The Tears :: Here Come The Tears

Het blijft een onwaarschijnlijk verhaal: de dag nadat Suede zijn laatste concert afwerkte staat Brett Anderson op, pakt de telefoon en geeft voor het eerst in een kleine tien jaar een teken van leven richting gitarist Bernard Butler, die het in 1994 tijdens de opnames van Dog Man Star voor bekeken hield. En dan wordt de bio belachelijk: “ik heb altijd geweten dat dat zou gebeuren”, aldus Butler. Promoblabla terzijde geschoven blijkt Here Come The Tears een plaatje dat in elk geval de hooggespannen verwachtingen aankan.

“Ik heb Brett in al die jaren maar één keer gekruist toen hij uit een taxi stapte en bijna onder mijn wielen dook. Ik kon nog net op tijd remmen”, vertelde Butler onlangs aan het Britse NME. “Ik wed dat hij minstens een fractie van een seconde getwijfeld heeft tussen remmen en me omverrijden”, grinnikt Anderson. “Dat zou de ultieme rockdood zijn, niet? Maar dan was ik natuurlijk wel dood geweest.” Maak ons niet wijs dat alles terug koek en ei is tussen het beste songschrijversduo sinds Morrissey & Marr, maar de alliantie is wel terug in full force. Zij het nu onder de naam The Tears.

Neen, een tweede Dog Man Star is het niet geworden. En afgaande op eerste single en opener “Refugees” had Bernard Butler net zo goed Coming Up kunnen schrijven: dit is de beste glamsong die we hoorden sinds “Trash”, waar deze single overigens wel erg aan herinnert. “Refugees” is nog geen drie minuten triomfantelijke terugkeer en sméékt om de replaytoets.

Alle bekende elementen zijn op hun plaats: de “ah-hoo-hooo’s” aan het begin van “Imperfections”, de typische Andersonmanier om “together” te zingen (langgerekte nadruk op de eerste e) in “Co-Star”, de “lalala’s” in “Lovers” (wat een fijne Motown-drumbeat overigens). Maar ook de Butlerismen ontbreken niet, inclusief wat hij in zijn jaren na Suede leerde. Geen wonder ook: veel van het materiaal hier was oorspronkelijk bedoeld voor een nieuwe McAlmont & Butler-collaboratie. Tot dat telefoontje kwam en de heren eindelijk een pint gingen drinken voor het eerst in negen jaar.

Grote reden dat Butler ooit uit Suede stapte was zijn onvrede met Ed Bullers productie van Dog Man Star. Het mag dan ook geen verbazing wekken dat hij de touwtjes voor Here Come The Tears stevig in handen nam. Het gevolg is een enthousiast “more is more”-geluid, dat helaas niet altijd even goed opgenomen is. Vaak klinken de drums als kartonnen doosjes, zoals in “Brave New Century”. Volgende keer moeten ze er Buller misschien toch maar weer bijhalen?

Des te meer gloriëren zijn gitaarpartijen, maar ook de talloze synthetische strijkers die de songs een behoorlijke grandeur geven. Zo zou “Beautiful Pain” ongetwijfeld een stuk minder perfecte armzwaaier zijn zonder dat breeds uitgemeten arrangement. Wel pijnlijk: de wel erg aan “Rebel Rebel” refererende riff van “Autograph”, een terugblik op de ambiguïteit van het groupiefenomeen.

In de laatste drie nummers krijgt Here Come The Tears dan toch wat de allures van het dramatische Dog Man Star. “The Asylum” is misschien net dat nummer teveel, het afsluitende duo “Apollo 13” en zeker het geweldige “A Love As Strong As Death” doen niet gênant veel onder voor “The Asphalt World” en “Still Life” van die klassieker: het zijn breeds uitgemeten ballads die de tijd krijgen om hun ding te doen.

Geen Dog Man Star, ook geen Coming Up, wel een plaat die de abominabele laatste twee van Suede doet vergeten. Alleen al het feit dat Here Come The Tears na de hooggespannen verwachtingen geen diepe ontgoocheling opwekt wil al veel zeggen. Het verhaal van Anderson en Butler is nog niet gedaan. Al gaat het gerucht dat de vredespijp al lang weer begraven is maar de heren voor het geld nog de tournee afwerken. Dat wil zeggen dat we in elk geval nog rekenen op één triomfantelijke passage op Werchter.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zestien − 7 =