Wanneer een zelfverzekerde Greg Dulli zich iets voor negen zondagavond voor een volgepakte Roma met de borst vooruit achter de microfoon poneert, weten we: het is hem menens, al is er ook dat ego natuurlijk. De sfeer is na een uitstekend half uurtje Ed Harcourt broeierig, maar ietwat gelaten. Met de nieuwe uitstekende nieuwe plaat Soft Control als leidraad en een riant oeuvre in de broekzak spelen The Afghan Whigs in Antwerpen een stevig en overtuigend concert.
Er worden songs gepuurd uit de volledige discografie, maar openen doet de groep uit Cincinnati met het stomende, verse “Jungle Roux”, en jammer genoeg is al snel duidelijk dat de mooie zaal die De Roma toch is – artiesten zijn er telkens weer lovend over – luidere concerten niet aankan. De geluidsmix verpest een pak van de nummers, iets wat voor bijvoorbeeld Sugar of Sixteen Horsepower in diezelfde zaal ook al een onoverkomelijk euvel bleek. Niets tegen een fikse geluidsmuur, maar wanneer de nuance in nummers als “Fountain And Fairfax” – dat nochtans niet minder dan geweldig gewelddadig klinkt – verdwijnt in een ondoordringbare geluidsbrij, is dat meer dan jammer.
Al negendertig jaar komen Dulli & co regelmatig en met plezier langs in dit land. De eerste keer, zo herinnert de frontman zich nog tijdens het voorstellen van de bandleden op het eind van het concert, was ergens in Gent volgens hem. De laatste keer was op de feesteditie van Rock Herk, maar een knieblessure hield hem toen op een stoel en de energie viel eens buiten de tent als een dood vogeltje op het Limburgse gras. Niets van dat tijdens dit Belgische drieluik, met ook nog concerten in Luik en Brussel. “Debonair”, dat even van de setlist was verdwenen, wordt gelukkig weer opgerakeld, “What Jail Is Like” is nog steeds een motherfucker van een song over schuldbesef in een claustrofobische, toxische relatie en “House Of I” staat er als een (vooruit dan) huis. Alleen het flauwe “My Lover” valt uit de toon wegens te drammerig en van een ondraaglijke lichtheid.
Het voornamelijk oudere, mannelijke publiek kruist de armen, bekijkt het vooral en occasioneel wordt er een pint of vuist in de lucht gestoken. Rockers op leeftijd: leer ze ons kennen. Drieëntwintig nummers passeren aan een rotvaart, maar het is pas vanaf het heerlijke “Please, Baby, Please” – dat Dulli als derde nummer van achter de piano speelt – dat de magie van deze groep doorschemert. Dulli haalt al een tijd niet meer alle noten, maar compenseert dat zoals hij altijd al deed met die pakkende, af en toe valse stem van hem. En zo hoort dat ook bij een soulvolle rockgroep, waar grote emoties niet geschuwd worden. We zagen hem het nummer ooit op zijn knieën brengen, maar deze versie was zeker zo intens. Met het eerder vermelde “Fountain And Fairfax” en een werkelijk verbluffend “My Enemy” wordt de eindsprint ingezet en er bleek geen fotofinish nodig. Dit was triomferend, de armen wijd over de streep komend.
In de bisronde blijkt het recente pareltje en instant klassieker “Duvateen” ook live onverwoestbaar, klinkt de ‘go!’ van Dulli tijdens “Summer’s Kiss” alsof hij nog aan het optreden moet beginnen en vindt hij het tijdens afsluiter “Into The Floor” nodig om eigenhandig in te grijpen bij een relletje op de eerste rij. Microfoon de grond op en het publiek in, weg sfeer voor even, waarna hij toch nog terugkomt om af te sluiten met een stukje “Miles Iz Ded”. ‘Don’t forget the alcohol’ klonk dan ook cynischer dan ooit, maar de kleine smet op een bij wijlen verbluffend concert was snel vergeten. Vermoedelijk is er amper nog plaats op de affiche van pakweg Pukkelpop voor groepen van dit kaliber, maar we zouden er toch geen twee keer over nadenken. Please, Eppo, please?



