Neil Young :: A Letter Home

Neil Young, de man die maniakaler dan om het even wie met geluidskwaliteit bezig is, is in de meest primitieve opnamestudio aller tijden gekropen en met een plaat naar buiten gekomen. A Letter Home heet dat kleinood. Het is een pareltje.

Van Neil Young kan alvast niet gezegd worden dat zijn carrière er met de jaren minder interessant op wordt. De Canadees-Californische hippie wordt dit jaar 69, maar heeft de drive van een 19-jarige. Er is de ecologische auto waar de man onverdroten aan blijft sleutelen. Nog dit jaar moet een tweede autobiografisch boek verschijnen. Er waren relatief recent twee platen met Crazy Horse, de band waarmee Young deze zomer opnieuw op tournee trekt en de muzikant stak, mogelijk tegen beter weten in, krankzinnig veel tijd en energie in Pono, een systeem dat mp3’s naar het geluidsniveau van vinyl moet tillen.

En oh ja, Neil Young is op bezoek geweest bij Jack White in Nashville. White, nog zo’n muzikale maniak, is immers een van de weinige mensen op deze planeet die nog een Voice-O-Graph in huis heeft, een machine die misschien nog het best te omschrijven valt als een soort photobooth, maar dan om vinylsingletjes te maken in plaats van pasfoto’s.

In die Voice-O-Graph is Neil Young elf nummers komen zingen. Niet zomaar om het even welke songs, maar liedjes uit het Grote Songboek: vaak vergeten juweeltjes, enkele klassiekers ook. Erfgoed voornamelijk, soms Amerikaans, maar net zo goed Iers, zoals blijkt uit de wonderschone vertolking van Bert Jansch’ “Needle Of Death.”

En ja, geen twee jaar na Americana, dat heus niet zo tegenvalt als aanvankelijk vermoed werd, heeft Neil Young daarmee opnieuw een coverplaat gemaakt, zij het dus eentje die geheel anders van opzet is. Meer basic dan dit kan muziek immers niet worden: een, Pono-geluid of niet, krakkemikkige opname van een man en zijn gitaar. Af en toe wordt een mondharmonica bovengehaald en in enkele nummers laat de eigenaar van de liedjeskabine zich verleiden om wat op een piano te tokkelen.

A Letter Home, dat ervoor zorgt dat “Will To Love” van het onvolprezen American Stars ‘n Bars als een stukje hi-tech klinkt, is een album als een schetsboek, waarin de grootsheid van After The Gold Rush en Harvest sluimert. Youngs saloonpianospel in “Reason To Believe” roept herinneringen op aan “’Till The Morning Comes”, terwijl echo’s van “Out On The Weekend” doorschemeren in “Changes”.

Hoezeer Bert Jansch met “Needle Of Death” een pracht van een song geschreven heeft, blijkt pas nu, bijna een halve eeuw nadat de auteur het origineel opnam, uit de interpretatie van Neil Young. Waar Jansch een bijna zeemzoete folksong brengt, serveert Young een pijnlijk relaas dat recht naar de keel grijpt.

Ook wanneer Neil Young zich aan echt bekend werk waagt, kan hij gerust wedijveren met andere vertolkers van de songs. Zijn “If You Could Only Read My Mind” hoeft niet onder te doen voor de versie van Cash en als een Heart Of Gold-mondharmonica weerklinkt om “Girl from the North Country” te laten schitteren, vloekt ergens Zimmerman zachtjes.
Bruce Springsteens “My Hometown” blijkt nog zo’n song die gediend is bij een uitgeklede aanpak. Willen of niet, wanneer Young over de stad in kwestie zingt, sta je er plots, ook al is het dan niet dezelfde fysieke plaats.

Dit is primitief, maar daarom net zo doeltreffend. A Letter Home roept beelden op van freight trains in een langzaam voorbijglijdend landschap, van majestueuze wouden tot stoffige woestijnen en de Amerikaanse roadromantiek van Jack Kerouac, Woody Guthrie en Christopher Wilson. Met op de achtergrond een transistorradio waarop Young Willie Nelsons “On The Road Again” vertolkt, waarop de dj, zelf onder de indruk van de kwaliteiten van de song, beslist om de rest van de plaat er maar helemaal achter te gooien. Tot onze grote vreugde.

Neil Young gooit het deze zomer alweer over een heel andere boeg en staat met Crazy Horse op 5 augustus op de Lokerse Feesten.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

2 × vier =