Gladiator

Het jaar 2000 was een goed jaar voor Ridley Scott – de regisseur
had sinds ‘Thelma & Louise’ geen onverdeeld succes meer gehad,
en dat was ondertussen alweer negen jaar geleden. Wat er voor hem
overbleef, waren artistieke en/of commerciële flops zoals ‘White
Squall’ en (huiver) ‘GI Jane’.

Met ‘Gladiator’ en begin 2001 ‘Hannibal’ kwam Scott er echter weer
helemaal bovenop, in die mate zelfs dat die eerste een oscar voor
beste film won. Smaken verschillen natuurlijk, maar tegenover films
als ‘Traffic’ had dat voor mij niet
per sé gehoeven.

Russell Crowe is Maximus, een Romeinse generaal die we aan het
begin van de film ontmoeten als een nogal troosteloze figuur (àlle
figuren in deze film zijn nogal troosteloos), die onder een grauwe
hemel instructies aan zijn adjudanten gromt en zich voorbereidt op
een slag tegen de Germanen, het laatste volk dat zich nog verzet
tegen de Romeinse heerschappij. De hierop volgende veldslag is één
van de beste actiescènes in de film – een snel gemonteerde sequens
die erin slaagt om tegelijk de chaos van een oorlog over te brengen
en toch min of meer overzichtelijk te blijven voor het publiek. Het
is ook een gelegenheid voor Hans Zimmer om z’n overduidelijk op
Vangelis geënte muziekscore door de speakers te laten knallen.

Enfin. Maximus wint de veldslag, en nog voor de modder al het
vergoten bloed heeft opgeslorpt komt Commodus (Joaquin Phoenix), de
zoon van de oude, zieke keizer (Richard Harris), samen met zijn zus
(Connie Nielsen) in de glorie van een ander z’n wonden delen. “Have
I missed the battle?,” vraagt hij quasi-teleurgesteld aan zijn
vader. “You have missed the war,” antwoordt keizer Aurelius.

Aurelius is niet van plan zijn zwakke zoon keizer te laten
worden, en geeft Maximus opdracht om na zijn dood het bestuur van
Rome tijdelijk over te nemen, tot hij de macht over de staat terug
kan geven aan de senaat. Commodus is, niet geheel onbegrijpelijk,
niet tevreden met dat plan en vermoordt zijn eigen vader voor
iemand anders ervan op de hoogte kan worden gebracht. Maximus wil
hij laten executeren, maar die kan ontsnappen en vlucht naar huis,
waar hij zijn vrouw en zoon vermoord aantreft. Hij wordt
gevangengenomen door slavenhandelaars en belandt uiteindelijk in
het gladiatorencircus van Proximo (Oliver Reed), waar hij algauw
een reputatie van onoverwinnelijke strijder opbouwt. Wanneer
Commodus in Rome de spelen opnieuw introduceert in het circus,
trekt Proximo mét zijn grote ster naar Italië, waar het uiteraard
tot een ultiem treffen zal komen.

Gladiator laat zich heel graag vergelijken met de Romeinse
epossen van vroeger – de ‘Spartacussen’ en de ‘Ben Hurs’. Maar waar
die films erin slaagden epische verhalen te vertellen die pasten
bij de lengte van de films, lijkt de plot van ‘Gladiator’ gewoon te
licht om de 150 minuten speelduur te ondersteunen. Zelden kon ik in
een film zo duidelijk aanduiden welke scène expliciet bedoeld was
om de plot vooruit te helpen, waarna we ons weer rustig een half
uur kunnen overgeven aan spectaculaire gevechten. Het gaat niet
vooruit.

Maar spectaculair zijn de gevechten wel, dat moet gezegd worden.
De koppen rollen letterlijk door het mulle zand, het bloed spat
alle kanten uit en je hebt nog nooit een dame in tweeën gekliefd
zien worden zoals hier. De film rekent daarbij op dezelfde
bloeddorst die de echte spelen destijds ook zo populair maakten,
maar je wordt niet verondersteld daar teveel bij na te denken.
Probeer maar eens niét onder de indruk te raken wanneer Maximus
tijdens een gevecht met een soortement Arnold Schwarzenegger-kloon
besprongen wordt door een leeuw. ‘Gladiator’ is op z’n beste
momenten een zintuiglijke ervaring, een orkaan van beeld en geluid
die niet te stoppen valt – die beste momenten vallen uiteraard
allemaal tijdens de gevechtscènes, dat spreekt voor zich.

Wat dat betreft voelt de film soms aan als een “greatest hits”
van het Romeinse tijdperk – we krijgen alle klassieke nummers, en
voor het grootste gedeelte worden ze met zwier opgevoerd. De
wagens, het stof, de gevechten, de duimpjes die leven of dood
aangeven, en achter de schermen de gladde senatoren en vooral de
waanzinnige keizer. ‘Gladiator’ is één lange crowd pleaser, en ik
veronderstel dat het een kniesoor is die erop let dat de plot al
dat geweld eigenlijk niet ondersteunt, en dat het allemaal minstens
een kwartier te lang aansleept.

Russell Crowe speelt Maximus, zoals gezegd, als een zwijgzame,
norse vechtersbaas-met-een-hart, en is efficiënt genoeg in zijn
vertolking. Connie Nielsen, als enige vrouw in de film, heeft
weinig te doen behalve manipulatief te wezen (zo zie je maar hoe
Hollywood tegen vrouwen aankijkt), en ook Djimon Hounsou, die u
misschien nog kent uit Spielberg’s ‘Amistad’, loopt er voornamelijk
bij als tegenhanger van Crowe – de man moet nu eenmaal iemand
hebben om tegen te praten, of niet soms?

Joaquin Phoenix is goed als Commodus, de aartsschurk, maar ik
kreeg niet de indruk dat hij echt veel plezier aan zijn rol
beleefde. Kijk eens naar Peter Unistov als gekke keizer Nero in
‘Quo Vadis’?; die ging echt helemaal uit z’n bol en hij straalde
pure fun uit. Phoenix daarentegen is een pathetische figuur die op
z’n zuster geilt en de helft van de tijd op het punt van huilen
staat. Het is een valabele interpretatie, veronderstel ik, maar het
is wel opnieuw een element dat de film zwaarder, logger maakt, en
daarmee ook trager.

Veel critici maakten er een punt van dat de speciale effecten
niet alles waren wat ze hadden kunnen zijn – persoonlijk kon ik
echt niet zien waar het echte circus eindigde en CGI de boel
overnam. De kunstgrepen in plot en tempo, daarentegen, zijn maar al
te duidelijk.

http://www.gladiator-thefilm.com/

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

17 + 11 =