De perstekst in de aanloop naar Kevin Morby’s achtste plaat schuwde de grote woorden niet: het zou “zonder twijfel het meest persoonlijke en meest kwetsbare album” dat hij ooit maakte worden. Dat Little Wide Open klinkt als een levensbeschouwelijke roadtrip door zijn Amerika in een aftandse Ford Econoline. Into the great wide open, dus, want ’t is net de geest van Tom Petty die de motor van dat minibusje aan de praat houdt.

Morby gaf het in een promo-interview zelf ook al toe: Petty’s “Square One” en bij uitbreiding diens album (of minstens het idee achter de titel) Highway Companion uit 2006 diende als inspiratie voor Little Wide Open. Kleine moeite om de verbanden te zien, ook al omdat de plaat vaak opzichtig stil staat bij “vlinders” die te jong stierven – “Die Young” van enkele maanden terug kon die verbanden uiteraard nergens verstoppen, deed zelfs geen moeite in die richting.
“Welcome to the badlands / Where the sky expands and you and I expire”, trapt Morby zijn album af, “Welcome to the Midwest / Where the sky knows best / And you’ll finally get some rest / ‘Til the tornado sirens start harmonizing”. Die song, “Badlands”, luistert verder als een inhoudstafel van een wegenkaart, vol verwijzingen naar wat de roadtrip nog te bieden heeft. Kippenvel trouwens, die harmonie van menselijke tornadosirenes met Justin Vernon (Bon Iver). De rit is nog maar pas begonnen, maar er broeit al een onheilspellende dreiging aan de horizon.
Aan “Die Young”, die belofte van het beste dat americana dit jaar te bieden zou kunnen hebben die Morby enkele maanden terug al loste, om de minibus naar veiliger oorden te sturen. Wat vreemd, wel, dat die absolute topsong dan al volgt – had die niet beter geklopt ergens achteraan, als conclusie van de reis? “Javelin”, eerder al een eerste vooruitgeschoven single, dendert met een versnelling hoger vlot verder, als een speer “down the highway”. De songs die volgen – “All Sinners”, “Natural Disaster” en “100,000” – sjokken op z’n Morby’s door tornado alley.
Als rustpunt, noodgedwongen schuilplaats bijna voor het natuurgeweld in de verte, komt rond de helft van het album het existentiële, dik acht minuten durende “Little Wide Open”. Hier, pal in het midden van zijn plaat, staat Morby alleen in zijn uitgestrekte vlakte, zonneschijn links en donderwolken rechts, terwijl hij al zijn “little wide opens” overpeinst. Aardige song, maar het voelt heel nadrukkelijk, bijna zelfs geforceerd, als het zwaartepunt. Niet voor het eerst en niet voor het laatst zijn de verwijzingen naar de onderlinge songs op Little Wide Open ook te zelfbewust, op het cerebrale af.
Voorbij de titelsong valt de tweede albumhelft vooral op door zijn contrast: met songs als “Cowtown”, “Bible Belt” en het weinig boeiende “Junebug” heeft Morby’s karretje moeite om niet stil te vallen. Onderweg rammelen nog altijd de onderdelen die genoegzaam gekend zijn: Morby’s stem als een stoffige fluwelen stars and stripes, gitaren met een goeie twang, en banjo, mandoline en fiddle die weten wanneer welke snaar te plukken. De productie van Aaron Dessner (hij weer) laat niets aan het toeval over, en boet zo toch wat aan subtiliteit en authenticiteit in.
Hoewel Little Wide Open wel degelijk een handvol songs die het kaliber van “Die Young” ambiëren heeft, ontbreekt er over het geheel toch die persoonlijke en kwetsbare kant die Kevin Morby beloofde. Op het einde van de rit blijft de geest van Tom Petty, net als de luisteraar, zo met gemengde gevoelens en een lichte honger achter.




