Gosford Park


Robert Altman is zo min of meer de persoonlijke uitvinder van de
filmmozaïek; zijn films laten zich nooit op een enkel genre
vastpinnen, maar proeven een beetje van verschillende conventies.
Waar de meeste filmmakers een verhaal verzinnen en dan kijken welke
personages zich aandienen, verzint Altman een groepje personages en
dan kijkt hij welke schijn van een plot hij kan gebruiken om de
boel samen te houden. Personages, hun persoonlijke geschiedenissen
en problemen, en de manier waarop die op een bepaald punt
samenlopen: dat zijn de ingrediënten van de gemiddelde Altman-film,
een formule die hij al sinds de jaren zeventig hanteert en die in
het beste geval onovertroffen pareltjes heeft opgeleverd. ‘MASH’,
‘Short Cuts’, ‘The Player’, noem maar op.

Maar af en toe gaat het mis, en sinds de tweede helft van de
jaren negentig is het vaker misgegaan dan wat anders. ‘The
Gingerbread Man’, zijn poging om een persoonlijke draai te geven
aan de John Grisham-thrillerconventies, ontspoorde totaal in de
laatste akte. En hoe minder we over ‘Prêt-A-Porter’ en ‘Doctor T
And The Women’ zeggen, hoe beter.

Voor zijn nieuwste, ‘Gosford Park’, probeert Altman het Agatha
Christie-genre aan te pakken, de whodunit. Maar dat is natuurlijk
niet genoeg. Hij wil ook een komedie maken. En een sociaal manifest
over snobisme en moraliteit in de Britse upper class. En zelfs een
psychologisch drama. Dat klinkt allemaal prachtig, zeker als je dan
ook nog hoort dat Altman een twintigtal personages in de strijd
gooit, die worden gespeeld door een who’s who van de Britse
acteerwereld, en dat Altmans prestaties beloond werden met
hysterisch enthousiaste recensies in Amerika én zeven
oscarnominaties.

Maar laat ‘Gosford Park’ nu een tegenvaller van jewelste zijn.
Laat ik daar nu de bioscoopzaal zijn buitengekomen met duizend
vragen in m’n hoofd, waarvan deze de belangrijkste was: waarom zou
een monument als Robert Altman nu juist voor deze mislukking zoveel
krediet moeten krijgen?

Zullen we maar beginnen met de plot? De sociaal nogal
onaangepaste, maar stinkend rijke tycoon Michael Gambon organiseert
een jachtpartij op zijn riante landhuis, en iedereen is
uitgenodigd: zijn cynische zuster Maggie Smith die leeft van een
toelage van haar broer die elk moment kan worden stopgezet; zijn
schoonzuster en haar man, die ook geld nodig heeft van Gambon maar
het niet krijgt, en zelfs via zijn dochter gaat om het te krijgen;
een Amerikaanse filmproducent en zijn ster en nog vele anderen. Al
die mensen hebben natuurlijk hun bedienden mee en het toneel is
gezet voor een satirische komedie.

Boven zien we een stel snobistische, domme lords and ladies, die
elkaar o zo subtiel beledigen en kwetsen en alles zouden doen om de
schone schijn toch maar hoog te houden. Via hun bedienden vernemen
ze roddels over elkaar en verspreiden ze nieuwe. Dit zijn mensen
met blinddoeken voor tegen de werkelijkheid, volledig ingenomen met
hun eigen problemen.

Beneden maken we kennis met de bedienden, mensen die hun leven
leiden via hun meesters en hun eigen identiteit volledig
wegcijferen. Ook zij hebben elk hun verhaal, maar we zien hen
discreet op de achtergrond staan tijdens de lange, uitgebreide
diners van hun adellijke werkgevers. Hun ogen zien en hun oren
horen, maar hun mond blijft stil. Tot ze weer beneden zijn, in
ieder geval.

Dan wordt Gambon vermoord – de helft van de familie had een
motief, en wie weet, misschien sommigen van de bedienden ook.
Niemand schijnt echt om hem te rouwen. Wanneer Maggie Smith de dag
erop gaat ontbijten, zegt ze als vanouds yummie-yummie tegen haar
ontbijt, en ze reageert gestoord wanneer de onderzoekende
politie-inspecteur haar een aantal vragen wil stellen. Ook die
inspecteur, gespeeld door Stephen Fry met een ‘Monsieur
Hulot’-achtige pijp tussen de lippen, houdt er een meester-dienaar
relatie op na met zijn adjudant, en we zien dezelfde motieven
tussen hen opduiken: de adjudant bewaart zijn gezond verstand en
maakt Fry attent op vingerafdrukken en andere evidente
bewijsstukken, terwijl Fry hem het zwijgen oplegt en als een blinde
doorheen het huis paradeert, overtuigd van zijn eigen
superioriteit.

Altman introduceert naar goede gewoonte weer een hele pleiade
aan personages, maar waar hij er gewoonlijk na een half uur al in
geslaagd is om ons vertrouwd te maken met de persoonlijkheden in
zijn films, waren er hier gewoon een aantal mensen te veel
aanwezig. Aan het einde was ik in sommige gevallen nog steeds niet
zeker wie nu precies wie was en hoe die dan in relatie stond met
een ander. Een aantal van de gasten hebben bitter weinig te doen,
en ook de politie-inspecteur van Fry dient weinig nut behalve zijn
gezicht te laten zien en excentriek te wezen. Altman had, vooral
met het personage van Fry, vast de bedoeling te laten zien hoe de
relaties die binnen het landhuis bestaan, ook daarbuiten werden
doorgetrokken, maar dat is niet genoeg reden om nog maar eens een
personage te introduceren in een sowieso al overbeladen film.
Altman zei in een interview over ‘Gosford Park’ dat hij hoopt dat
de mensen meerdere keren gaan kijken. Nu ben ik best bereid om een
film een aantal keer te zien indien dat extra inzichten in de
thematiek en eventuele symboliek meegeeft, maar als je na een
eerste visie gewoon de plot en de personages nog niet hebt kunnen
doorgronden, dan is dat een heel simpel teken van slechte
structuur.

Aan de acteurs zal het alvast niet hebben gelegen: Maggie Smith,
Kristin Scott-Thomas, Stephen Fry, Emily Watson, Derek Jacobi,
Richard E. Grant, Ryan Phillipe en vele anderen acteren de sterren
van de hemel, met een speciale vermelding voor Smith, die met haar
cynische humor de film af en toe een broodnodige
adrenaline-injectie geeft. Een goddelijke rol van een goddelijke
dame.

Maar ja, wat heb je aan goede acteurs als je je constant zit af
te vragen wie hun personage precies is? De onduidelijkheid
hieromtrent zorgt ervoor dat de film heel wat van zijn kracht
verliest als komedie én als whodunit. Wat nog overblijft, is een
sociale satire op de maatschappij van Groot-Brittanië anno 1932,
die wél werkt, maar die in 2002 vaak weinig relevant lijkt.

‘Gosford Park’ is een film die helemaal goed zit in elk klein
detail: de sets, de kostuums zijn vlekkeloos; we zien hoe de
dienaars elkaar aanspreken met de naam van hun meester en rond de
tafel gaan zitten in volgorde van de titel van hun werkgever (een
baron naast een graaf, of zoiets). We zien een bediende stiekem van
de bloody mary nippen, en we zijn er getuige van hoe de adel meer
affectie voelt voor een hond dan voor elkaar. Het klinkt op de één
of andere manier allemaal juist. Maar het kader waarin het allemaal
werd gegoten, rammelt langs alle kanten.

De tijd van de grote landhuizen en lords and ladies met 50 man
personeel is voorbij. Laten we hopen dat schijn bedriegt en de tijd
van Robert Altman nog even mag voortduren.

http://www.gosfordparkmovie.com

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

drie × vijf =