Als de Ieren hun dag kregen, dan de Engelsen ook. Dat moet zowat het idee op de immer verzoening predikende Lokerse Feesten zijn geweest. Een ratjetoe artiesten met een headliner voorbij zijn piek, leverde een wisselvallige avond op.
Tien jaar is het al sinds Anna Calvi haar derde en laatste album uitbracht, maar eigenlijk grijpt ze voor haar optredens nog verder terug: naar 2011, het jaar waarin ze met haar titelloze debuut haar geluid definieerde. Nog steeds is het de woestijngitaar van instrumental “Rider To The Sea”, van die plaat, waarmee de ongenaakbare gitaargodin de aandacht pakt, is toenmalige single “Desire” het enige moment dat je hier meer hoort dan die persoonlijke sound.
Want dat is het al te vaak bij deze geboren Londense. Ze laat horen dat ze een machtig stukje gitaar kan spelen, trekt na die zangloze opener haar imposante strot open, en dreint dan met een toetsenist en drummer wat weg. Dat die laatste in deze temperatuur in een coltrui speelt, getuigt van veel toewijding, maar maakt ook het plaatje helder: misschien toch iets te artistiekerig voor deze omstandigheden.
Calvi speelt over de hoofden van het publiek hier, en dat kun je voor een keer niet de Lokerenaars aanwrijven. Wat de gitariste hier brengt, volstaat doorgaans niet. Interessante Gary Glitterbeat die we daar in “God’s Lonely Man” krijgen, maar het nummer zelf loopt verloren in zijn eigen warrigheid. “Suzanne & I” klinkt ook bijlange zo bevlogen niet als op plaat, “Don’t Beat The Girl Out Of My Boy” melkt ze zo uit dat de intensiteit van het origineel verloren gaat. Gelukkig heeft “Hunter” nog een gloedvolle synth, en klinkt “Desire” wel zoals het moet; als een Song met hoofdletter S. De set zit er dan echter al bijna op. Nog een vreemde, richtingloze Suicide-cover met “Ghost Rider” en weg is ze – een kwartier vroeger dan voorzien.

Je kunt dan hopen dat Suede er iets vroeger aan begint – kunnen er nog een paar knallers meer van af – maar dat gebeurt nu ook weer niet. Het vijftal rond Brett Anderson vliegt er stipt om tien in met het dubbele meppertje “Disintegrate” en “Trash”. Je weet meteen hoe diep de oude Britpopband dezer jaren zijn handen in de modder van de punk heeft gestoken; het is opkomen met het mes tussen de tanden, spelen zonder gijzelaars te nemen. Als je als derde op de setlist “Animal Nitrate” kunt zetten, dan spelt dat zelfvertrouwen: zelfs na je grootste hit, is er nog genoeg te vinden. Een vinnig bijtend “Personality Disorder”, van het vorig jaar in september verschenen Antidepressants, bijvoorbeeld.
Toch voel je soms het wegen van de jaren. Anderson is vandaag niet perfect bij stem, moet de hoge noten soms aan het publiek overlaten. Het geeft niet – bevordert de publieksparticipatie enkel maar – want de boomlange Brit toont zich nog altijd de perfecte frontman, gaat langoureus op de grond hangen om “The 2 Of Us” liggend in te zetten met een stuk gesproken poëzie. De band brengt de ballad naar een nieuw en bloedmooi, volmondig meegezongen einde.
Je merkt dat Anderson dat soort rustpunten nodig heeft, en dus is het na het blokje glamrock – die T-Rex-riff van “Filmstar”, die stomp van “Can’t Get Enough”! – alweer aan het ingetogen “June Rain”, de trage klapper van die laatste plaat. Doodgemoedereerd pikt de zanger tijdens de lange intro zijn waterflesje op, kuiert hij de trap naar de frontstage af. En daar, en pas daar, begint hij te zingen, zijn arm om willekeurige freules gooiend. Soms zijn die van zekere leeftijd, en dat brengt hem als vanzelf bij “She Still Leads Me On”, een nummer over zijn vroeg gestorven moeder, dat wordt opgedragen aan alle mama’s. Wanneer hij wat later in een met gitarist Richard Oakes akoestisch gebracht “Wild Ones” een kort stukje onversterkt over de Kaai galmt, hoor je dat het toch nog niet zo dramatisch gesteld is met die stem; wat een zanger.

En wat een belachelijke efficiënte band. Oakes, bassist Matt Osman, drummer Simon Gilbert en toetsenist-gitarist Neil Codling zijn het al lang gewend zich dragend op te stellen tegenover de flamboyante frontman, en kwijten zich met brille van die taak. Wie in de finale hits mag knallen als “So Young” of “Metal Mickey” hoeft niet te shinen; dat doen die songs wel. Nog eentje dus maar? Natuurlijk. Wie beseft dat nog vijf minuten resten, weet wat nog ontbreekt: een “Beautiful Ones” dat met zijn onnozele lala’s de boel naar een kookpunt brengt. “Hoe heb ik deze groep destijds gemist?”, vraagt een vrouw naast me verbaasd, en zo is het. Terwijl iedereen elders bezig was, vond Suede een tweede jeugd, en zorgde het misschien wel voor de grootste verrassing van deze Lokerse Feesten.
Op papier heeft Editors daarna maar binnen te koppen. Het vijftal – neen zestal, zo blijkt aan die extra conga op het podium – heeft minstens evenveel loeiers van hits onder de arm als zijn voorprogramma, en in ons land een devoot publiek dat hen altijd een open doekje geeft. En toch wil dit tweede van drie Belgische try-outconcerten voor in oktober achtste album Surface, Echo & Sound uitkomt nooit echt ontbranden.
Daarvoor is “Racing Rats” misschien een te tamme opener, voelt “Munich” te veel als een verplicht nummertje, en nieuwe single “Call It In” als gerateerde eightiesfluff waarop het goed epauletten schudden is. Pas met het donkere “Sugar” voel je onder alle klank- en lichtspel – wat een fortuin aan lampen staat hier! – ook een soort van hart kloppen. Later zal bij een slepend en traag “No Harm” blijken dat dit soort sfeerschepping eigenlijk is wat Editors het beste doet, waarin de band het interessantst is. Of wanneer hij zijn formule resoluut omgooit, en een brute knoppentovenaar als Blanck Mass mee de studio insleurt. “Karma Climb” en “Heart Attack”, de twee nummers die van EBM, die samenwerking in kwestie, worden bovengehaald, behoren tot het beste wat we vanavond te horen krijgen.
De nieuwe nummers die tussendoor worden gelost, doen niet het beste vermoeden voor Surface, Echo & Sound. “Rescue” is een moeilijk moment, waarbij je afvraagt of dit nog Editors is, en wordt in zijn laatste rondes met veel trekken, sleuren en hey nanana’s anthemterrein opgetrokken, waar het vervolgens ongemakkelijk staat te schutteren. En ook “The Rush” blijkt niet meer dan een slecht huppelend niemendalletje.
“Hopelijk hebben jullie je geamuseerd met onze trieste liedjes”, grijnst Tom Smith, en dat is de vinger op de wonde. Heeft hij zich hier wel geamuseerd? Nooit kreeg je het gevoel dat de heren hier echt wilden zijn, hier meer dan uit routine stonden te spelen. Ook de bloedeloze versie van “The Weight” waarmee de set vermoeid naar zijn einde kruipt, kan dat onbehagen oplossen, laat staan de bisronde waarin natuurlijk “No Sound But The Wind” moet, maar ook “All The Kings” passeert, in een flink verbouwde, vreemde akoestisch-elektronische versie. Werkt niet, mist alle staccato pret van het origineel; onvergeeflijk.
Het einde is aan “Papillon”, omdat het einde altijd aan “Papillon” is, en Editor-fans zich anders radeloos verloren zouden voelen. Op de Grote Kaai hangt dan plots toch wat euforie, maar je vraagt je af waarvoor. Voor een afgeleefde, voormalige headline-act die er al lang geen zin meer in lijkt te hebben?




Ik zat blijkbaar op een ander optreden van Editors… De groep gaf zich volledig, Tom Smith was in extatische doen en zelfs helemaal achteraan (omdat we niet dichterbij geraakten) was het sfeer en meezingen ten top, buiten de typisch-voor-festivals-zijnde mensen, die gans een optreden staan te ‘leuteren’ en selfies staan te nemen om daarna te kijken of iedereen er wel met een perfecte glimlach opstaat en om deze foto daarna te posten op een sociaal medium met de boodschap: ‘Wij waren erbij op de lokerse feesten!’. 🙂
Suède daarentegen kon ons niet echt overtuigen.