Neen, de film 500 Miles van Morgan Matthews heeft niks te maken met de gelijknamige hit van The Proclaimers, helaas, kan je alleen maar zeggen want dat zou tenminste een beetje animo brengen in wat een saaie en vooral vreselijk oninteressante variant is op de coming-of-age film waarvan de banaliteit al samengevat zit in de eerste minuten: in voice-over vertelt een van de jonge protagonisten over zijn jeugd, en terwijl hij mijmert over vervlogen gelukzalige dagen en hoe hij dacht dat het altijd zo zou blijven, zien we het zeewater een strandkasteel wegspoelen ⦠subtiel is anders en de scène zet meteen de toon voor het Pavlov-experiment in goedkope nostalgie dat ons te wachten staat.
Temidden van een nakende scheiding en familiale problemen die ons met mondjesmaat worden duidelijk gemaakt in flashbacks, besluit de verteller uit de proloog ā jonge tiener Finn ā samen met zijn broertje weg te lopen van zijn huis in Sheffield om bijna zonder geld een tocht te ondernemen naar de grootvader waar hij een sterke band mee heeft, in de hoop dat die kan verhinderen dat de beide broer zouden gescheiden worden wanneer de ouders uiteengaan.
Een paar weken geleden plaatste ik op sociale media een bedenkingen over een fantastisch shot uit ShĆ“hei Imamuraās Intentions of Murder, waarbij ik me meteen ook beklaagde over het feit dat ik als filmcriticus week na week te veel films zie die louter slecht geĆÆllustreerde tekst zijn en niks te maken hebben met de picturale essentie van cinema. 500 Miles is een voorbeeld van het soort film dat ik daarbij in gedachten had. De beelden hier dienen immers alleen maar om de voorgekauwde nostalgie van prentjes te voorzien en hebben geen enkele visuele waarde: grijs-blauwige digitale fotografie zonder de minste inspiratie – het wordt dringend tijd dat de Europese alternatieve cinema eens een ander kleurpalet ondekt – op tijd en stond afgewisseld met een stemmig muziekje en even stemmig beeldje van het bewolkte uitspansel of de zee (auteur Mark Lowery op wiens boek Charlie and Me: 421 Miles from Home de film gebaseerd is, haalde inspiratie uit een toevallige droom over twee jongens die naar een dolfijn kijken, vandaar dus). Die poĆ«tisch bedoelde intermezzi zijn er uiteraard om ons te doen nadenken over wat echt telt in het leven of zoiets, maar het zijn dermate
afgezaagde clichĆ©s dat ze enkel ergernis oproepen en dat is inclusief een plotse wending die we van mijlenver zien aankomen en een misselijkmakend slechte finale waarin slow motion nog maar eens enthousiast misbruikt wordt. Dit is een film die dermate braafjes binnen de lijntjes kleurt dat je hem zou kunnen inwisselen met eender welk recent gelijkaardig sentimenteel drama over familiale problemen en eigenlijk nauwelijks het verschil zou merken, of het zou moeten zijn in de nadrukkelijke pogingen om toch maar genoeg Ierse ācouleur localeā toe te voegen.



