Jack White :: Blunderbuss

Jack White heeft zijn eerste soloplaat gemaakt, praise Jezus! White, de man die de met The White Stripes
rauwe primitieve bluesrock opnieuw een plaats gaf in de playlist van vele radiostations, Allisson Mosshart liet hijgen en krijsen in
The Dead
Weather
en met The Raconteurs de
modder en het bier hoog deed opspatten op menig Europese en Amerikaanse festivalweide.

Het is dan ook met trillenden handen en hooggespannen
verwachtingen dat we de schijf in de lader schuiven. Een op- en
neergaande Fender Rhodesriff geeft in ‘Missing Pieces’ meteen de
aftrap aan drie minuten soulful grooven. Het is een goede
opwarmer voor ‘Sixteen Saltines’, een clusterbom van een rocksong
waarin White in stereo spitsvondige teksten rond donderslagen van
gitaarakkoorden drapeert. Deed ons heel hard denken een van Whites
vroegere bands, met name die waarin dat ietwat vreemde meisje
drumde. Ja, die met dat rood en wit, dat hebt u goed geraden.

In ‘Freedom at 21’ rommelen verdwaalde trommels quasi uit de
maat tegen de rest van het instrumentarium aan. White bezingt er
een meedogenloze vrouw die hem bij de ballen heeft, waarop hij
wanhopig een machinegeweer van een gitaarsolo afvuurt op al wie
toevallig langskomt. Daarna gaat de wind wat liggen. ‘Love
Interruption’ drijft op wat akoestisch gitaargestrum, wat
orgelmelodieën en de stem van mevrouw Ruby Amanfu die op een
prachtige manier versmelt met die van White. Een riedeltje dat
kabbelt als een beekje en tegelijk een vreemde fabel over liefde,
messteken en moedermoord. “I won’t let love disrupt, corrupt or
interrupt me”, en we hopen van u hetzelfde.

Ook titeltrack ‘Blunderbuss’ is een zachte schone. Met een
arrangement van strijkers, akoestische gitaar, piano en contrabas
bewijst White opnieuw dat hij de grote uithaal niet nodig heeft om
raak te schieten. In ‘Hypocritical Kiss’ trekt hij die lijn nog
verder door. Bijzonder zijn de piano’s die van de linker- naar de
rechterspeaker naadloos in elkaar overvloeien. Dat spelen met het
stereobeeld is een constante in de plaat; we horen het bijvoorbeeld
ook in ‘Weep Themselves To Sleep’, een lied waarin de luisteraar
van beide kanten wordt aangevallen door sputterende gitaarsalvo’s,
als ware hij middenin een shootout terechtgekomen. De stempel van
een producer die zijn métier meer dan beheerst, laat dat duidelijk
zijn.

In ‘I’m shakin” krijgt een Rudy Toombs original een
nieuw fris jasje met oude ingrediënten als handengeklap en de
nodige ooh’s en aah’s. Daarna komt de mot er wat in. ‘Trash Tongue
Talker’ heeft een fijn boogierefreintje, maar blijft uiteindelijk
wat hangen in the middle of the road. In ‘Hip (Eponymous)
Poor Boy’ rekent White vrolijk af met hipsters, maar de song blijft
net als ‘On and On and On’ niet heel erg lang boeien. Afsluiten
doen we in stijl met ‘Take Me With You When You Go’, een lied dat
overloopt van de clevere wendingen, een muzikale collage zo u wil,
en een zeer geslaagde.

Anders dan we van White gewoon zijn, krijgt de elektrische
gitaar geen prominente plaats op deze plaat. Meer nog, op zowat de
helft van de nummers komt ze zelfs helemaal niet aan bod. De
occasionele gitaarsolo waaiert niet uit en reikt zelden verder dan
enkele vakkundig aan elkaar geknipte licks. Qua genre schippert de
plaat tussen soul, country, (garage)rock, blues en hier en daar een
toefje folk. De nietsontziende wreedheid van de femme fatale en de
machteloosheid tegenover de grillen van de liefde zijn centrale
thema’s. Dat White onlangs gescheiden is, heeft daar volgens hem
weinig mee te maken. Ex Karen Elson mocht zelfs meezingen op enkele
nummers.

Origineel is het allemaal niet en u zult waarschijnlijk niets
horen wat u niet meent te herkennen, maar het is allemaal zeer goed
gedaan en tot in de puntjes afgewerkt. Vier sterren omwille van die
enkele accidents de parcours en omdat White binnenkort
vast weer vlotjes een vijfsterrenplaat uit de mouw schudt.

http://jackwhiteiii.com/

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf × 3 =