Curse of the Golden Flower




Toen Gong Li nog een debuterend Gongske was, huppelde
ze frivool langs ‘Het Rode Korenveld’ van Zhang Yimou. Zij werd één
van de grootste sterren van het land en hij kreeg voor zijn stukje
filmische poëzie een Gouden Beer uit Berlijn in de schoot geworpen.
Nu, twintig jaar later, keert de dichter nog eens terug naar de
vergeten muze (het duo had een relatie tot ’95) voor ‘Curse of the
Golden Flower’, het officieuze slotstuk van Yimou’s epische
martial-arts-trilogie. Na ‘Hero‘ en ‘House of Flying Daggers’
neemt de regisseur wuxia-gewijs wat gas terug, maar visueel laat
hij zich volledig gaan met extravagante decors, oogverblindende
kostuums en massascènes waarvoor half China uit bed werd
getrommeld. Kitscherige aanstellerij of majestueuze schoonheid, de
ogen zullen hoe dan ook duizelen in hun kassen bij het aanschouwen
van zoveel kleuren, rinkelende tierlantijntjes en met bladgoud
versierde decolletés.

We bevinden ons in het China van de 10e eeuw waar de
late Tangdynastie aan de macht is. Keizer Ping (Chow Yun-Fat met
groovy snor en sik) keert samen met zijn tweede zoon,
prins Jai, terug naar huis om het Chrysantenfeest in gezellig
familieverband te vieren. Nu is de gezinssituatie ten huize Ping
niet echt ideaal te noemen. De relatie met z’n eega (gouden parel
Gong Li) staat al enige tijd in de diepvries en mevrouw de keizerin
heeft ondertussen ook een (uitdovende) affaire met de kroonprins
(haar stiefzoon!). Iets minder kinky, maar veel mysterieuzer is de
slopende ziekte waar de keizerin al jaren mee rondloopt. Wanneer de
kroonprins verliefd wordt op de dochter van de keizerlijke dokter
wordt het allemaal iets teveel voor de disfunctionele familie. En
dan ontdekt de keizerin de duistere geheimen van de keizer.
Hoogverraad, verborgen intriges, sluwe machtspelletjes en dodelijke
ninja’s, elk gezin kent zo wel zijn moeilijke momenten…

Het eerste wat opvalt bij het bekijken van ‘Curse of the Golden
Flower’ is dat dit martial arts-epos eigenlijk niet zoveel
‘esthetisch knokken en zweven in slowmotion’-momenten in de
aanbieding heeft als z’n voorgangers. Zowel ‘Hero’ als ‘Daggers’ hadden een
nogal complexe en stroeve structuur, maar dat skelet werd wel
opgehangen aan spectaculaire ‘we zullen ze eens van hun gat
blazen’-actiesegmenten. Dat zorgde niet alleen voor klamme handjes
bij de doorgewinterde wuxiafans, maar het creëerde ook een zekere
dynamiek doorheen de logge narratieve structuur. Doordat de actie
in ‘Curse of the Golden Flower’ drastisch wordt teruggeschroefd
(het is pas in de laatste akte dat er honderden gouden speren door
de lucht scheren), wordt de verantwoordelijkheid veel meer in de
schoenen van het theatrale verhaal geplaatst. En dat schoentje
durft wel eens te knellen.

Want ondanks de motivaties om een gelaagde thematiek en
symboliek te verwerken in de opulent gedecoreerde wandtapijten,
blijft ‘Curse of the Golden Flower’ iets te veel steken op het
niveau van een moeizaam op gang komende soap opera. De acteurs
paraderen rond in de meest somptueus in elkaar gevlochten gordijnen
en uniformen, maar veel leven schuilt er niet onder het loodzware
titanenwerk van de getalenteerde kostuumontwerpers. Gong Li doet
weinig meer dan zenuwachtig chrysantenmotiefjes borduren en
rondlopen met een zuurstofbeklemmend korset die haar twee
gongs nogal nadrukkelijk in de kijker zet. Het moet
geleden zijn van Jodie Fosters avonturen in de ‘Panic Room’ dat ik zo
onsubtiel werd afgeleid door cleavage op het grote scherm.
Ze ziet er dus verrukelijk uit, zoals al de rest in de film
eigenlijk, maar er klopt geen hart onder al die schoonheid. De rest
van de paleisbewoners (de zonen zijn meer instrumenten om de plot
van koers te doen veranderen dan volledig uitgewerkte personages)
doen nog minder ter zake. Zo wordt de rol van Chow Yun-Fat
schandelijk geminimaliseerd tot norse Chinaman die af en
toe zijn mond opentrekt voor een filosofisch getinte haïku of een
jongleerpartijtje met het zwaard. Mooi om naar te kijken (zie hem
in slowmotion zijn gouden pyama van zich afwerpen,
shiny!), maar verwacht dus niet dat je effectief gaat
meeleven met deze wezenloze personages en hun klinisch
getormenteerde zielen.

Er zitten nochtans veelbelovende en interessante ideëen in deze
Oosterse variant op het betere tragediewerk van Shakespeare (Hamlet
en aanverwanten zouden elk moment door het peperdure plafond kunnen
zakken). Met een beperkte locatie (zo goed als alle gebeurtenissen
spelen zich af binnen de bordeelrode sluiers van het paleis in de
Verboden Stad) en de emotioneel geblokkeerde personages ontwikkelt
Yimou een fascinerend spel der tegenstellingen. Het keizerlijke hof
blinkt in z’n decadentie (die chrysanten op het binnenplein!), maar
de inwoners zelf zijn compleet leeggezogen door al de holle pracht
en praal die hen gevangen houdt. Ze barsten van het onvervulde
verlangen en hebben enkel elkaar om hun frustraties op uit te
werken. De visuele overdaad heeft dus meer om handen dan enkel maar
de oogjes te verwennen (of verblinden in sommige gevallen). De
wisselwerking tussen de uiterlijke schoonheid van de omgeving en de
innerlijke lelijkheid van de personages geeft ‘Flowers’ een bittere
dimensie, iets wat geheel niet aanwezig was bij die andere twee
epen. Yimou’s kritiek op de Chinese heerschappij van toen komt
trouwens een stuk gevoeliger te liggen nu er minder fantasievolle
set-pieces passeren om de kijker te betoveren. Alleen jammer dat
het resultaat in de praktijk een even koele gebeurtenis is als het
zelfdestructieve gedrag van de familie Ping.

En hoe zit het dan met dat schaars verdeelde actiespektakel?
Wel, na een schitterende tease van een ninja-aanval in een
bergkloof (de coolste shot uit de film, no contest), is
het dus effectief wachten tot de bombastische finale vooraleer er
nog eens serieus met de zwaarden wordt gekletterd. Geen
wire-fu-kunstjes, maar een groots opgezette strategische
battle die nog het meest doet denken aan de slag om Helm’s
Deep uit ‘Lord of the Rings’. Het is indrukwekkende en knap in
elkaar gestoken waanzin, ook al durft de CGI af en toe een steek te
laten vallen (de copy paste-figuranten zijn iets te
opzichtig te onderscheiden van de echte). Maar heeft zo’n bombast
nog wel zin als het lot van de betrokken personages toch zo’n
verwaarloosbare behandeling heeft gekregen? Te weinig voor wat het
gekost heeft alleszins.

‘Curse of the Golden Flower’ laat nog maar eens zien dat Zhang
Yimou een ongelooflijke visuele artiest is voor wie het kleurrijke
canvas niet groot genoeg kan zijn. Probleem is dat we na ‘Hero’ en ‘Daggers’ al wat gewend
zijn van meneer Yimou. Echt nieuwe dingen worden hier niet getoond
en de onzekere keuze om de actie in de schaduw van het
psychologische drama te zetten is ook niet wat het had moeten zijn.
Snoepgoed voor de ogen, maar geen biefstuk voor het brein.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in