Er viel de laatste weken niet te ontsnappen aan de grootscheepse promotiecampagne rond Digger, waarin Tom Cruise een nieuwe fase in zijn carrière lijkt in te zijn gegaan nu de Mission: Impossible-franchise (voorlopig dan toch) ten grave lijkt te zijn gedragen. De trailers beloofden een film met echo’s van Stanley Kubricks Dr. Strangelove en voerden een soms onherkenbare Cruise op als de machtige zakenman die aan de oorsprong ligt van een wereldwijde ecologische catastrofe. Achter de camera de Mexicaanse regisseur Alejandro G. Iñárritu, die weliswaar niet stilgezeten heeft sinds The Revenant uit 2015 drie Oscars won, maar die hier toch voor het eerst in meer dan een decennium uitpakt met een echt grote productie. Tel daarbij de keuze voor het filmen op Vistavision, het proces uit 1954 dat de filmstrook horizontaal in plaats van verticaal door de camera laat lopen om zo groter beeldoppervlak en dus meer scherpte te krijgen, en je hebt enkele maanden na Christopher Nolans The Odyssey opnieuw een ‘event-film’ die de Imax-schermen gevuld kan houden in afwachting van Dune: Part III en Avengers: Doomsday.
Digger opent met de steenrijke oliemagnaat ‘Digger’ Rockwell, die zijn rustige voormiddag verstoord ziet door wat hij eerst als een akkefietje beschouwd: een scheur in een ijsplaat veroorzaakt door een van zijn olieboringen in een beschermd reservaat in Groenland. Wanneer echter een gigantische ijsberg afbreekt, evolueert alles al snel naar een internationale crisis waarin vooral met de vinger gewezen wordt naar de genadeloze en arrogante kapitalist die de calamiteiten veroorzaakte.
Dat is in simpele termen het opzet van de plot, maar dit is een film die op koppige wijze de toeschouwer op afstand houdt, die vervolgens slechts bij mondjesmaat vat laat krijgen op alles, om er dan in een dubbele schokgolf alles aan te doen om de kijker weer grip te laten verliezen. Na een eerste koerswijziging kwam het gevoel wat bovendrijven dat het allemaal misschien wat mager was, maar het maakt deel uit van het concept om de kijker gaandeweg te confronteren met het feit dat die te vlug conclusies heeft getrokken. Dat ligt aan de verschillende lagen waarop de film functioneert. In eerste instantie is dit een hilarische satire – sommige dialogen zijn ronduit geweldig – maar Digger is een film die doorheeft dat het sublieme en het ridicule heel dicht aan elkaar grenzen en die eerste laag vervolgens gaat inzetten om met dat idee te gaan spelen: echt elke scène probeert het barokke absurde tot het absolute maximum door te drijven. Dat is een bijzonder delicate lijn om te bewandelen, maar het filmvakmanschap, de acteerprestaties (Cruise is fantastisch, maar ook John Goodman verdient een Oscar voor zijn bijrol) en de ingenieuze structuur verzekeren dat dit een absoluut puntgaaf spektakel wordt.
Ook in de visuele partituur trekt Digger trouwens alle registers open. Door bijvoorbeeld te wisselen van formaat: op bepaalde momenten wijzigt het beeld van breedscherm VistaVision naar 1:90 IMAX om zo plots maximaal gebruik te maken van de mogelijkheden van dat scherm – een techniek die ook Creed III een paar geleden al toepaste. Veel subtieler echter is de manier waarop gespeeld wordt met de artificiële taal van de cinema. Ik wacht vol ongeduld op de eerste filmrecensent die zich onsterfelijk belachelijk gaat maken door te klagen over de belichting, effecten en CGI in een film die precies het kunstmatige van die elementen tot het uiterste drijft. Digger is een prent die een ferme middenvinger opsteekt naar die dwalende zielen die nog steeds denken dat film een soort verisimilitude of naturalisme moet respecteren (op zichzelf natuurlijk al een totale illusie). Door dat te doen, sluit de beeldtaal naadloos aan bij de conceptuele bekommernissen: deze komedie is immers een mooie illustratie van de ideeën van de Franse filosoof Jean Baudrillard over het simulacrum. In een wereld waarin kopie en origineel (in deze tijden echt en vals) onmogelijk nog van elkaar te onderscheiden zijn, is er ook geen vastomlijnd idee meer van de realiteit. Aansluitend op Diggers uitspraak dat alles perceptie is, wordt het dus ook onmogelijk nog vast te stellen wat verifieerbare realiteit is, hoe hard een van de raadgevers ook tevergeefs roept dat feiten nu eenmaal feiten zijn.
Dat laatste element geeft ook aan dat dit een film is over het Trump-tijdperk. Niet eenduidig evenwel. Zo zitten er ‘Trumpiaanse’ elementen in zowel het hoofdpersonage als in de president (gespeeld door Goodman), maar spelen er allerlei echo’s van de onze hedendaagse retoriek en angsten doorheen de film, gereflecteerd als in een prisma, waardoor de sporen vaak vluchtig en moeilijk vatbaar zijn.
Met die strategie van bedachtzame bespiegelingen die vervolgens verpakt worden op de meest absurde en maniëristische wijze denkbaar werpt Digger zich op als een prent die – zoals de Amerikanen graag zeggen – “swings for fences.” Dat klopt, want om in dezelfde terminologie te blijven: “It tries to hit every ball out of the park, and then some.” Dit is een film die precies daarom mensen mateloos zal irriteren, maar ze hebben het mis, want Digger is wel degelijk grote cinema.
Als uitsmijter: probeer de duidelijke knipoog naar Top Gun te vinden, en neen, het zijn niet de vliegtuigen.



