Blog: Offscreen Film Festival

Liefhebbers van cult, horror, science fiction en – het mag gezegd worden – soms ook gewoon slechte smaak mogen zich weer in de handen wrijven. Van 4 tot 22 maart vindt alweer de 13e editie plaats van het onvolprezen Offscreen filmfestival plaats. Het zwaartepunt zal naar goede gewoonte weer de Nova Cinema zijn. Welke andere bioscoop ademt er immers meer Offscreen dan deze parel in hartje Brussel. Je kan echter ook in Cinematek, Bozar en Cinema RITCS terecht voor de diverse programma’s van Offscreen.

Welke programma’s vraagt u? Openen doet het festival met About Endlessness van de eigenzinnige tableaukunstenaar Roy Andersson (o.a. ook Songs From The Second Floor en Du Levande). Voor al wie eerder terugdeinst voor het al te gory of culte aanbod van Offscreen is dit waarschijnlijk meteen een aanrader. Hoogst eigenzinnige cinema, zonder dat het visueel brutaal dient te zijn. Deze film is deel van het Offscreenings programma, bestaande uit een aantal nieuwe films, de cult films van morgen. Zo is er ook Monos van Alejandro Landes, dat recent nog voor beste muziek in de prijzen viel op het Filmfestival van Gent en Koko-Di Koko-Da: Zweedse folk-horror over een uit de hand gelopen kampeertrip.

Eén van de belichte offscreenthema’s van dit jaar is Beach Party & Beach Horror films. Dit programma pakt uit met niets aan de verbeelding overlatende titels als Creature From the Haunted Sea of Blood Beach. Mis zeker de triple bill niet op vrijdag 6 maart waar je voor de luttele prijs van 10€ drie van die beach party & horrorfilms voorgeschoteld krijgt, om dan daarna te mogen afzakken naar de in beach barstijl omgedoopte Nova bar. Liefhebbers van het sub-subgenre Nazi-zombie horror (google zeker eens Surf Nazis Must Die of het iets conventionelere Dead Snow) zullen binnen dit programma ook kunnen genieten van Shock Waves, over de ondode SS storm troopers die de kusten onveilig maken. Het tweede hoofdthema, Hong Kong Category III focust op Hong Kong releases vanaf eind jaren ’80 die omwille van hun  politieke incorrecte, amorele of overgeweldadige karakter een categorie III-label kregen. Voor Offscreen geldt dat uiteraard als kwaliteitslabel en brengt dat screenings op van prenten als The Eternal Evil of Asia, Sex and Zen en Taxi Hunter.

Centrale gast van dienst is Jeff Lieberman, die in de jaren ’70 uitblonk in het verfilmen van waanzinnige ideeën, zoals killerwormen in Squirm of Blue Sunshine, waarin de inwoners van Californië hun haren verliezen om vervolgens psychopathische moordenaars te worden. Alle films van dit programma worden ingeleid door De Meester zelve. Verder is er nog het Time Travel programma, met klassiekers als Back To The Future (een unieke kans om de hele trilogie in 35 mm op pellicule en op het grote scherm te zien), Terminator, moderne klassiekers als Inception of de betere tijdreisfilm uit de marge.

Naast al dit filmplezier zijn er ook tal van activiteiten die zich niet in de bioscoopzaal zelf plaatsvinden. Zo is er ook dit jaar weer een tweedehandsbeurs voor verwoede filmverzamelaars en vinden er heuse conferenties plaats over de Hong Kong Categorie III cinema en over Tijdreizen. Die laatste vindt plaats op de voorlaatste dag van het festival, wie goed oplet, reist beslist een aantal dagen terug de tijd in om de gemist films in te halen.

4 Maart

About Endlessness (Om Det Oändliga)

Net zoals vijf jaren geleden, toen met A Pigeon Sat on a Branch Reflecting on Existence, opende Offscreen filmfestival met nieuw werk Roy Andersson. De Zweed die al in 1970 doorbrak in eigen land met A Swedish Love Story is bij het internationale publiek vooral bekend voor zijn typische tableaustijl zoals we die zagen in Songs From The Second Floor  en You, The Living. In About Endlessness wordt al van bij de eerste scène duidelijk dat de man niet van zin was om het over een andere boeg te gooien.

Wie de bovengenoemde films aanraders vond, gaat over About Endlessness hoogstwaarschijnlijk precies hetzelfde denken en vice versa. Andersson brengt opnieuw aan de hand van een aantal langere sketches – bestaande uit één stilstaand shot – de absurditeit van het leven op geheel eigen wijze in beeld. Steeds laat hij de camera op een wat ongemakkelijke afstand. Dat zorgt ervoor dat je altijd voorbij een stuk ongebruikt decor op het voorplan dient te turen om het personage eerder in de achtergrond te zien sakkeren, falen en hulpeloos zijn.

De sketches laten zich bekijken als narratief nauwelijks aan elkaar verwante gehelen. Hier en daar duikt een personage wel weer op in een latere sketch, maar er zijn minstens evenveel scènes die ogenschijnlijk niets met de rest van het verhaal te maken hebben. Geen begin-midden-eindeverhaaltje dus, geen held met een nauwgezette karakterontwikkeling en queeste. Het gaat hier om impressies van de menselijke hulpeloosheid. De verbinding tussen de sketches is louter te vinden in de thematiek en toon van de taferelen. Andersson beheerst na een heel aantal van deze tableaufilms zijn eigen stijl duidelijk tot in de puntjes. Elk decor ademt dezelfde troosteloze sfeer uit: die stoffige kantoren, dat jaren ’60 meubilair in die kille, net iets té lege ruimten, met kleuren die hoogstens variëren tussen vaalgeel en donkerbruin. Ook in de personages valt een duidelijke rode lijn te ontdekken: keer op keer hebben ze een ietwat bizar figuur of bizarre houding en een wel zeer opvallende bleke huidskleur. Er lijkt wel een soort van ontmenselijking in deze figuren te hebben plaatsgevonden. Wil Andersson hier suggereren dat de moderne mens al dood is vooraleer hij sterft? Lopen deze figuren rond in een vagevuur?

Zijn observerende stijl laat je toe om vanop afstand de rariteiten van de situatie gade te slaan. Zo wordt je zelf één van de vele figuranten die vaak deel uitmaken van de sketches. Deze figuranten grijpen nooit in in de situatie, terwijl de sociale code dit wel voorschrijft. Regelmatig zien we een personage in diepe pijn met een duidelijke hulpvraag en bekruipt je dat ongemakkelijke gevoel, omdat je net als die omstaande figuranten niet kan ingrijpen.

Of dit dan boeiende cinema oplevert? De handelingen zijn traag, de actie start soms pas na tientallen seconden nauwelijks bewegend beeld en de camera beweegt gedurende de hele prent welgeteld één keer. Erg traag. Toch is ook deze Anderssonfilm niet iets waar tegenstanders van de eerder “trage” film per se van moeten wegblijven. De humor is bijtend, hard, aanstekelijk en blijft boeiend. Bovendien is Andersson slim genoeg om scènes die eerder naar zwarte humor neigen af te wisselen met snoeiharde scènes die ons het lachen snel doen vergaan. Zo laat hij de kijker niet te gemakkelijk in zijn comfortzone zakken en houdt hij zichzelf en ons scherp.

Het is interessant te weten dat Anderssons carrière achter de camera begon in de jaren 1960 als regisseur van absurd komische reclamespotjes (te bezichtigen op youtube). Alhoewel de toon en finaliteit van die sketches mijlenver af liggen van wat hij laat zien in zijn laatste films, herken je toch duidelijk diezelfde absurde, zwart-komische kijk op de wereld. Het flukse, vrolijke van de reclamespotjes raakte hij kwijt, de zwartgallige humor en visie over de mensheid bleef achter. Dat hij sinds het begin van deze eeuw hetzelfde trucje blijft herhalen zal waarschijnlijk een heleboel cinemabezoekers stilaan voor het hoofd beginnen stoten. Vernieuwen doet hij immers al even niet meer, maar wat hij vertelt, vertelt hij erg goed.(JH)

About Enlessness (Om Det Oändliga) van Roy Andersson met Bengt Bergius, Anja Broms, Marie Burman, Zweden, 2019, Score: 7/10

6 Maart

Op vrijdag 6 maart kleurde het offscreenfestival oceaanblauw en zandgeel. De Cinema nova werd omgetoverd tot een heuse tiki bar, inclusief zand, surfrock, cocktails en tuig in zwemshort uitgerust met parasols. Het was immers tijd voor de Beach Horror & Party Night. De films werden voorafgegaan van trailers met een zanderige touch van sexploitationachtige allooi (o.a. Beach Bunnies, Hot Moves en Justine: The Erotic Excitement of Evil) of monsterachtig allooi (o.a. The Monster of Piedras Blancas, Humanoids from the Deep en Hellyfish) om vervolgens stevig uit de startblokken de schieten met de eerste feature film:

The Horror Of Party Beach

The Horror begint met een erg lange scène waar we een troep tieners zien losgaan op de geneugten van de jaren ’60 ergens in een Amerikaanse oostkust beachstadje: seksueel op hol geslagen tieners, waanzinnige dansmoves uit lang vervlogen tijden en tot de verbeelding sprekende spannende zwemshortjes. Een dieper gravend filmcriticus zou zich reeds beginnen afvragen of het niet de strakke witte zwembroekjes van de gladde jongens zijn die de echte horror van party beach veroorzaken, hier gaan we dat even niet doen. Het blijft in die openingssequentie erg onduidelijk wie of wat te volgen – en waarom? – te midden van al het gefeest, wat wel duidelijk gemaakt wordt in een parallelle montage is dat er onheil op komst is.

Sinds Enola Gay de eerste atoombom dropte op Hiroshima in 1945 werd alles wat enigszins te maken had met kernenergie, atoombommen of radioactiviteit een bron van onschatbare waarde voor het horrorgenre (zie o.a. Godzilla en Them! uit 1954). Een geslaagde horrorfilm speelt immers in op een bestaande onderhuidse angst en het is een understatement om te zeggen dat die angst er tijdens de warmste jaren van de Koude Oorlog was. Ook hier blijkt het gevaar al snel uit dezelfde hoek te komen. Na het dumpen van radioactief afval in zee, geheel toevallig pal op enkele menselijke resten, ontstaan prompt zeemonsters. Want zoals we onderhand allemaal wel weten, zo werkt radioactief afval nu eenmaal. Hoezeer de openingssequentie al behoorlijk vermakelijk was opgebouwd, wordt meteen duidelijk dat het dit zeemonster is waar we allemaal voor gekomen zijn. Het ontwerp van het monsterkostuum lijkt op iets waar je dochtertje van 7 zou mee thuiskomen na een gezellige knutselnamiddag op school. Het monster is daarom in de eerste plaats eerder aandoenlijk dan beangstigend. Bovendien werden de monsterhoofden een eind boven de hoofden van de weinig benijdenswaardige acteurs geplaatst die daardoor niet zagen wie of wat ze schrik aanjoegen. Wanneer ze dus vervaarlijk rond zich heen lopen te zwaaien met hun monsterarmpjes, zien we eigenlijk voornamelijk een acteur die  vruchteloos zijn omgeving aftast. Het is dan ook behoorlijk verwarrend om die schadeloos uitziende zeemonsters hun prooien te zien grijpen in een wat voor die tijd ontzettend ‘gory’ zwart-wittafereel was.

De dwaasheid van de film is ook meteen de grootste troef. Elke keer dat het monster rondsluipt rond zijn prooien of zich ontzettend zichtbaar ‘schuilhoudt’ in de achtergrond, kan je het kijkplezier niet onderdrukken. Verder hebben tal van flagrante fouten de finale cut van de prent gehaald: Zo zie je enkele keren de acteurs helemaal struikelen over hun eigen woorden of worden binnen éénzelfde scène shots bij daglicht en nacht schaamteloos afgewisseld. Regisseur Del Tenney wist precies goed waar het kijkplezier van zijn product in bestond en maakte niet de fout om zijn film te veel au serieux te nemen. De prent werd destijds immers vooral geproduceerd voor het drive-incircuit en daar was het maar al te belangrijk om de aandacht nooit te laten verslappen. Het jonge publiek stond er om bekend hun verveling te uiten door luid getoeter met hun wagens.

Narratief mist de film duidelijk wat houvast. In de lange openingssequentie aan het strand, wordt er van personage naar personage gesprongen waardoor het een lange uiteenzetting van sfeer en arena blijft. Het is pas wanneer de gemeenschap van het kuststadje op zoek gaat naar een aanvalsplan om het monster te doden dat er echt een verhaal op gang komt. Elaine en haar vader Dr. Gavin, bijgestaan door de archetypische huishoudhulp Eulabelle, treden dan op de voorgrond en slagen erin de zwakke plek te vinden dankzij het gegeven ‘filmwetenschap’. We hebben het dan niet over de tak van de wetenschap die zich bezighoudt met het analyseren en ontleden van film, maar over het pseudowetenschappelijke geleuter dat tal van science fiction- en horrorfilms door de plot holes dient te loodsen. Ook hier mochten we ons in de handen wrijven om de typisch vaagwetenschappelijke verklaringen die Dr. Gavin uit de doeken doet. Voor de nieuwsgierigen onder ons: iets met genetica, iets met protozoa en iets met hoe natrium de zeemonsters stante pede doet ontploffen. The Horror of Party Beach gaat na meer dan 50 jaar ontwikkeling van het horrormonstergenre natuurlijk geen enkele filmkijker nog de stuipen op het lijf jagen. Gelukkig kan hij je soms wel een stuip doen krijgen van het lachen.(JH)

The Horror of Party Beach van Del Tenney met John Lyon, Alice Lyon, Allan Laurel, Usa, 1964, Score: 4/10

 

Shock Waves

De tweede beach horror film was het subtiel getitelde Shock Waves. De premisse van Shock Waves klinkt even briljant als van de pot gerukt: bij een niet nader bepaald eiland bevindt zich een eskader onderwaternazi-zombies, die geduldig afwachten om passerende prooien te grazen te nemen. De premisse blijkt echter nog niet zo vergezocht als u aanvankelijk denkt. Verschillende relatief recente films bouwden immers op eerdere successen zoals deze Shock Waves. Zo zagen we in de trailerronde ook het verre neefje Surf Nazis must die  al passeren. Maar denk ook zeker aan hedendaagse films die in de marge toch wel wat successen oogsten zoals Dead Snow of nog recenter Overlord.

Shock Waves levert de eerste schok al af aan het publiek bij de opening credits. Zo blijkt namelijk dat debuterend regisseur Ken Wiederhorn erin geslaagd was om doorgewinterde iconen als John Carradine (Stagecoach, The Grapes of Wrath) en Peter Cushing voor zijn B-film lens te krijgen – voor een luttele vijf draaidagen kreeg Cushing een aardig loon van 25000 dollar. Peter Cushing had in de late jaren ’70 bovendien duidelijk de smaak van het Derde Rijk te pakken. In Shock Waves mocht hij opdraven als een ex-SS-bevelhebber terwijl hij eerder datzelfde jaar bij het grote publiek bekend zou worden als Grand Moff Tarkin in Star Wars. De iconografie van The Empire in de Star Wars-saga is uiteraard een nauwelijks verhulde knipoog naar nazi-Duitsland.

De plot volgt een groepje vakantiegangers dat tijdens een pleziertochtje, geleid door Kapitein Ben Morris – John Carradine amuseert zich duidelijk kostelijk in zijn kopie van Jaws’ briljante kapitein Quint – averij loopt. Het zootje dient te schuilen in een verlaten hotel op een onbekend eiland. Dat hoeft geen onoverkomelijk probleem te zijn, ware het niet dat het in de wateren rondom het eiland krioelt van sinistere nazi-zombies, het voormalige eskader van de SS commandant (Peter Cushing) die nog steeds ronddoolt op dat eiland.

Het schrikeffect dat Wiederhorn gebruikt in de film bestaat uit de herhaling van steeds weer exact hetzelfde trucje: compleet in SS-uniform uitgedoste nazi-zombies rijzen geruisloos op uit het water als sinistere killers en besluipen de in de val gelokte toeristen om daarna weer geruisloos onder te duikelen. Het trucje werkt en de make-up en kostumering van de zombies is erg doeltreffend gedaan, maar Shock Waves komt wat traag op gang en weet na de intro te weinig verrassingen te bieden. Door de proloog weten we bovendien eigenlijk al dat deze film op een slachting zal uitdraaien, waarin uiteindelijk enkel de ‘final girl’ het einde van de prent zal weten te halen. Toch heeft Wiederhorn nog wel een kleine plot twist in zijn mouw zitten, zodat er toch nog wat stof is om achteraf over na te praten bij pot en pint.(JH)

Shock Waves van Ken Wiederhorn met Peter Cushing, John Carradine, Brooke Adams, Usa, 1977, Score 5/10

Robotrix

De Hong Kong III route die Offscreen zo netjes voor ons uitstippelde, brengt ons het mooist van wat de Hongkongse science fiction exploitatiefilm van de jaren tachtig te bieden heeft. Ondanks dat Robotrix pas begin de jaren 90 ter aarde kwam, heeft de prent werkelijk alle ingrediënten van het genre: onmogelijke seks, buitensporig geweld en geile robots – al dan niet tegelijk. Met een absurde mix van The Terminator en de gemiddelde productie van Brazzers, is dit pareltje onweerlegbaar buitensporig en amoreel, maar o zo geestig.

Vijftal minuten ver in Robotrix zagen we al vier paar borsten majestueus doorschemeren door natte T-shirts en een prins die ontvoerd wordt door een robot. Die ontvoering blijkt het werk te zijn van Yamamoto, een kwaadaardige wetenschapper die zijn brein getransplanteerd heeft naar het lichaam van een robot die zo’n – hou u vast – honderd miljoen watt energie kan voortbrengen. Yamamoto zou plannen hebben om samen met de keizer een robotlegioen op te starten, maar moet de keizer nog wat overtuigen door zijn zoon te doorboren, sekswerkers te verkrachten en messen vakkundig in een onschuldig man zijn mond te werpen.  Lobbywerk als een ander.

Meer van het plot willen we u niet meegeven, afgezien van het feit dat die gegarandeerd uw wildste verbeelding zal overschrijden. En het is niet enkel het krankzinnige narratief dat stevig op de lachspieren werkt, maar ook de absurdistische filmtechnieken geven blijk van een Tommy Wiseau ‘avant la lettre’. De extreme close-ups beginnen van meters ver, de dialogen zijn extreem uitleggerig en de cast lijken ze gepikt te hebben uit het lokaal amateurtheater van het Hongkongse equivalent van Poelkapelle. Maar dat bederft de pret niet, integendeel.

Voor een film als deze, waarvan het onmogelijk is dat zoiets onder het officieus bewind van Xi Jingping ooit nog gemaakt zal worden, zagen we ook – lichtjes terughoudend – de overduidelijke misogyne ondertoon even door de vingers. Pornografie staat nu eenmaal niet bekend om zijn feministische agenda, laat staan in de jaren negentig.  Ja, het is best ongemakkelijk dat erotiek in Robotrix bijna gelijk gesteld wordt met verkrachting en sekswerk. Anderzijds wordt er evenmin een fraai beeld geschetst de mannelijke bronstige politie-inspecteurs: per borst dat ze te zien krijgen, daalt hun IQ met zo’n 5 procent, wat niet handig als drie van hun collega’s vrouwen zijn (waarvan twee robots, om precies te zijn). Reken dus zelf maar uit.

Als één van de inspecteurs bijvoorbeeld met grijpgrage handen doelbewust rent naar de borsten van een van zijn vrouwelijke collega’s en zij hem vervolgens pardoes op de grond werpt met een minieme handbeweging én hij op zijn beurt nog steeds niet beseft dat zo’n vrouw misschien niet helemaal menselijk is, blijkt dat nu niet meteen van veel bekwaamheid. Misschien is regisseur Jamie Luk simpelweg een misantroopje.

Hoe dan ook: Robotrix verveelt op géén enkel moment. Of het een goede film is, doet er eigenlijk maar weinig toe in dit geval. Het is hilarisch topentertainment met stuk voor stuk onvergetelijke robotgevechten, robotseksscènes en dialogen. Zet uw politiek correcte bril even af en geniet met volle teugen van deze waanzin.(LD)

Robotrix (Nu ji xie ren) van Jamie Luk met Amy Yip, Chikako Aoyama, David Wu, Hong Kong, 1991, Score: buiten categorie.

13 Maart

Koko-di Koko-da

Ook het Offscreen festival kwam vervroegd ten einde. Zo bleek de 13e editie van het festival op vrijdag de 13e te moeten stoppen. Bovendien zou daardoor de allerlaatste film The Eternal Evil of Asia genaamd zijn. Tegelijk de meest gepaste en ongepaste titel voor een festival dat vroegtijdige stopt omwille van het uit Azië afkomstige virus. En daardoor tóch weer helemaal Offscreen.

Eerder die avond werd ons nog de horrorfabel Koko-di Koko-da voorgeschoteld, van de Zweedse cineast Johannes Nyholm: “Le coq est mort, le coq est mort. Il ne dira plus koko-di, koko-da. Il ne dira plus koko-di, koko-da.” Zo gaat het Franse kinderliedje dat bij voorkeur in canon wordt gezongen en zo tot in de oneindigheid door kan gaan. De film volgt een koppel dat drie jaar na de dood van hun dochter de draad terug poogt op te nemen aan de hand van een kampeertrip. Ze komen echter terecht in eindeloze tijdslus waarin ze een fatale nacht steeds herbeleven. Groundhog Day met een randje bloed eraan horen we u denken. Inderdaad, maar gelukkig ook wel wat meer dan enkel dat.

In wezen is de hele film één fikse metafoor over hoe het koppel omgaat met het verlies: ruziën, steeds terugkerende verwijten en zodoende de afstand tussen hen die almaar groter wordt. Steeds opnieuw trappen ze in dezelfde val, die weigert hun verdriet onder ogen te zien en dan ook voor geen haar helpt bij het verwerken van hun gezamenlijke verdriet. Hoe Koko-Di Koko-Da deze hele metafoor vertaalt in de steeds terugkerende horror op de campingtrip is een even spannende als frisse manier om dit aan te pakken. Pijnlijk is te zien hoe beide helften van het koppel op zeer herkenbare manier omgaan met problemen. Dat het “probleem” hier wordt verbeeld als een excentrieke bende bloedlustigen, doet trouwens niets af aan die herkenbaarheid. Het lijkt dat Nyholm inspiratie vond bij landgenoot Ruben Östlund die in Turist (onlangs voorzien van een Amerikaanse remake) al toonde hoe de man des huizes in tijden van gevaar liever kiest voor zijn gsm en zijn eigen hachje, in plaats van voor zijn gezin. Ook in Koko-Di Koko-Da zien we hoe de man het keer op keer op een door paniek gedreven vluchten zet, terwijl de vrouw verklaringen eist. We laten u zelf uitvissen wie er als het meest verstandig uitkomt in deze film.

De tweespalt tussen een drama over een koppel dat zijn verdriet verwerkt enerzijds en een pure genrehorrorfilm anderzijds, werkt het best in een aantal scènes waarin we het koppel volgen in de wagen, vanop de achterbank. We horen ze kibbelen, verwijten naar mekaars hoofd gooien zonder dat de protagonisten in beeld worden gebracht. We volgen enkel via de voorruit van de wagen hoe de wagen hen steeds dichter brengt bij een in het bos verscholen gevaar. Ook hier weer een eenvoudige, maar toch effectieve metafoor over hoe de personages zichzelf letterlijk in de miserie drijven. De film slaagt er over de hele lijn goed in om de twee genres goed aan bod te laten komen. We hebben in de eerste akte voldoende tijd met het koppel doorgebracht om geïnvesteerd te zijn in hun welzijn. Geen sprake van inwisselbare personages hier, een euvel waaronder mindere geslaagde horrorfilms toch vaak lijden. De opgebouwde spanning en angst werken echter ook, bewijs daarvan zijn enkele kreten die in de Nova cinema weerklonken. Wat helaas wel problematisch en bijna onvermijdelijk is aan dit soort films is de herhaling die zich noodgedwongen opwerpt: inherent aan de tijdslus is de terugkerende herhaling van de fatale nacht, waardoor er enkele korte scènes zijn die we als kijker nét iets te veel dienen te herbeleven. Koko-Di Koko-Da zorgt gelukkig voor voldoende nieuwe dramatische ontwikkeling bij elke herhaling en stopt nét bij die ene herhaling die er te veel aan zou zijn, om deze fabel een verdiend sprookjesachtig einde te geven: een wondermooi schaduwpoppenspel – zie ook de kortfilm Dreams From The Forest van dezelfde regisseur – verschaft ons (en de vrouwelijke helft van het koppel) inzicht in de gruwel waarin ze verstrikt zijn en hoe eruit te ontsnappen. En hoe we uiteindelijk verlost zullen zijn van die akelige oorwurm: Il ne dira plus koko-di koko-da! (JH)

Koko-di Koko-da van Johannes Nyholm met Leif Edlund, Peter Belli, Ylva Gallon, 2019, Zweden/Denemarken, Score: 7,5/10

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

6 + 14 =