Chacun Son Cin�ma





100 min. /Frankrijk
/2007

Een hint voor degenen die het aanbelangt: ik weet een ideaal
verjaardagsgeschenk waar je me altijd een plezier mee kunt doen.
Een verjaardagsfilm over mezelf, gemaakt door een hele school aan
cineasten die mij al eeuwen stiekem of openlijk bewonderen, als was
ik de godin Venus, die aan mij alles te danken hebben en met deze
film op hun eigen prikkelende manier mij en vooral de essentie van
mijn bestaan alle eer willen aandoen. Een beetje te hoog gegrepen?
Als je Cannes heet, dan is niets onmogelijk. Na de stad der
geliefden (Paris, je t’aime), heeft nu ook de Franse
koningsdochter der badplaatsen haar eigen ensemblefilm. Op vraag
van de festivaldirecteur Gilles Jacob maakten 35 cineasten ter
gelegenheid van de 60ste verjaardag van het Filmfestival
elk een kortfilmpje van enkele minuten over “ce petit coup au
coeur quand la lumière s’éteint et que le film commence
“. Niet
zozeer een collagefilm over Cannes dus (al zijn de verwijzingen
onvermijdelijk) – ‘Chacun Son Cinéma’ is meer een ode aan het
bioscoopbezoek in het algemeen. Dat ene magische ogenblik waarop de
lichten uitgaan in de zaal, de filmspoelen zachtjes begint te
snorren en de film begint. Zelfs na duizend keer, blijft dat een
heilig, spannend moment en nog elke keer krijg ik de kriebels als
een kind dat voor het eerst een olifant ziet.


Projecten als deze brengen bij elke filmfreak
spontaan het kwijl in de mond: een rollercoaster met maar liefst 33
filmpjes (33, want er zitten twee broersduo’s tussen) voor de prijs
van één ritje. Yummie! Maar zoals bij elke ensemblefilm, zal ook nu
weer elke filmfreak teleurgesteld zijn. Iedereen weet wat er
gebeurt als een hele bende cineasten zonder mekaars werk te hebben
kunnen inkijken of afkijken, een bijdrage levert aan een prent rond
eenzelfde onderwerp: het wordt een soep. Een groentesoep, waarin
weliswaar lekkere hapjes zwemmen, maar waarin ook veel water zit,
dat maar dient als losse opvulling, zonder veel smaak te leveren.
Onvermijdelijk gaan creativiteit en het laveloze gebrek eraan hand
in hand.

Het ‘bioscoopbezoek’ is ruim interpreteerbaar en de filmpjes
liggen dan ook erg uit elkaar. Van Jeanne Moreau die een
doodserieuze monoloog afsteekt tot een tapdansende bij, die een
schoonmaker in een bioscoop op de zenuwen werkt. Onbewust vallen er
toch een paar rode draden te ontwarren in het filmweb en zijn er
enkele terugkerende elementen in geslopen. In de meeste filmpjes
ademen de knusse filmzitjes een hoge dosis nostalgie uit. Veel
regisseurs grijpen terug naar hun eigen herinneringen en geven een
sfeerschepping van de kleine bioscoop uit hun jeugd of dorp. De
regisseurs komen uit zowat alle uithoeken van de wereld en zo
krijgen we meteen ook een idee van de cinemacultuur van hun land.
Sommigen houden het bij een momentopname, tonen zelfs alleen de
zaal, andere steken er een verhaal in: de film gaat stuk, een
koppeltje ligt hartstochtelijk te vrijen, er wordt gebabbeld,
gelachen en veel gehuild. De films die worden gespeeld binnenin de
filmpjes, zijn opvallend vaak oude klassiekers van de grootmeesters
en veel segmenten van ‘Chacun Son Cinéma’ zijn dan ook verdoken
hommages aan de helden van de regisseurs. Grappig is dat de beelden
uit die films niet altijd getoond worden – het geluid is vaak al
genoeg, alsof die klassiekers geen beeldondersteuning meer nodig
hebben. We kunnen ze zó op ons netvlies afdraaien.

Natuurlijk zijn er enkele uitschieters. Uit het lijstje zou
theoretisch gezien Tsai Ming Liang het meest ervaren moeten zijn in
dit kunstje: één van zijn films, ‘Goodbye, Dragon Inn’ is volledig
opgenomen in een cinemazaal en duurt even lang als de film die er
voor het laatst gespeeld wordt. Het is echter Gus Van Sant die er
met kop en schouders bovenuit steekt. Het lijkt of hij de boodschap
het best heeft begrepen. Met “First Kiss” kiest hij voor het summum
van filmbeleving, iets wat we allemaal doodgraag eens zouden willen
doen: het beeld op het scherm is zo haarscherp en aanlokkelijk -een
helderblauwe zee met een mooie griet erin – , dat de jongen in de
zaal zich niet kan bedwingen en in het scherm kruipt. Het is een
filmpje zoals ze allemaal hadden moeten zijn: een klein, maar
bevredigend verhaaltje zonder al te veel blabla, visueel dik in
orde, gefilmd in z’n eigen stijl en met een mooi afgerond geheel.
De meest ontroerende bijdragen komen van Iñárritu (het segment
‘Anna’ over een blind meisje, lang niet de enige blinde in de hele
film trouwens) en van de Dardennebroers. In ‘Dans l’obscurité’
kruipt een diefje op zijn knieën rond in de zaal en hij laat zijn
hand in de handtas van een meisje glijden, net op het moment dat
zij naar haar zakdoek grijpt. (Volgens mijn insiders komt dit wel
degelijk écht voor in de Brusselse cinema’s, dus nooit je handtas
op de grond zetten!) Lars Von Trier en Roman Polanski werken dan
weer op de lachspieren. De Deen rekent af met de critici en de
Franse Pool met de vooroordelen van de kijker.

Drie minuten per filmpje is extreem kort. Het is vaak maar een
voorspel, dat plots stopt, waarna je onbevredigd achterblijft.
Meestal is het wel lang genoeg om de stempel van de cineast er door
te zien schemeren. Wong Kar Wai kaapt weer de prijs weg voor meest
herkenbare stijl (de rode zeteltjes gloeien nog na) en toont op z’n
Wongs waar je je handen moet houden tijdens het bekijken van een
film. Ook weer zoals we alle filmpjes graag hadden gehad:
auteursstukjes met een ademende, levende sfeer erin. Maar soms zijn
drie minuten ook erg lang, Triple H (Hou Hsiao-Hsien) slaagt er
weer in om zelfs in zo’n korte tijd je bijna in slaap te wiegen,
terwijl anderen je vervelen met onnodig gekwetter of zichzelf als
cineast iets te prominent op de voorgrond wringen. Sommige
bijdragen passen gewoon niet in het geheel (Manuel de Oliveira over
twee botsende dikke buiken), zijn blasé (Cimino laat de wansmaak op
u los) en misplaatst (Ken Loach laat zijn personages naar het
voetbal gaan, what the hell?). Maar die zijn het vermelden
niet waard op dit feestje ter ere van de cinema. Welke je
favorieten ook zijn, het zal waarschijnlijk nauw samenhangen met de
regisseurs die je sowieso al volgt.

‘Ieder zijn cinema’ is een dubbelzinnige titel: het zijn
weliswaar 33 staaltjes cinema over cinema, elk gedoopt in het
typische papje van de cineast, over 33 bioscopen die er allemaal
anders uitzien. Maar het doet ook akelig denken aan een mogelijke
toekomst zonder ons favoriete vluchtplekje uit de realiteit. Als de
dvdreleases steeds vroeger blijven komen en het internet een nog
grotere rol gaat spelen in het filmgebeuren, dan zit binnenkort
‘ieder voor zijn eigen cinema thuis’. Dan zit iedereen gezellig
voor zijn beamerke naar de nieuwste releases te kijken en
zouden die knusse zachtrode zetels in onze cinema’s wel eens
carrément leeg kunnen blijven. Het geeft deze samenwerking
iets nostalgisch, waard om te koesteren en Cronenberg maakt dat in
zijn pessimistisch, profetisch filmpje over ‘de laatste cinema op
aarde’ nog eens pijnlijk duidelijk.

Maar laten we de pret niet bederven. ‘Chacun Son Cinéma’ is een
hebbedingetje, al dient het maar als ultieme filmquiz – en dan heb
ik het niet alleen over het raden naar de cineasten bij de
sequenties (de naam verschijnt telkens pas op het einde van het
kortfilmpje). Je kan immers ook een gok doen naar de vele
klassiekers die in de fragmenten te zien of te horen zijn. Het is
mijlenver van een masterpiece, maar we zijn gul vandaag: drie
bollen, omdat het feest is!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zestien − 12 =