Indiana Jones and the Kingdom of the Crystal Skull

Ik heb maar zelden zo nadrukkelijk klaar gezeten om een film
goed te vinden als ditmaal. Indiana Jones is één van de
definiërende figuren uit mijn jeugd geweest, held van talloze
woensdagnamiddagen, waarop de videorecorder zelf zich begon af te
vragen of ik steeds diezelfde drie films nu echt niet beu werd.
Toen ik een jaar of tien was, moest ik ooit een dag ziek
thuisblijven van school en heb ik ‘Temple of Doom’
letterlijk drie keer na elkaar bekeken, zonder pauze – kijken,
terugspoelen en hoppa, daar gingen we weer. Kortom: ik ben een fan.
Vandaar ook dat ik de release van het lang verwachte (de
geruchtenmolen draait al bijna tien jaar op volle toeren) vierde
deel tegemoet zag zoals een dwerg plateauzolen tegemoet ziet. En
vandaar ook dat de teleurstelling zo gigantisch is. ‘Indiana Jones
and the Kingdom of the Crystal Skull’, beste mensen, is een sof
geworden. Een pijnlijke sof.

Het is 1957 (net als Harrison Ford, is ook Indy tussen deze film
en de vorige bijna twintig jaar ouder geworden), en de Koude Oorlog
is in volle gang. De evil KGB-agente Irina Spalko (Cate
Blanchett) is in de VS op zoek naar een kristallen schedel. Deze
schedel wil ze op de één of andere manier gebruiken (ik bespaar u
de details, omdat ze mij zelf ook niet helemaal duidelijk zijn) om
het El Dorado te vinden, de legendarische stad van goud die ergens
in het Amazonewoud verscholen ligt. Niet dat ze gewoon hebberig is,
maar Spalko gelooft dat de vondst van El Dorado haar psychische
krachten zal geven waarmee de communisten de Amerikanen in no
time
van de kaart kunnen vegen. Een mens moet tenslotte in
iets geloven. Aan Indy de taak om haar tegen te houden, geholpen
door Mutt (Shia LaBeouf), een op Marlon Brando geënte
biker, en een paar oude bekenden.

Dat is de basis van een plot die nog verschillende omweggetjes
neemt om te geraken waar hij meent te moeten zijn. ‘Crystal Skull’
is verreweg de meest gecompliceerde van de Indyfilms, met een
verhaal waar regelmatig elementen worden bij gesleurd die in feite
overbodig zijn. Niet dat ik daarover wil klagen (hoewel,
ondertussen doe ik het toch); wie logica of consistentie zoekt,
moet niet naar Indiana Jones gaan kijken. Erger is het feit dat de
McGuffin, het voorwerp waar iedereen naar op zoek is, ditmaal maar
bitter weinig te maken heeft met Indy’s achtergrond als archeoloog
of de geschiedenis. Harrison Ford raffelt op gezette tijden enkele
wetenswaardigheden af over de conquistadores, maar de clou van de
film gaat een heel andere richting uit. Een richting die niets meer
met historische vondsten te maken heeft, en daarmee ook de sfeer
van de vorige films onderuit haalt. In ‘Raiders of the Lost Ark’
ging het over de ark van de Israelieten; in ‘Temple of Doom’ over
heilige stenen en in ‘The Last Crusade’ over
de Heilige Graal – telkens religieus getinte voorwerpen die
geworteld waren in (pseudo)historische verhalen. Ik zal niet
verraden wat de Crystal Skulls precies zijn of wat ze precies
teweeg brengen, maar laat het volstaan te zeggen dat we ver
verwijderd zijn van de ouderwetse retro-charme van toen.

Het is zelfs niet overdreven om te stellen dat ‘Crystal Skull’
voor de Indiana Jonesreeks is wat ‘The Phantom Menace’
destijds was voor de ‘Star Wars’-serie: wat
vroeger opwindend en avontuurlijk was, ontaardt hier in een
zielloze CGI-show (die laatste twintig minuten, komaan zeg!). De
prent voelt dan ook eerder aan als een George Lucas- dan als een
Steven Spielbergfilm. Je krijgt het idee dat Spielberg er met zijn
hart niet helemaal bij was – hij hééft de Indyfilms al gemaakt;
deel vier komt er enkel op algemene aanvraag van de fans. Laat ons
hopen dat dat inhoudt dat Spielberg zich dan nu met een volgende
prent van het kaliber van ‘Munich’ gaat
bezighouden.

Dit klinkt misschien als gezeur van iemand voor wie de nieuwe
film het niet kon halen van de nostalgie van de vorige
afleveringen, maar er is meer aan de hand. Zo hebben Spielberg en
scenarist David Koepp (nochtans ook niet de eerste de beste) het
moeilijk om een evenwicht te vinden tussen actie en humor. Zo lang
Indiana Jones weer aan z’n zweep mag slingeren of met legerjeeps
mag sjezen als vanouds, valt de prent nog wel te pruimen. De
openingsscène is amusant en ook een sabelduel achterop twee door de
jungle rijdende wagens is knap om te zien. Maar zo gauw de makers
mikken op een komische noot, slaan ze de bal vaak pijnlijk mis – zo
maken tijdens het eerste half uur een paar allicht grappig bedoelde
CGI-marmotten hun opwachting die niets, maar dan ook niets in de
film te zoeken hebben (je zit op den duur echt te wachten tot ze
een liedje beginnen te zingen).

Verder is er ook nergens een suspensescène te bespeuren. Denk
maar aan de obligate “beestjes”-scène: in ‘Raiders’ kregen we
slangen, in ‘Temple
of Doom’
insecten, in ‘Last Crusade’ ratten en
hier (beslist u zelf maar of u het een spoiler vindt of niet) rode
mieren. In alle drie de vorige films werden die scènes uitgemolken
om creepy te zijn: Indy en zijn gevolg moesten
voorzichtig, voetje voor voetje hun weg tussen de griezels banen,
wat dan uiteindelijk aanleiding gaf tot een actiescène. De beestjes
zelf dienden echter voornamelijk om spanning op te wekken en een
oprecht “èèk”-effect los te krijgen bij het publiek. Maar dan krijg
je hier die mieren en vergeet het maar: tegen de snelheid van het
licht krioelen die (overduidelijk digitale) schepsels over het
scherm en het is niet spannend of sfeervol, maar gewoon alweer
zoveel CGI-geweld dat als een ongeleid projectiel losbarst.

Harrison Ford redt het nochtans verbazingwekkend goed voor z’n
65 jaar – hij is niet meer de man die hij twintig jaar geleden was,
maar dat is Indy ook niet meer. Hij rent, springt en mept er echter
nog altijd op los alsof hij het eeuwige leven heeft. Cate Blanchett
doet wat ze kan met een veel te oppervlakkige rol als slechterik en
Shia LaBeouf is oké-maar-meer-ook-niet als Mutt. In de bijrollen
krijgen we Ray Winstone, die zich duidelijk afvraagt wat hij hier
staat te doen, en Jim Broadbent, die ongeveer dertig seconden lang
mag opdraven voordat hij weer summier de deur wordt gewezen.

‘Indiana Jones and the Kingdom of the Crystal Skull’ zal
wellicht de grootste teleurstelling van het jaar blijven. De actie
op zichzelf is niet slecht, maar wordt ondersteund door een verhaal
dat nergens de charme, de authenticiteit of de sfeer (vooral dat)
van de vorige drie films kan evenaren. En zelfs afzonderlijk
bekeken, los van de bagage van het verleden, blijft het een
zielloze effectenfilm, die zo snel mogelijk van hoogtepunt naar
hoogtepunt wil racen, en ergens onderweg vergeet te stoppen om het
publiek ook te laten opstappen. Een icoon dat van z’n sokkel valt?
Nou nee, dat dan weer niet. Ik ga gewoon vrolijk mijn herinneringen
bewaren aan de originele trilogie en compleet negeren dat deze
appendix ooit gemaakt werd. Zie, voilà, ik ben hem al vergeten!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in