Daar zitten we dan, gewrongen tussen het offline nihilisme van grunge en de nieuwe digitale protestgeneratie. Wij de millennials die feestend de eeuw inzetten, ironie omarmden, baarden en beanies ontdekten. Maar wie waren wij, muzikaal? Een melancholische terugblik.
Vijftien jaar geleden studeerde de klas van 2011 af. Wij, mijn vrienden en ik, de klas van 2011. De klas aan het staartje van, ja van wat eigenlijk? Zo ergens tussen Indignados, Occupy en Helplessness Blues. De storm op Pukkelpop die de mooie zomer alsnog op zijn kop zette. Wij die massaal de zachte jongens van de indierock omarmde, van Fleet Foxes tot Arcade Fire en hun suburban beslommeringen. Melancholie als mode, een hippe jas in matte kleuren. De klas van 2011 leek al oud toen het allemaal nog moest beginnen. Waarom luisterden we anders allemaal zo massaal naar The National, een band voor en door uitgebluste dertigers? We konden ons blijkbaar wel iets voorstellen bij “Slow Show” en “Terrible Love”, zo onder een sterrenhemel op een zoveelste huisfeestje. Het leven leek ons al voorbij gehold terwijl wij even naar boven keken, naar de nachtelijke hemel. Daarom stortten we ons naar voren toen Matt Berninger het publiek opzocht op Werchter, zo net na de eindexamens. Net achttien en al nostalgisch naar wat we zonet kwijt geraakt waren.
Bon Iver was onze held, met zijn unieke stem, zijn baard en zijn blokhut. Meer puur ging de melancholie niet worden, de mythe snelde de muziek vooruit. Alleen, Justin Vernon zelf wist niet wat van dat succes te maken. Hij sloopte zijn blokhut met het weelderige Bon Iver, Bon Iver en iedereen was in de war over slotnummer “Beth/Rest”. Synths mochten al wel maar ze moesten tussen haakjes staan, en dat was in deze eightieshymne absoluut niet het geval. Authentiek stond nog gelijk aan kaal, aan een akoestische gitaar en verder niets. De man met de baard werd er nog steeds headliner op een modderige Dour mee. Hij verstopte zich dan maar achter zijn oude band Volcano Choir, wilde one of the boys zijn en terug in de Botanique spelen. Het werkte niet. Natuurlijk werkte het niet. We weten allemaal wat zou volgen: meer elektronica, meer vervreemding. Maar we bleven hem volgen. De klas van 2011 is een trouwe bende.
Zou ook nog een ster worden, maar een nog minder evidente dan Bon Iver of The National: Perfume Genius. Dat was voor de klas van 2011 nog geen queerheld, geen muzikant van het grote gebaar. Wel een kleine, verlegen twintiger die enkel met zijn partner aan de piano, in inning quarte-mains, op een podium durfde staan. “He made me a tape of Joy Division/ Told me there was part of him missing/ When It was sixteen/ He jumped of a building”, het is de verwoestende tekst van “Mr. Peterson”. Een complexe, verwarrend song over twee diep beschadigde mensen, geschreven door die kleine, geblutste jongen Mike Hadreas. We waren eigenlijk te jong om die song te snappen. Hadreas zelf misschien ook. Later zou hij een extravert, bombastisch podiumbeest worden, maar geef ons maar die jongen achter de piano, worstelend met zichzelf, met zijn verleden, met het publiek. Kleine en verlegen artiesten deden het goed bij de klas van 2011.
Zie ook: The xx. Ook zij zouden tegen alle verwachtingen en podiumvrees iconen van een generatie worden, in simpel zwart-wit en zonder veel commentaar. De klas van 2011 verlangde als tiener blijkbaar al terug naar de VCR uit hun kindertijd waar Romy zo schoon over zong. We luisterden naar “Crystalized”, “Islands” en “Shelter” op zolders, voor het feest, en op weg naar huis, na het feest. Die liefde is nooit verdwenen. Zelfs met maar drie platen op hun naam wordt hun concert op Werchter vrijdag onthaald als een comeback door de grote poort. Het zegt iets over de iconenstatus van dit trio voor een bepaalde generatie.
Maar er was zoveel meer dan Bon Iver, The xx en The National, want ook de klas van 2011 was hongerig. Nieuwsgierig naar nieuwe muziek zoals je dat alleen rond je achttien bent. Het is de leeftijd waarop zelfs een gemiddelde muziekfan net iets dieper gaat graven. Zoveel bands te klein nog voor de grote AB, perfect voor de Box. Zoals The Antlers met hun hartenkreten: ” Prove to me/ I’m not gonne die alone”, drama dat we opzogen alsof het leven al gelopen was. Hospice blijft één van de meest verbazingwekkende succesplaten uit die periode. Daarna leek de band op de rand van Iets te staan met Burst Apart. We dachten dat dit een Grote Band zou worden, we treinden van Leuven naar Brussel telkens het trio daar op de planken stond. De periode 2009-2012 zou hun hoogtepunt blijken. En zo waren er veel bands, achteraf bekeken, zo in die hoogdagen van de indierock waar de klas van 2011 zich middenin bevond. Vrienden bouwden hun identiteit op rond Veckatimest van Grizzly Bear, Teen Dream van Beach House, Halcyon Digest van Deerhunter of Merriweather Post Pavilion van Animal Collective. We hopen stilletjes dat al die platen nog altijd klassiekers zijn, zo ergens onder de waterlijn, bij de jonge muziekfans van nu. De klas van 2011, die dacht dat melancholie en indiemuziek de wereld zou veranderen, is zijn tienerdroom nog altijd trouw.
Maar nu lijkt het alsof de klas van 2011 enkel zat te tobben, vroegtijdig nostalgisch zat te wezen. Misschien was dat ook wel zo. Maar voor melancholie moet er ook eerst feest zijn. Feestjes zoals die er alleen zijn wanneer je achttien bent, zo ergens op de grens tussen zelfzeker jong en twijfelend volwassen. “We are the reckless, we are the wild youth/ Chasing visions of our futures/ One day, we’ll reveal the truth/ That one will die before he gets there” zo zong Daughter ons in volle overmoed toe. Elke nacht wisten we wat de waarheid was, waar de werkelijkheid te vinden. Waar het leven Echt voelde. Feestjes zonder verbinding met de wereld, enkel polaroids als bewijs dat we geleefd hadden. En voor op Tumblr, voor enkele onder ons. Maar Daughter stroomde ook over van de weemoed. Zelfs feesten deden we met melancholie ergens achter in ons hoofd. Onschuldige melancholie, die nog niet echt pijn doet. Nog niet die melancholie wanneer het feestje echt voorbij is. Wanneer de laatste het licht uitgedaan heeft en de feestjes gewoon niet meer voor jou zijn: “If you leave/ When I go/ Find me/ In the shallows.”
Wij, de klas van 2011. Als je jong bent denk je: Dit Is Het. Dit Is Muziek, in hoofdletters. History is what’s happening. Later wordt het: de muziek uit je jeugd. Een momentopname die zich in het beste geval ontpopt tot nostalgie. De reckless, de wild youth is er ook maar gewoon uitgegroeid. Geen sepia foto’s meer van een zoveelste Dour of Pukkelpop, geen concertkaartjes die al maanden op voorhand boven je bureau hangen. De indierock uit onze jeugd verdween weer tussen de plooien van de muziekgeschiedenis. Concertkaartjes staan tegenwoordig op onze telefoon. De wereld veranderde, de muziek veranderde mee. De vroegtijdige nostalgie maakte weer plaats voor urgentie, voor boosheid, voor een echt uitbundig feest. Aan de ene kant stonden Shame en Idles klaar om van de ketting gelaten te worden, aan de andere kant ontploften elektronicafestivals als Horst en Listen. Mac DeMarco slofte binnen met in de ene hand een kop koffie en de andere een sigaret. Kevin Parker ging van langharig werkschuw tuig naar hippe producer.
Een deel van mijn generatie omarmde ook die nieuwe genres, kweekte ander luister- en uitgaansgewoontes. Andere bleven gewoon de helden uit hun jeugd koesteren en lieten zich vooral meeslepen door de rest van het Leven dat zou volgen. Muzieksmaken versplinterden, nooit meer kwam het gevoel terug dat je met z’n allen dezelfde muzikale ontdekkingstocht aan het maken bent. Er bleek nog zoveel meer, er bleek nog een hele muzikale toekomst open te liggen. Dat is evenzeer spannend. En ook een beetje jammer, een gemis voor op een melancholische avond.
Hoe zou het nog zijn met ons, met mijn vrienden en ik, die klas? Ik hoop dat ze af en toe nog eens de indierock van toen opleggen en zich die mooie zomer van 2011 herinneren.
The xx speelt als headliner op Werchter op vrijdag 3 juli.



