“I love you, I love you, I told you I do”, zong Grian Chatten van Fontaines D.C. zijn vaderland toe in een niet mis te verstane opsomming van alles wat mis is in Ierland. David Balfe doet met For Those I Love niet aan cynisme, hij is gewoon écht kwaad. Tweede plaat Carving The Stone werd een razende state of the nation die niettemin ook gewoon uit liefde voortkomt.
Natuurlijk kon Balfe niet gewoon door. Dat onverwachte debuut was een imposante gedenksteen na de zelfmoord van zijn beste maat, de dichter Paul Curran; dat soort verdriet blijf je niet herkauwen. Het enige wat hij kon doen, was de blik naar buiten wenden, verder uitwerken wat “Top Scheme” op die plaat was begonnen: een ziedende kritiek op de Ierse maatschappij brengen, een beeld van het uitzichtloze working class-leven in Dublin.
In “No Quiet” en “The Ox/The Afters” krijgen we zo schetsen van personages aan de rand, mensen die de kletsen van het leven zo goed en zo kwaad mogelijk probeerden te incasseren. Maar Balfe wil meer dan zomaar tonen. Een scherpe politieke analyse krijg je niet in een popsong geperst, maar je kunt op zijn minst proberen.
Het zit hem in dat “I get it, I do” uit “No Scheme”. Hij snapt het wel waarom zijn vrienden zich gek laten maken door opruiende WhatsApp-groepen, Facebook-complottheorieën rond immigratie. Tegelijk maakt het hem gek van woede, hoe zijn land zich laat opnaaien op aansturen van geslepen raddraaiers. In duister hoogtepunt “Mirror” vat hij het helder samen: “Reprobate, ethnostate, modern nationalist cunts / They manipulate young workers and then neglect them when done.” En opdat iedereen het zou begrijpen, zet hij het met een dreunende beat en een ziedend “Cunt! Cunt! Cunt!” nog wat kracht bij.
Kort samengevat, en terug naar “No Scheme”: “Don’t ask me again what man I’m forced to have hate for.” Maar dat hij het dus begrijpt. Hij leeft ook in dat Dublin dat al jaren onbetaalbaar is geworden omdat het wordt overgenomen door het techno-feodalisme van de techbro’s – “bankrupt yourself to stay where you belong” – ook hij ziet hoe elke verkiezing opnieuw het dezelfde twee partijen zijn die de macht verdelen, elk nieuw alternatief buiten houden.
En dus blijft hij voortploeteren. “Carving the stone”, zoals de Ieren zeggen. Omdat er geen alternatief is. “Remember me with a Sisyphus smile”, gaat het cynisch in “This Is Not The Place I Belong”, en je merkt hoe zijn dictie niet langer dat gezapige van The Streets heeft van op zijn debuut. Hoe hij hier vertelt, is verbetener; met permanent nijdig geklemde kaken. En ook muzikaal zitten we hier op ander terrein dat teruggrijpt naar het hardste, en grauwste van toen; het Burial-meets-grime-spookhuis waarin scherpe synths, grillige gitaarlijnen, en drums die alle kanten uitschieten om elke hoek liggen. De manier waarop de beats en blieps hem overwoekeren in de openende titeltrack, als wordt het doek opgetrokken na een zinderende proloog, is overrompelend.
Maar hoe goed Carving The Stone op dat vlak is, het blijven de teksten waarvoor je blijft luisteren. Balfe is het soort dichter die je bij je nekvel pakt en dwingt om te citeren. Hij heeft een oor voor ritme, en woordspel, voor wat bijt: “Depressed and depleted, and half sedated / How many of us are miseducated?” En soms is niet meer nodig dan twee woorden, zoals in “Civic” – het gaat nog eenmaal over de jaren met Curran – waar alles culmineert in een furieus “I existed”; het hamert erin als een klap in de maag.
Dit is geen album dat je vrolijk achterlaat, meer een intense rit door groezelige buurten, met Balfe als chauffeur die je gezicht met plezier nog wat dieper in de shit duwt. “The only ones I have ever loved / All live within this neighbourhood / Sometimes they press the steel to me.” Maar dat verkiest hij nog altijd, klinkt het in “Mirror”: “If I’m going to bleed, then make me bleed with a blade that I can see.” Het is die machteloosheid die het hardste aankomt. “I tried to tear down the system / Screamed at whoever would listen / Tried to pay for provisions / With just the words that I’d written / Now I’ve made my decisions / I just pray I’m forgiven / And I’m mourning a place I’ve never left.” Want daar gaat het dus om: dat Dublin waar zelfs zijn inwoners zich niet meer welkom voelen: “How can you thrive, and raise a child / On a 9 to 5 in this city?”
Hij komt uiteindelijk toch uit waar ploeteren doorgaans uitkomt, maar in het licht van die vorige plaat en Currans lot klinkt dat “I am choosing to live” nog poignanter; geen vingerwijzing, wel een rug rechten. En omdat dit nog altijd Iers is, eindigt het in een triomfantelijke finale, vol fiedel, doedelzak en drums. Want er is altijd nog die muziek, dat kloppende hart.
Alsof ook Balfe niet anders kan dan toegeven aan dat Eire: I love you, I do.




