Je plaat Cutthroat noemen? Dat moet je verdienen. Daar wek je verwachtingen mee op: over rebellie, verzet, agressie. Weet je waar je dan niet mee moet afkomen? De middelmaat.
Want dat is Cutthroat, de vierde plaat alweer van het Britse Shame: matig. Niet per se slecht. Ook niet uitzonderlijk goed. Gewoon een matige, doordeweekse rockplaat. Een in de lijn der verwachtingen na voorganger Food For Worms (2023). Maar laat matig nu eens alles zijn wat Shame niet was. Wat de (post)punkscene waar zij uitkomen niet is. Het debuut van Shame, waarvan de leden in 2018 nog nauwelijks van de schoolbanken waren, was een en al puberale branie. Ze waren niet de meest belezen band, niet de meest ernstige of die met het meeste visie. Idles had de levenservaring, de politieke visie en anthems, Fontaines D.C. de poëtische teksten en tegenwoordig zelfs de swag, The Murder Capital de arrogantie. Maar Shame had het meeste plezier. Opvolger Drunk Tank Pink was zoeken, maar op de beste manier. De plaat had wat tijd nodig, maar hun zoektocht was spannend. Het was covid, we moesten allemaal aan de existentiële problemen. En je leefde mee met deze liveband pur sang die nu opgesloten zat in lockdown. De songs waren donkerder, meer post-punk en met een rauwe rand. Een overgangsplaat, dachten wij nog.
En toen? Toen leek de band wat uitgespeeld. Food for Worms moest blijkbaar volwassener, met meer ernst, een visie en een Echte Producer – Flood. Meer bespiegelingen over het eigen leven als twintigers, meer rocksongs. We hebben de plaat geprobeerd, en na hun laatste optreden in de AB – feestje, dat wel – nooit meer uit de kast gehaald. De groep verdween wat van onze radar. Nu is er dus Cutthroat, opnieuw gemaakt met een producer met Grammy’s op de schouw (de Amerikaan John Congleton). “It’s about the cowards, the cunts, the hypocrites” zegt frontman Charlie Steen. Moesten wij Elon Musk zijn, wij maakten ons geen zorgen als dit de sound van het verzet moet voorstellen. Single, titelnummer en openingsnummer “Cutthroat” heeft wel een “ motherfucker” in de tekst zitten en een baslijn die er mag zijn. Maar deze kruising tussen Blur en jaren nul meet me in the bathroom-achtige indie is al snel te slap voor een feestje, laat staan de revolutie.
“Cowards Around” wil op een oppervlakkige manier iets zeggen over lafaards, proteïneshakes en – uiteraard – onze corrupte politici, maar durft zelf niet echt door te pakken, op de verstopte sneer “Cowards are people who like people like me” na. Pas met “Nothing Better” schiet deze plaat uit de startblokken. Muzikaal is dit het meest vinnige bommetje dat Shame in tijden gedropt heeft, maar “You’re always doing nothing/ It’s because there ain’t nothing better to do” als een refrein? Ongetwijfeld kwelen we het binnenkort in een concertzaal weer bezweet mee, maar op plaat valt deze poging tot oneliner dood. En als je eerste single dat legendarische “I’d rather be fucked than sad” had en opende met “My nails ain’t manicured/ My voice ain’t the best you’ve heard/ And you can choose to hate my words/ But do I give a fuck”, dan is dit wat mager als intentieverklaring.
Nadat wij nog eens teruggezapt hebben naar dat heerlijke “One Rizla”, beginnen wij er toch terug wat in te komen. In het hart van de plaat is Cutthroat best een genietbare rockplaat die zonder groot te vernieuwen toch eigen accenten legt. “Plaster” duikt onder en haalt dan weer uit, in “Spartak” hoor je Steen zijn kenmerkende sneer nog eens. Hier is dat arrogante Britse knulletje weer dat wij zo graag zien. “Lampião” is raar met zijn Zuid-Amerikaanse vibes, je snapt het niet allemaal maar er gebeurt tenminste iets. “Screwdriver” schiet met scherp. Hier hoor je een band die het verschil wil maken en daarvoor met plezier iets uit de gereedschapskist in je oog wilt planten.
Aan het einde gaat het schip toch weer zwalpen. “After Party” is vooral voorbij banaal. “And didn’t you know?/ That after the show there’s an after party?” Dat weten wij, thank you next. “Packshot” had met zijn subtiele dreiging onder je huid kunnen kruipen, ware het niet dat de uitbarsting plat klinkt en het nummer uiteindelijk in straatje “nergens” eindigt. “Axis of Evil” wil pop zijn, maar is vooral heel weinig. Misschien volgende keer toch die Grammy’s negeren en gewoon voor iets rauws gaan, jongens?
Zijn we te hard fan van de punk/puberale Shame en de herinnering aan vroeger om de (pogingen tot) een poppy/volwassenere sound te smaken? Misschien. Zal Shame het komende jaar weer podia overal in brand steken? Ongetwijfeld. Maar op plaat beklijft het toch allemaal niet. Daarvoor passeren de teksten voor je er oog in hebt en de lyrics die wel blijven haken doen dat om de verkeerde reden. De riffs schieten in het rond maar raken nauwelijks iets. En de songs die je toch bij de lurven hebben, moeten nu eenmaal opboksen tegen de grote hoeveelheid bommetjes die van hun eerste twee platen zo’n muzikaal mijnenveld maakten. Geen enkele rockfan zal zich echt ergeren aan Cutthroat, maar blijven hangen doet het ook allemaal niet. Laat staan dat ze zoals Idles echt met een nieuw klankenpallet beginnen schilderen (TANGK) of voluit voor die divisie hoger gaan zoals Fontaines D.C. (Romance). Shame trappelt met hun vierde plaat ter plaatse, terwijl het terrein dat ze met Food For Worms hadden proberen claimen al niet zo vruchtbaar was. Zo kom je natuurlijk niet ver.
Zesjescultuur noemen ze dat zeker?




