Japan is een land dat gevormd is door zijn kwetsbaarheid, een archipel die met de regelmaat van de klok wordt geteisterd door aardbevingen, tsunami’s en andere natuurrampen. De veertigtal mensen die deze zomer omkwamen ten gevolge van de aardbeving in Kumamoto, staan nog diep gekerfd in het collectieve geheugen.
In deze cultuur van constante dreiging krijgt ‘verlies’ een diepere betekenis, maar ontstaat er ook een unieke drang om vast te houden aan wat overblijft. Het is precies dit spanningsveld tussen verwoesting en herinnering dat curator Julien Frydman centraal stelt in de indrukwekkende tentoonstelling Lost and Found in de Brusselse Fondation A Stichting in Vorst. Aan de hand van hedendaagse Japanse fotografie wordt de toeschouwer meegenomen in een visuele verwerking van trauma, veerkracht en de poëzie van het teruggevondene.

Lost and Found is absoluut geen klassieke overzichtstentoonstelling van de Japanse fotografie, maar een vrij intelligent opgebouwde dialoog tussen ramp en levensdrift, herinnering en vergetelheid, documentairefotografie en pure beeldexperimenten. De titel van de expo is niet zomaar gekozen, maar verwijst naar het gelijknamige project dat de Japanse fotograaf Munemassa Takahashi opzette na de verwoestende zeebeving met een kracht van 9,1 en tsunami nabij Sendai van 2011 en maar liefst vijfentwintigduizend mensen het leven kostte, maar daarover verder meer.
Dat Lost and Found te zien is in de Fondation A Stichting is niet toevallig. Dit museum gehuisvest in de van Vorst, is al veertien jaar één van Belgisch meest toonaangevende kunstinstellingen van openbaar nut die nationaal en internationaal hoog staat aangeschreven vanwege haar scherpe, geëngageerde selectie en kwalitatieve solotentoonstellingen. Het is tevens een platform voor de creatie, kennis en bewaring van het fotografische beeld. Logische locatie dus voor een impactvolle tentoonstelling als Lost and Found.
De tentoonstelling toont hoe de Japanse fotografie voortdurend balanceert tussen herinneren en vergeten, tussen catastrofe en vitaliteit. Van aangetaste familiefoto’s uit het puin van de tsunami tot kleurrijke jongeren in het Tokio van de jaren tachtig: een bijzonder rijke tentoonstelling waarin Japan zich toont als een land dat zijn verleden nooit helemaal achter zich kan laten.
Japan heeft een merkwaardige verhouding met fotografie. Het medium is er niet alleen een instrument om de werkelijkheid vast te leggen, maar ook een manier om met herinnering, verlies, vergankelijkheid en identiteit om te gaan. Dat wordt bijzonder tastbaar in Lost and Found, waar vijftien fotografen worden samengebracht en daarbij bewust verder kijkt dan de klassieke canon van de Japanse fotografie. Opvallend is de prominente aanwezigheid van vrouwelijke fotografen, die in internationale overzichtstentoonstellingen van Japanse fotografie nog altijd te vaak naar de achtergrond verdwijnen.
De tentoonstelling begint meteen met een beeld dat onmogelijk onverschillig laat. De installatie van Munemasa Takahashi bestaat uit een reusachtige verzameling door plastic hoesjes beschermde familiefoto’s die na de aardbeving en de tsunami van maart 2011 uit het puin van Yamamoto in de prefectuur Miyagi werden gerecupereerd. Sommige foto’s zijn door water en modder aangetast, andere zijn deels weggevaagd of vertonen zware sporen van beschadiging. Het zijn geen spectaculaire rampenfoto’s. Integendeel: we zien gewone mensen, gewone momenten, gewone gezichten. Precies daardoor wordt de installatie zo aangrijpend. Takahashi maakt van die kleine privéherinneringen (exact 1.775 stuks), een soort ‘muur van schimmen’. De foto’s zijn tegelijk gevonden én verloren. Ze bestaan nog, maar de wereld waarnaar ze verwijzen is verdwenen. Dat is de paradox waarop de hele tentoonstelling voortbouwt: fotografie kan iets bewaren, maar bewijst tegelijkertijd dat wat gefotografeerd werd niet meer bestaat.
Een van de sterkste lijnen in Lost and Found loopt naar Hiroshima. Kenji Ishiguro fotografeerde Hiroshima twintig jaar na de atoombom, in 1965, maar koos bewust niet voor de voor de hand liggende beelden van verwoesting. Geen gesmolten voorwerpen, verminkte lichamen of spectaculaire ruïnes. Hij keek naar het dagelijkse leven. Dat maakt “Hiroshima 1965” juist zo sterk. Ishiguro probeerde, zoals hij zelf aangaf, die onzichtbare schaduw van de bom te fotograferen die nog altijd boven het gewone stadsleven hing. De vintage zilvergelatine prints zijn daardoor veel subtieler dan een klassieke documentaire over Hiroshima. De catastrofe bevindt zich niet noodzakelijk in het beeld, maar tussen de dingen, in de vreemde spanning van een stad die opnieuw normaal lijkt en tegelijk een onuitwisbaar trauma met zich meedraagt. Zijn aanpak – geen getuigenis of beschuldiging, maar stille aandacht – onderscheidt zich van alle andere fotografische pogingen met betrekking tot Hiroshima. Dat is ook een belangrijk kenmerk van de Japanse naoorlogse fotografie: de werkelijkheid hoeft niet letterlijk te verklaren wat er gebeurd is. Soms zegt een lege plek, een lichaamshouding, een alledaags interieur of een ogenschijnlijk banaal straatbeeld meer dan een expliciet dramatisch beeld.
Bij Miyako Ishiuchi krijgt Hiroshima vervolgens een totaal andere dimensie. In haar bekende ひろしま/hiroshima-reeks op uitnodiging van het Hiroshima Peace Memorial Museum fotografeert ze persoonlijke bezittingen van slachtoffers van de atoombom: jurken, schoenen, handschoenen, horloges en andere voorwerpen die de lichamen van hun eigenaars hebben overleefd. De camera registreert geen vernietiging, maar de sporen van een afwezige mens. Dat verschil is essentieel. Een foto van een verwoeste stad vertelt ons wat er gebeurde; een gefotografeerd kledingstuk laat ons nadenken over wie er ooit in dat kledingstuk heeft gezeten. Een beeld van een afgedragen sepiakleurige jas uit Ishiuchi’s Hiroshima-reeks is daar een prachtig voorbeeld van. De jas ligt bijna als een stille sculptuur op een lichtbak. Tegen een neutrale achtergrond en een verlichte achtergrondlijkt het kledingstuk te zweven in een bijna spookachtige immaterialiteit. Haar chromogene afdrukken vertonen niet de minste vorm van pathos en werken juist door afstand: het is de formele schoonheid van de materialen en hun nog levendige kleur, die het door de atoombom overlijden van de drager, intolerabel maakt. Ishiuchi is geen fotografe van getuigenissen, maar van de tijd die in de dingen achterblijft, nadat de lichamen zijn verdwenen. Het zijn geen sensationele C-prints, maar juist daardoor wordt het intiemer. De afwezigheid van de eigenaar wordt het eigenlijke onderwerp.
Tussen Hiroshima, de door de aardbeving in de kosmopolitische en belangrijke havenstad Kobe in 1995 ernstig verwoest en Fukushima door, duikt plots een totaal andere Japanse werkelijkheid op: het Tokio van de jaren zeventig en tachtig, met zijn jeugdsubculturen, uitbundige kleuren, massale festivals en experimentele beeldtaal. Daardoor ontstaat een noodzakelijke tegenstem. Het Japan dat door aardbevingen, tsunami’s en oorlogstrauma’s wordt getekend, is tegelijkertijd een land van energie, mode, experiment en voortdurende vernieuwing. Dat voel je bijvoorbeeld sterk in de foto’s van Noriko Shibuya – zij is aangesloten bij de gereputeerde galerie CAMP en bekend van haar bijdrage aan filmprojecten waarbij ze onder meer Kitano fotografeerde – die tussen 1979 en 1982 de zogenaamde Takenoko-zoku (letterlijk: bamboespruiten-clan) fotografeerde: hippe jongeren die op zondag samenkwamen in de trendy wijk Harajuku, gekleed in opvallende, felle en vaak flamboyante outfits en dansten in de openbare ruimte op luide discomuziek. Shibuya registreert niet alleen de toen opkomende jeugdcultuur, maar een generatie die zich letterlijk een eigen beeld en identiteit aanmeet.
Nog verrassender is het werk van Satomi Nihongi, die in Long Hair Inverted (1979) jonge mensen in Tokio fotografeerde met lang haar wat resulteerde in een serie afwisselend in positieve en negatieve afdrukken. De reeks uit de jaren zeventig werd onlangs opnieuw onder de aandacht gebracht en is een schitterend voorbeeld van hoe ogenschijnlijk banaal materiaal een tijdsdocument kan worden. Nihongi maakt van haarmodellen bijna antropologische specimens. Gezichten, kapsels en houdingen worden herhaald, gespiegeld en omgekeerd, waardoor een soort visueel archief ontstaat van een generatie die zich via haar uiterlijk afzette tegen de gevestigde normen. Het haar wordt daardoor meer dan mode. Het wordt identiteit, rebellie en groepsvorming. Bovendien zit er een typisch Japanse fascinatie voor ordening en herhaling in de presentatie: het individuele portret wordt onderdeel van een groter raster. Eén jongere is een persoon; tientallen jongeren worden een generatie.
Een van de meest poëtische momenten komt van Asako Narahashi. In haar reeks half awake, half asleep in the water fotografeert ze met haar waterdichte Nikonos 35-mm-camera vanaf het wateroppervlak. Zee en lucht lopen in elkaar over. Horizonlijnen verdwijnen en landschappen lijken te kantelen. Soms verschijnt in de verte de contour van de Fuji, terwijl het grootste deel van het beeld uit water bestaat. Het resultaat is merkwaardig hypnotiserend. Narahashi fotografeert het landschap niet langer vanaf een veilige positie. Ze bevindt zich er letterlijk in. De camera wordt half ondergedompeld en registreert een werkelijkheid die voortdurend beweegt. Het is een prachtig beeld voor de tentoonstelling als geheel. Want ook hier is niets stabiel: land wordt water, herinnering wordt heden, document wordt kunstwerk, werkelijkheid wordt droom.
Bijzonder interessant is zeker de aanwezigheid van de beroemde en provocerende fotograaf Araki Nobuyoshi in deze expositie. Hier niet met zijn befaamde en controversiële foto’s die balanceren tussen high art en pornografie met de focus doorgaans op de kunst van Kinbaku (Japanse bondage). Hier word je geconfronteerd met Araki’s eerder niet zo gekende reeks Tin Ashes uit 2008. Araki toont een aantal platgetrapte frisdrankblikjes die hij in de straten van Tokio vond. Opvallend is dat de foto’s dateren uit de vroege jaren zeventig, terwijl de reeks als bijzondere, gelimiteerde editie pas in 2008 werd uitgegeven in zes zwart-wit zilvergelatineprints. Het mooie zit in die vreemde transformatie: wegwerpafval wordt een stilleven. De blikjes verwijzen tegelijk naar de consumptiemaatschappij – denk aan Warhol en de New Realists en naar vergankelijkheid. De schrijver Michel Bulteau zag in de verfrommelde blikjes zelfs een soort urne voor as en botten. Vandaar de titel Tin Ashes. En precies daardoor past het werk verrassend goed in Lost and Found omdat verlies, herinnering en het terugvinden van betekenis in dingen die dreigen te verdwijnen, centraal staan. Araki doet eigenlijk hetzelfde op kleine schaal: hij neemt iets dat letterlijk weggegooid is en maakt er een blijvend beeld van.

Ook de foto’s van Tatsuki Sugimoto van het Nebuta-festival in Aomori passen mooi binnen dat verhaal. De gigantische, spectaculair verlichte praalwagens en de massa’s toeschouwers leveren een bijna hallucinerend kleuren- en lichtspel op. Het individu verdwijnt er in een collectieve roes. Dat staat opnieuw haaks op de kleine, intieme familiefoto’s van Takahashi.
En precies daarin zit de intelligentie van de selectie van curator Julien Frydman, oprichter en directeur van OFFSCREEN Paris en verantwoordelijk voor een groot aantal edities van Paris Photo in het Grand Palais in Parijs en ex-directeur van Magnum Photos. In Lost and Found probeert hij niet één definitie van ‘Japanse fotografie’ te geven. In zijn expo laat hij de bezoeker juist zien dat die fotografie voortdurend tussen uitersten beweegt: tussen het persoonlijke en het collectieve, tussen herinnering en vergetelheid, tussen werkelijkheid en fantasie, tussen verstilling en explosie.
Lost and Found is uiteindelijk minder een tentoonstelling over rampen dan over wat fotografie met tijd kan doen. Een beschadigde familiefoto uit het puin, een jasje van een Hiroshima-slachtoffer, een extravagant geklede jongere in Harajuku of een landschap dat half in het water verdwijnt: telkens gaat het om beelden die iets vastleggen wat tegelijk aan het verdwijnen is. Dat maakt de tentoonstelling bijzonder actueel. In een tijd waarin we dagelijks duizenden foto’s maken en beelden sneller verdwijnen dan ooit, stelt Lost and Found een eenvoudige maar fundamentele vraag: wat blijft er van een beeld over wanneer de wereld die het afbeeldt verdwenen is? De beste foto’s in de tentoonstelling geven daarop geen antwoord. Ze maken de vraag alleen maar sterker.
Lost and Found loopt tot 20 december 2026.
Lost and Found, Fondation A Stichting, Van Volxemlaan 304 in Vorst. Van donderdag tot en met zondag van 13 tot 18 uur. Meer info via de website van Fondation A Stichting.



