IDLES :: Crawler

Vijf jaar, vier platen. IDLES doet wat het moet doen, omdat het dat moet. En dat moeten, dat is: zoeken. Op Crawler probeert het Britse vijftal een oude mantel af te schudden, maar wat de nieuwe kleren moeten worden is nog niet helemaal duidelijk.

“De recensenten hadden het niet mis, ik had het mis”. Kijk, dat vinden we nu eens sportief, een artiest die zelf die evidentie toegeeft. Want neen, Ultra Mono, de derde van IDLES was inderdaad niet de gedroomde opvolger voor doorbraakalbum Joy As An Act Of Resistance. Joe Talbot zat in het defensief, brulde dan maar wat in het rond – vooral in de richting van de critici, en sloeg zo de bal al eens mis. De uitleg vandaag? “We maakten van IDLES een karikatuur, zodat we het vervolgens de nek om konden wringen.”

Het zal wel.

In elk geval probéért IDLES op zijn vierde plaat, een dik jaar later, iets anders. Opener “MTR 420 RR” flirt zelfs even met de basfrequentie en de dreiging van Massive Attacks “Angel” vooraleer het één van de spannendste nummers uit het oeuvre van de band mag worden. Net omdat de explosie die je elk moment verwacht niet uit de elektronische onderlaag raakt, sleurt Talbot je dieper en dieper in dat duistere moment, jaren geleden, dat hij bijna een dodelijk auto-ongeluk veroorzaakte. “It was February, I was cold and I was high”; het klinkt zo onheilspellend als het toen moet zijn geweest.

En zo zijn er nog wel schijnbewegingen te vinden op Crawler. Het meest besproken is “The Beachland Ballroom”, waarin IDLES speelt met soulelementen. Natuurlijk is het geen echte soulsong, dit blijft IDLES, maar je herkent de typische Stax-stootjes, de baslijnen. Het resultaat heeft gek genoeg vaag iets van wat postrockband Apse vijftien jaar terug deed op Spirit, en “Car Crash” leunt met zijn logge, dreigende atmosfeer zelfs wat tegen post-metalsferen aan.

Het is een begin van vernieuwing, maar te vaak trappelt Crawler toch nog altijd op dezelfde plek als het al vier jaar doet. “The Wheel” is een meeslepende song over Talbots drankzuchtige moeder en hoe zo’n genetisch pakket een vloek is, maar dat “Can I get a hallelujah”-refrein is té IDLES. Hetzelfde gaat op voor het funky “The New Sensation”. “Shake your tiny tooshie like you don’t give a shit”, brult Talbot, en op één of andere manier kan Brits begrotingsminister Rishi Sunak – een Thatcheriaanse eikel zoals ze bij de Tories van de lopende band rollen – die in zijn zak steken.

Soms werkt dat nog altijd geweldig. “Crawl!” is een beest van een song, met een baslijn die doorstoomt als een buffelstampede, in “Meds” speelt de band op zijn sterkte, met als enige punt van kritiek: dit is meer van hetzelfde, net als “King Snake” dat helemaal volgens de klassieke formule is gemaakt. “Kelechi” en “Wizz” – Talbot die een halve minuut lang sms’en van zijn voormalige dealer brult – maken deze plaat nodeloos lang.

En toch. “In spite of it all, life is beautiful” zingt Talbot in afsluiter “The End”, en misschien is dat wat we van Crawler moeten onthouden: na die miserabele derde zit IDLES opnieuw goed in zijn vel, en dat is zo te horen ook creatief beter. Op zijn best is deze plaat het geluid van een groep die spartelt om uit haar keurslijf te raken. Het wringt, het gaat niet vanzelf, maar het wijst op veel vitaliteit. Schrijf IDLES dus nog niet af, met wat geluk wordt het op een volgende plaat nog boeiender. “Jesus loves a tryer”, indeed.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 × 1 =