The Afghan Whigs :: Do To The Beast

“Wat het was, is niet wat het nu is”, liet Greg Dulli al weten in zijn eerste interview over Do To The Beast, de nieuwe plaat van Afghan Whigs na zestien jaar stilte. Dat is ook zo, en het is belangrijk om dat in gedachten te houden. Nu de grote verslavingen zijn uitgezweet en de frontman over zijn seksuele piek is, klauwt en bijt zijn grondig hertimmerde groep nog slechts bij momenten. De zevende plaat van de soulgrungeband — een lelijk maar waar woord — is een wisselvallige terugkeer die desondanks vertrouwd aanvoelt. Misschien zelfs té vertrouwd.

Usher. Of all people moest het Usher zijn die ervoor zorgde dat Greg Dulli opnieuw zin kreeg om een Afghan Whigsplaat te maken. Maar zo is het gegaan. Na de onverwachte en goed onthaalde reünieconcerten van 2012 was het een optreden, samen met die R&B-ster, dat hem het idee gaf om zijn toenmalige groep ook op plaat een tweede leven te gunnen. Zonder gitarist Rick McCollumn, die “persoonlijke problemen” uit te zweten heeft, maar met een keure gasten die zijn weerga niet kent. Welke plaat kan er immers op bogen dat hij niet alleen Joseph Arthur én Alain Johannes én Dave Catching van Queens Of The Stone Ages in de credits heeft, maar ook Johnny ‘Natural’ Najera, het muzikale brein achter tal van Ushers wereldhits? Een nieuwe van Afghan Whigs dus? Mwoa. Het is geen Twilight Singers, maar zo goed als de band in de jaren negentig als trio werkte is het ook niet. In de plaats daarvan kwam een soort degelijk vakmanschap. Ook goed, maar met minder charme.

Ook zestien jaar na de laatste Whigsplaat valt er immers weinig af te dingen op Dulli’s songschrijfkunsten. Nog steeds weet niemand de sfeer van een film noir in noten te vangen zoals hij doet in “Lost In The Woods”, een over omineuze pianotoetsen voorzichtig openbloeiende trage. “Shot On Location”; die cinematografische opmerking staat niet voor niets vermeld in het cd-boekje, waar een minder groepje het banale “recorded at… studios” zou gebruiken. Pretentie? Het is gewoon de waarheid. Luister naar het begin van “Can Rova”, alweer zo’n filmisch moment. Man en vrouw gaan een eindje rijden, laten iets onuitgesproken tussen hen in hangen en dan gaat het mis. Pure film in nog geen vier minuten gecondenseerd.

Natuurlijk is ook de rockband Afghan Whigs aanwezig. Niet meer met die opjuttende riffs van het Gentlemen van weleer, maar net zo goed opwindend. In opener “Parked Outside” bijvoorbeeld, dat de deur kortaangebonden intrapt; geen doekjes, geen voorzichtig begin, maar meteen naar de essentie. Het is de terugkeer in feit neergezet, zonder schroom. Broeieriger is “Royal Cream”, waarin Dulli kreunt “I know you’re sleeping with another demon” en de drums en bas samen iets krachtigs doen dat we al veel te lang niet meer hebben gehoord. De frontman vindt er van de weeromstuit zelfs zijn hysterische uithalen van terug in de finale. Het is Afghan Whigs op zijn meest vertrouwd.

Het is de thematiek die ook Do The Beast bekend doet voelen. “Allow me to illustrate how the hand becomes the fuse”, gaat het in “Parked Outside”. Seks en lust en een hoop bekentenissen ter zake: ziedaar nu al meer dan twintig jaar de thematiek van Afghan Whigs. Kan het nog boeien? Niet in het geval van afsluiter “These Sticks”, zo’n lange sleper die spanning wil suggereren. Al hebben we dit soort opbouw een keertje te veel gehoord van deze groep. Vooral van deze groep, nu we er over nadenken.

Hebben we nog: single “Algiers”. Niet slecht, maar dan op een “vierde single van Gentlemen-niveau”: géén “Debonair” of “Gentlemen”, ook geen “Be Sweet”. Toch: valt mee, zo na anderhalf decennium. Van Stone Temple Pilots verwachten we zo’n comeback alleszins niet. Maar wie wel? Soit, “Matamoros” is wel smullen. Strakke riff, Dulli die op de juiste momenten in versnelling gaat, gitaren die weten wat ze moeten doen. Een opjuttend gierend bruggetje afleveren, bijvoorbeeld.

Twijfelgevalletje dus, deze nieuwe Afghan Whigs. Dat het geen second coming is, daar hadden we niet op mogen rekenen. Do To The Beast is vertrouwd, nergens minder dan oké, maar de plaat weet ook het nekvel niet te pakken zoals Suede dat met Bloodsports — een gelijkaardige comebackplaat — wel kon. Dulli blijft een top-songschrijver, maar heeft net als zijn nieuwe band het vuur van vroeger niet meer. “Wat het is, is niet meer wat het was”, dat is waar. Maar nog één keer de heftige riff die we gewoon waren, dat had wel gemogen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

10 − 4 =