Best Kept Secret 2026 :: Hermetiek op de spoorwegberm

De geur van houtsnippers op modder, het aroma van verschaald bier. De vage zweem van sigarettenrook, en overal muziek. Chrissie Hynde zong het al, “we’re back on the chain gang”, en de eerste schakel van die ketting ligt in het Nederlandse Hilvarenbeek. De festivalzomer is begonnen.

Dag Een: Een hoofd als een tijgerbrood

Een gigantische tent die je al van verre ziet staan als je het terrein nadert: The Secret, het kleinste podium, is niet langer geheim. Iets verderop, waar ooit vintage kledij werd verkocht in een botsautokraam: een hangar, de langverwachte upgrade voor de immer uit zijn voegen puilende Casbah. Yup, Best Kept Secret is under new management, en dat hebben we gemerkt.

Voor deze elfde editie is hier en daar een likje verf aangebracht, een stoel verschoven, en zie: alles ruikt plots weer naar nieuw. Een affiche die opnieuw visie uitstraalt, dat helpt natuurlijk ook. Bovenaan strijden headliners als Nick Cave, Jack White en Gorillaz om uw aandacht, onderaan is het dringen voor de kleine namen die zich willen bewijzen als wissel op de toekomst. Ão hebben we door vertraging op de camping niet gehaald – al klonken die paar nummers die we hoorden van aan de ingang erg, érg mooi – maar Newdad vervolgens wel. En jongens, zijn die nog geen beetje gegroeid sinds we hen voor het eerst zagen.

Met drie gitaren heeft de indie flinke tanden gekregen, en dat potig geluid stáát dit vijftal. Wat vroeger wel eens al te flauw klonk, komt er nu mooi krachtig uit, met meer dan één hint van shoegaze. Zeker de vroege single “Blue” heeft iets van de stevige dromerigheid van Slowdive. “Heavyweight” heeft dan weer het soort echt refrein waar die “echt” noodzakelijk hoort als nadruk. “Sickly Sweet” klinkt onschuldig en aanstekelijk, alsof het opnieuw de jaren negentig zijn en gitaarmuziek gewoon dat mocht zijn.

Frontvrouw Julie Dawson laat vandaag ook nog eens horen wat voor goeie zangeres ze is. Altijd trilt een zweem Dolores O’Riordan mee – dat heb je nu eenmaal met Ieren – maar nooit vervalt ze in het uitbundige jodelen dat van de betreurde Cranberriesfrontvrouw soms zo’n grap maakte. Ze is blij ook, die Dawson. “Dit is zonder twijfel de grootste massa waar we in Nederland al voor gespeeld hebben”, glundert ze, en ze draagt “Pretty” aan ons op “omdat jullie dat zijn”.

Dat gitarist Sean O‘Dowd zijn haren als een soort gestreept tijgerbrood heeft geverfd is bedenkelijk. De rest van de band weet dat ook. Off with his head dus, of toch een poging met een erg puike, maar misschien net iets te letterlijke cover van “Heads Will Roll” van Yeah Yeah Yeahs. Het is fijn, maar ook een tikje te geleend. Dan liever een “Angel” dat laat horen hoe goed gerodeerd de band is na een paar jaar intensief touren. Je merkt het ook aan de manier waarop Dawson ’technical issues’ opvangt vooraleer die eindeloze intro dan toch tot een mooi “Kerosene” kan leiden. En weg zijn ze alweer, met de eerste “Free Palestine” van de dag. De festivalzomer is gank.

En al zeker wanneer YĪN YĪN vervolgens het hoofdpodium van de One mag openen. In de verte hoorden we daarstraks DJ St. Paul nog toepasselijk “Steal My Sunshine” spelen op deze druilerige eerste dag, maar deze band uit Maastricht pakt elke straal zon die ze kunnen krijgen. Die twijfelt nog tussen waterig en brandend, maar past perfect bij deze postzegel van psychfunk die we zoals altijd graag op de tong laten smelten.

Vorig jaar sloten ze het festival nog af en vandaag mogen ze ter vervanging van Femi Kuti het hoofdpodium openen. ”Laten we gaan dansen”, zegt frontman Erik Bandt en “Yatta!” vanop het gelijknamige nieuwe album volgt fluks. De wei staat indrukwekkend vol voor een band op dit uur en gaat ook vrolijk los. Er ontstaan zelfs iets wat we als circlepits zouden omschrijven indien dat mag betekenen dat mensen in een cirkeltje beginnen huppelen alsof “’t Smidje” een polonaise inzet. De sfeer zit met andere woorden helemaal goed. Drummer Kees is jarig en krijgt een spontane zangstonde van het publiek, verderop in de show – op een moment dat de band het podium verlaat – mag hij een voor een zijn cimbalen laten zien. Dat is geen schunnige beeldspraak, maar letterlijk te nemen. Onder begeleiding van een minimale drumcomputerbeat schudt hij vervolgens een drumsolo uit zijn mouw waarna de groep weer opkomt en het feest wordt verdergezet.

Vrijvormelijk funkt de band zich verder doorheen hun steeds uitdijende oeuvre, duikelt van de ene groove in de volgende en is niet bang om er op welgemikte momenten een scheutje indiesleaze-synths door te mengen. ”One Inch Punch” had chutzpah, ”Takahashi Timing” kwam net op tijd en “Disko-Disko” was niet alleen goed gepikt van Donna Summer, maar ook de afsluiter van deze fijne set. Tel dat allemaal op en je komt tot een goede show zonder meer.

Compleet andere koek dan wat Sudan Archives ons daarna in de TWO serveert. Brittney Parks staat helemaal alleen op het podium maar ze heeft wel de présence van een volledige band. Met helblauwe gekleurde lenzen in haar ogen en een spandex catsuit waar David Bowie jaloers op geweest zou zijn, wisselt ze af tussen de toetsen, percussie en een viool die ze omgordt als een amazone haar pijl en boog. Ze loopt, danst en kruipt over het podium, twerkt tegen haar synth en is niet te beroerd om een aardig potje mee te rappen.

Hier staat met andere woorden een powerhouse van een vrouw, een multitalent. Maar ook die kunnen niet alles op hun eentje doen. De hele show is minutieus getimed en volledig in sync met de achtergrondtape die noodzakelijkerwijs meeloopt. De bewegingen op het podium, de steelse blikken, allemaal vallen ze nét op het juiste moment in de muziek. Een spektakel als dit vraagt om een indrukwekkende voorbereiding, maar het gevaar is dat het dan ten koste van de spontaneïteit gaat. Dat vangt Parks slim op door een dame uit het publiek tot danseres op het podium te promoveren. Mooi om te zien dat die nieuwe danseres vervolgens ook haar moment helemaal pakt. Op de juiste momenten kreeg Sudan Archives de tent in de fik, maar in zijn geheel was het nét iets te arty hermetisch om helemaal binnen te komen.

De wereld mag misschien te kampen hebben met een overvloed aan nonsens, het zal Curtis Harding allemaal aan zijn reet roesten. “Best Kept Secret. What’s up? We’re gonna get into it”, klinkt zijn gortdroge introtekst. Bovendien is het geen leugen. “Out In The Black” trapt een uurtje lekkere oldschool soul af. Wat Harding brengt, klinkt als een mengeling van Black Pumas en een productie van Daptone Records, en hij heeft een coole band bij: een toetsenist, een bassiste met Adidas trainingsjack voor wie het adjectief ‘stoïcijns’ is uitgevonden, een drummer met grijze afro. De vreemde eend is de ritmegitarist met een Liam Gallaghercomplex 0 groene parka en modkapsel incluis. Zelf houdt Harding het op een zwarte beanie en dikke zonnebril op de neus. De band staat lekker los te spelen en werkt zich door een mix van soul, funk en gospel zoals het recente en speelse “There She Goes” of het lieflijke oudje “Need Your Love”. De tegenstelling met Sudan Archives’ strakke show kan niet veel groter zijn.

“Is everybody wet?”, vraagt Harding halverwege met een vettige grijns. Het is immers beginnen regenen en zal daar ook niet meer mee ophouden voor de rest van de show. Het is eigenlijk het enige minpunt aan dit sterke optreden. Gaandeweg vallen er uiteraard meer gaten in het publiek, maar de grote meerderheid blijft koppig staan en genieten. Zelfs voor een meezing en -klapmomentje tijdens “I Won’t Let You Down” zijn we nog niet te beroerd. Rotweer, topshow.

Door de wind, door de regen stommelen we even van schuilplek naar schuilplek. De eerste stop is meteen de beste, want heremejezus, wat is de Rimini Express een heerlijk dansfeestje. “Utrechts gevaarlijkste collectie aan 80’s disco en Italiaanse cheese” wordt de dj al eens aangekondigd, en daar is geen woord van gelogen. Op The Floor last hij underground classics als “I Need Your Love” van Midnight Passion aan Nederlandstalige evenknieën tot geen been onbewogen blijft, en elke regendruppel die toevallig in de buurt is als vanzelf verdampt. En dat die laatste plaat even skipt? “Hét bewijs dat deze man enkel vinyl draait”, zoals host DJ St. Paul terecht vergoelijkend afkondigt. Dan maar verder langs The Casbah waar het pokkevol zit voor Elmer. Dus dan maar wéér verder tot we aan het andere eind van het terrein in The Secret op MAVI stuiten. Twee hiphopklassiekers van platen heeft hij volgens zijn bio onder de gordel zitten. Wij horen het niet, en vangen dan maar de lange mars terug aan.

Het lijkt qua hiphop ondertussen niet te vlotten hier, want De La Soul lijkt aanvankelijk maar een flauw afkooksel van zichzelf, nu de groep sinds het overlijden van David “Trugoy” Jolicoeur tot een duo is herleid. Het is vooral veel gelul dat Kelvin “Posdnuos” Mercer en Vincent “Maseo” Mason heen en weer schieten, maar echt een flow krijgen we niet. Dat ligt deels aan een man vooraan die al snel een toeval krijgt, en de rapper en de dj van slag brengt, maar ook wel aan henzelf. Voor goeie songs is het wachten tot diep in de set, wanneer in sneltreinvaart de fun, de hits worden afgevuurd.

En ja, dan wordt het dus toch nog een beetje leuk. “Ring Ring Ring (Ha Ha Hey)” is het begin van een laatste kwartier dat eindelijk hiphoppret levert. Van puur plezier weeft Maseo er flarden “Like A Virgin” doorheen, vooraleer de prangendste kwestie ter sprake komt: welke dag is het morgen? Jawel: “A Rolling Skating Jam Named ‘Saturdays'” is al op het appel. En hé, daar is al snel ook “Me Myself And I” al even fluks achter aan gegooid. Waarna we nog maar eens met “party people!” worden aangesproken, en in herinnering gebracht dat “our brother Dave” hen bijblijft. “We will always be that magic number.” We horen Trugoy “The Magic Number” zingen en dat is dat.

Jack White was altijd een van die namen die voor dit Best Kept Secret een evidentie waren. Het was meer een kwestie van wanneer dan of hij hier eens headliner zou zijn, een pure kwestie van sterren die even juist moesten staan. Dit jaar is het zover, en de man geeft wat van hem verwacht wordt: een onbeschaamde hardrockshow die van bij opener “Icky Thump” – het eerste van vele White Stripessongs – hoog in energie zit. Het meurt naar het moeras waar de logge gitaren van Black Sabbath groeien, grossiert in solo’s waar de blues uit walmt.

Van “That’s How I’m Feeling” – een feest van “Oohooh! Oh yeah!”’s – over “Old Scratch Bill” naar “Dollar Bill” is dit één lange stroom van kortaangebonden, vinnige gitaar. Het nummer doet er minder toe dan dat het een excuus is voor virulent gitaarwerk, heerlijk doorstompen en daveren. Tot White dan toch een akoestische gitaar pakt voor de verandering en “Love Interruption”, en we plotsklaps “Hotel Yorba” inhobbelen.

“Elon Musk is a nazi” is de herhaalde tirade aan het eind van alweer een razend gebracht “The Union Forever”, nog zo’n song van zijn eerste bandje. Het is alweer lekker, maar zo’n goeie drie kwartier ver in de set begint al dat beuken en tieren zijn tol te eisen. Een mens raakt er zo afgestompt van dat hij wil roepen “stop met slaan”, maar echt onaangenaam is het nu ook weer nooit. Zullen we nog eens van een prettige pandoering spreken? Wat anders, als White ons dan geen bindtekst waard acht, maar wel zomaar een “Steady, As She Goes” – Raconteursdrummer Patrick Keeler is dan ook van de partij – gunt en als uitsmijter zelfs “Seven Nation Army” bovenhaalt.

“Dat nummer is niet langer van mij”, heeft hij lang geleden schouderophalend aangegeven. En toch claimt hij het vandaag terug, door het van zijn voetbalstadionvibes te ontdoen. “Everybody!” maant hij aan, maar nog voor het publiek een tweede keer die chant kan inzetten, kaapt hij het moment alweer met een nieuwe smerige snarenaanval. Een kampeerstoeltje belandt op het podium, White gaat er doodleuk even in zitten vooraleer hij het ding de front in keilt. “I have been Jack White”, buldert hij ten afscheid. Daar was geen twijfel aan: zo is er maar één. Hier zal de grond nog drie dagen van natrillen.

Beeld:
Nadia Denys, Jan Van den Bulck, Tom Leentjes

verwant

recent

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in