Philip Aguirre y Otegui :: KMSKA – Antwerpen

Luk Lemmens en Carmen Willems, respectievelijk voorzitter en algemene directrice van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen (KMSKA), onderstrepen nadrukkelijk dat in het majestueuze museum dit jaar de beeldhouwkunst in de kijker staat. Tussen de tentoonstellingen van de Britse Sir Antony Gormley en Ossip Zadkine, de Franse kunstenaar van Wit-Russische komaf van wie later dit najaar een retrospectieve staat gepland, focust men zich vanaf zaterdag 3 oktober 2026 op het pakkende oeuvre van de 65-jarige Antwerpse beeldhouwer Philip Aguirre y Otegui, een neef van journaliste Phara de Aguirre en de zoon van Juan Martin Aguirre die in 1936 als kind vluchtte uit Baskenland en zich vestigde in de regio Antwerpen.

foto: KMSKA – Antwerpen

Er zijn kunstenaars die de werkelijkheid willen verklaren en kunstenaars die haar vooral anders willen laten bekijken. Philip Aguirre y Otegui behoort duidelijk tot die tweede categorie. Een sculptuur kan een monument zijn, een schuilplaats, een aanklacht of gewoon een lichaam dat zwijgend in een ruimte staat. Bij Philip Aguirre y Otegui is ze dat het liefst allemaal tegelijk. Zijn sculpturen gaan over migratie, macht, ongelijkheid, oorlog, water, beschutting en menselijke kwetsbaarheid, maar zelden gedragen ze zich als geïllustreerde stellingen. Aguirre vertrouwt op de kracht van het beeld, op materiaal, schaal en ruimte. Precies daarin schuilt de eigenheid van zijn werk.

In het KMSKA krijgt die veelzijdigheid voor het eerst op grote schaal de ruimte. Meer dan veertig jaar kunstenaarschap – zo’n 150 kunstwerken – worden er over de zalen niet zozeer netjes samengevat als wel opnieuw tegen elkaar uitgespeeld: monumentale beelden staan er naast kwetsbare terracotta’s, klassieke motieven botsen op hedendaagse conflicten en schoonheid blijkt er allerminst een vlucht uit de werkelijkheid. Eerder een manier om haar langer en aandachtiger in de ogen te kijken.

Dat is de fundamentele kracht van Philip Aguirre y Otegui, de grootste tentoonstelling die tot dusver aan de in Schoten geboren kunstenaar is gewijd en net op het moment dat zijn werk eveneens is te zien op de Kunstbiënnale in Venetië. Met sculpturen, tekeningen en grafiek, van werk uit begin jaren tachtig tot de meest recente creaties, ontvouwt het KMSKA een oeuvre waarin de menselijke figuur, het lichaam, water, migratie, macht, beschutting en kwetsbaarheid steeds opnieuw andere gedaanten aannemen. Deze solotentoonstelling is chronologisch opgebouwd, maar laat zich gelukkig niet als een lineaire kunstenaarsbiografie lezen. De werken zijn in thematische verbanden geplaatst en door de ruimtelijke opstelling ontstaan voortdurend nieuwe doorkijkjes en onverwachte confrontaties.

Dat werkt. Aguirre’s beelden hebben ruimte nodig en krijgen die hier ook. De zalen functioneren minder als neutrale vitrines dan als een soort beeldentuin waarin de bezoeker heen en weer wordt geleid. Daardoor wordt zichtbaar hoezeer deze kunstenaar niet alleen beelden maakt, maar ook nadenkt over de plek waar een beeld terechtkomt. Een sculptuur is bij Aguirre nooit uitsluitend een object op een sokkel. Ze heeft een verhouding tot de architectuur, tot het lichaam van de toeschouwer en tot de wereld daarbuiten. Dat blijkt al bij het betreden van dit overzicht want in de grote pre-hal kijkt de bezoeker zich beslist de ogen uit.

Op een groot wit vlak word je geconfronteerd met een aantal heel diverse, maar indrukwekkende kunstwerken zoals “De Handdruk” (politici hebben een deal, maar tijdens hun handdruk kijken ze liever naar de camera’s dan in elkaars ogen) en het anti-monument “Fallen Dictator” (een statig standbeeld van de omstreden Belgische koning Leopold II dat ter hoogte van de enkels is doorgezaagd waardoor de leider machteloos en horizontaal op de grond achter zijn sokkel ligt), geëtaleerd tegenover een uitvergrote foto van “Théatre Source,” een beeld van een van de armste wijken van de stad Douala in Kameroen. “Théatre Source” dateert uit 2013 en is een van de meest geprezen en impactvolle projecten van Aguirre omdat hij met dit monumentaal, architecturaal en functioneel kunstwerk een modderige, vervuilde waterbron omtoverde tot een intensief gebruikte propere, betonnen was-, drink- en ontmoetingsplaats in amfitheater-vorm. Aguirre won voor dit human project in 2017 de prestigieuze International Award for Public Art. Een indrukwekkender entree kan je je als KMSKA-bezoeker moeilijk voorstellen.

De metafoor van het museum als schuilplaats loopt bovendien als een onderstroom door de tentoonstelling. Het KMSKA wordt een tijdelijke beschutting tegen een wereld die steeds moeilijker te bevatten lijkt. Maar Aguirre gebruikt die beschutting niet om de werkelijkheid buiten te sluiten. Integendeel. Vanuit de relatieve rust van het museum laat hij oorlog, migratie, ongelijkheid en machtsverhoudingen juist des te scherper binnenkomen. Curator Annelien De Troij omschrijft het als een zoektocht naar de verhouding tussen het verlangen naar een privaat paradijs en een ontspoorde wereld. Dat spanningsveld is inderdaad een van de interessantste sleutels tot het oeuvre.

Aguirre is daarbij een kunstenaar die schoonheid nooit als verdacht beschouwt. Dat onderscheidt hem van een aanzienlijk deel van de hedendaagse kunst, waarin maatschappelijke urgentie soms bijna automatisch gepaard gaat met een afwijzing van esthetisch genot. Bij Aguirre kunnen schoonheid en engagement echter naast elkaar bestaan. Hij wil geen pamflet maken. Hij wil dat een beeld eerst als beeld werkt en pas daarna zijn betekenissen prijsgeeft. Dat wordt bijvoorbeeld duidelijk in zijn gebruik van klassieke beeldmotieven. Een triomfboog krijgt bij hem niet de vanzelfsprekende grandeur van een monument van overwinning, maar verandert in iets broos en poëtisch. Ook de klassieke kariatide wordt door hem van haar traditionele functie ontdaan: ze draagt niet langer een architectuur, maar een gewonde mens. Het zijn ingrepen die op het eerste gezicht eenvoudig lijken, maar precies daardoor effectief zijn. Aguirre neemt een vertrouwd beeld uit de geschiedenis van de sculptuur en verschuift de betekenis ervan. De traditie blijft herkenbaar, maar haar vanzelfsprekendheid verdwijnt.

Daarmee sluit Aguirre aan bij een lange geschiedenis van kunstenaars die de klassieke beeldtaal gebruiken om naar hun eigen tijd te kijken. Van Bruegel en Goya tot Rodin en Zadkine loopt een belangstelling voor het menselijk lichaam als drager van maatschappelijke en morele betekenissen. Vooral met Zadkine is een verwantschap voelbaar: ook bij hem is de menselijke figuur geen neutraal academisch onderwerp, maar een middel om een wereld van oorlog, ontwrichting en verlies te verbeelden.

Toch blijft Aguirre nadrukkelijk Aguirre. Hij heeft weinig belangstelling voor het heroïsche lichaam. Zijn mensen zijn kwetsbaar, belast, zoekend of letterlijk uit evenwicht. Dat maakt zijn sculpturen menselijk zonder dat ze sentimenteel hoeven te worden. In “Algeciras Acoge” (2009) vertaalt Aguirre een krantenfoto van een aangespoelde vluchteling naar een bronzen beeld van twee anonieme figuren. Een politieagent die zijn jas over het verkleumde lichaam van een vluchteling legt, wordt bij hem een tijdloos gebaar van bescherming en troost. Zelfs de plooien van de deken krijgen een sculpturale betekenis: ze verbinden de journalistieke actualiteit met de eeuwenoude traditie van draperie in de beeldhouwkunst. Nog een opvallend overtuigend voorbeeld is beslist “Matrasdrager.” De klassieke, bijna monumentale gestalte draagt geen lauwerkrans, wapen of overwinningssymbool, maar een matras: een banaal en tegelijk zwaarbeladen voorwerp. Het beeld brengt verheven sculpturale traditie en alledaagse werkelijkheid bij elkaar. Een matras is een plaats van rust en intimiteit, maar ook iets wat iemand kan meenemen wanneer hij geen vaste plek meer heeft. In één beweging raakt Aguirre zo aan huiselijkheid, ontheemding en menselijke waardigheid.

Dat vermogen om het grote via het kleine te benaderen, is kenmerkend voor zijn beeldtaal. Aguirre hoeft geen spectaculaire oorlogstaferelen te construeren om over conflict te spreken. In de recente terracotta-tabletten – als drager van verhalen, communicatie en geheugen – uit de serie Courtyard and the Street met onder meer Gaza uit 2025, kiest hij juist voor een klein en kwetsbaar medium. De beelden zijn niet de zoveelste directe voorstelling van oorlogsgeweld. Hun terughoudendheid maakt ze indringender. De keuze voor terracotta is bovendien betekenisvol. Klei behoort tot de oudste materialen waarmee mensen verhalen, herinneringen en gebeurtenissen hebben vastgelegd. Aguirre gebruikt dat archaïsche medium om naar een hypermoderne werkelijkheid te kijken. In een tijd waarin artificiële intelligentie op commando eindeloze beelden kan produceren, staat hier opnieuw een kunstenaar met zijn handen in de klei. De traagheid van het materiaal wordt daardoor bijna een statement op zichzelf.

Ook zijn gebruik van afgedankte olievaten past binnen die logica. Het vat is industrieel, functioneel en alledaags, maar wordt in Aguirre’s handen sculpturaal materiaal. De vorm is aantrekkelijk op zichzelf, maar de associaties met olie, grondstoffen, consumptie en de economische verhouding tussen het Westen en Afrika maken het object tegelijk politiek. Aguirre hoeft er geen uitleg naast te plaatsen: het materiaal draagt zijn geschiedenis mee. Een speels doch heel gelaagd kunstwerk hiervan is het kleurrijk winkeltje dat hij maakte van olievaten en een centrale plaats inneemt in de tentoonstelling. Die belangstelling voor Afrika is niet toevallig. Al tijdens zijn opleiding raakte Aguirre gefascineerd door niet-Europese kunst en later reisde hij naar Senegal, waar hij kunstenaarsworkshops begeleidde. De creativiteit waarmee mensen er met beperkte middelen hun leefomgeving vormgeven, bleef hem bij. Het winkeltje dat hij uit olievaten reconstrueerde, is daarvan een concreet voorbeeld. Afval wordt architectuur; een industrieel object wordt een menselijke ruimte. De sculptuur is daardoor tegelijk materieel, sociaal en economisch leesbaar.

Water vormt een andere constante in Aguirre’s oeuvre. Het is bij hem nooit uitsluitend een formeel motief. Water betekent leven, maar ook ongelijkheid: wie over water beschikt, wie er toegang toe heeft en wie ervoor moet reizen. In het reeds geciteerde “Théâtre Source” in Douala wordt die gedachte letterlijk architectuur. Kunst bevindt zich daar dus niet langer tegenover de samenleving, maar er middenin. Het kunstwerk wordt een plaats waar iets gebeurt.

Dat verklaart ook waarom de publieke ruimte zo belangrijk is in zijn oeuvre. Aguirre lijkt het museum nooit als eindbestemming van kunst te hebben beschouwd. Zijn sculpturen kunnen zich buiten even goed – en soms beter – verhouden tot mensen, architectuur en maatschappelijke omstandigheden. Dat is precies de meest interessante eigenschap van Aguirre’s kunst: ze laat zich niet volledig vastpinnen. Een werk begint bij de kunstenaar, maar wordt verder gevormd door zijn omgeving en door de blik van degene die ervoor staat en dat geldt bij uitstek en concreet voor de reeds aangehaalde sculptuur Fallen Dictator waar macht niet wordt vereeuwigd, maar ontmanteld.

Toch ligt hier ook de kritische grens van zijn kunstenaarschap. Aguirre’s humanisme is overtuigend wanneer vorm en inhoud elkaar versterken, maar minder wanneer het beeld te gemakkelijk samenvalt met de boodschap die het uitdraagt. Geëngageerde kunst loopt altijd het risico dat ze de complexiteit van de werkelijkheid reduceert tot een herkenbare morele positie. De beste werken in deze tentoonstelling ontsnappen daaraan omdat ze niet alleen iets zeggen, maar ook iets doen: ze wegen, staan, vallen, dragen, schuilen, blokkeren of veranderen de ruimte.

Dat onderscheid is belangrijk. Wie Aguirre uitsluitend als sociaal geëngageerde kunstenaar bekijkt, doet hem eigenlijk tekort. Zijn oeuvre gaat minstens evenzeer over massa en leegte, tactiliteit, zwaartekracht, schaal en de geschiedenis van de sculptuur. Hij is een kunstenaar die werkelijk in materiaal denkt. Brons, hout, terracotta, plaaster, textiel en papier zijn bij hem geen neutrale dragers, maar medespelers in de betekenis van een werk.

Daarom is het ook goed dat het KMSKA niet alleen zijn grote publieke sculpturen toont. De kleinere beelden en werken op papier brengen een andere Aguirre naar voren: intiemer, geconcentreerder en soms kwetsbaarder. De schaalwisseling verplicht de bezoeker om anders te kijken. Waar een monumentaal beeld zich bijna architecturaal aan je opdringt, vragen de kleinere werken om toenadering. Pas tussen beide ontstaat een vollediger beeld van de kunstenaar. Ook het sculptuurtje met als titel “Petit Monument” uit 2010, een fijngevoelig, poëtisch bronzen beeld dat een sacrale connotatie heeft, is te zien op de expo. Aguirre vertelt met trots dat dit kleine artefact momenteel wordt gegoten tot een acht meter hoge sculptuur dat door het KMSKA is aangekocht en later dit jaar zal worden ingehuldigd op een permanente plaats voor het museum.

Het KMSKA heeft daarmee een tentoonstelling gemaakt die meer wil zijn dan een carrièreoverzicht. Ze confronteert een kunstenaar die sterk uit de klassieke beeldhouwkunst put met een museum dat zelf een geschiedenis van schoonheid en canonvorming vertegenwoordigt. Dat maakt de tentoonstelling uiteindelijk ook tot een reflectie over de vraag wat sculptuur vandaag nog kan betekenen.

Aguirre’s antwoord is opmerkelijk ouderwets en daardoor misschien juist actueel: hij blijft geloven in het beeld, in het materiaal en in de mogelijkheid dat schoonheid iets bij een mens kan veranderen. Niet de wereld en zeker niet onmiddellijk. Maar wel de manier waarop iemand kijkt. “Kunst gaat de wereld niet redden maar kan wel een individu ontroeren, aan het denken zetten of blij maken”, zegt Aguirre. Het is een bescheiden uitspraak, zeker voor een kunstenaar die zich bezighoudt met oorlog, migratie, macht en ongelijkheid. Maar ook een ambitieuze. Want wie werkelijk gelooft dat een beeld iemand kan laten stilstaan, kijken en nadenken, gelooft uiteindelijk nog altijd in de maatschappelijke kracht van kunst. En precies daar wordt de tentoonstelling het sterkst: wanneer de sculptuur ophoudt een illustratie van een idee te zijn en opnieuw gewoon – maar zeker nooit zomaar – een lichaam in de ruimte wordt. Een mens die draagt. Een mens die valt. Een mens die schuilt. Een mens die water zoekt. Een mens die overeind probeert te blijven. Aguirre maakt van die menselijke conditie geen heroïsch monument. Hij maakt er ruimte voor en moet door een mens die houdt van beeldhouwkunst, zeker worden bekeken.

Philip Aguirre y Otegui loopt van 3 oktober 2026 tot 17 januari 2027.

De tentoonstelling is te zien in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen (KMSKA), Leopold De Waelplaats, 1 te 2000 Antwerpen. Alle dagen open van 10 tot 17u (op zaterdag en zondag van 10 tot 18u). Alle info via de website van het KMSKA.

recent

Midas Dekkers :: Het Menselijk Tekort

Niet minder dan vijftig boeken heeft de intussen tachtigjarige...

Mémoire de Fille

Mémoire de Fille is een boek dat door schrijfster...

25 jaar enola :: hoe het begon

Vijfentwintig jaar geleden staken een paar idioten de koppen...

Digger

Er viel de laatste weken niet te ontsnappen aan...

500 Miles

Neen, de film 500 Miles van Morgan Matthews heeft...

verwant

Het is zondag op zee! :: Venetiaanse Gaanderijen, Oostende

Wat is er toch met de zee dat ze...

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in