die hun ranzigste slijmerigste kantjes naar boven weten te halen voor deze venijnige en sombere prent, die overigens ook een van de meest onbehagelijke incarnaties van Sinatra’s My Way weet te integreren. (LD)

“Undergods” van Chino Moya met Sam Louwyck, Kate Dickie en Tanya Reynolds, VK, België, Estland, Servië en Zweden 2020, Score: 7,5/10.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

achttien − elf =