Darius Jones Quartet :: Book Of Mae’bul (Another Kind Of Sunrise)

Darius Jones is een man met een roeping. Dat was al duidelijk vanaf zijn zwaar in de gospel verankerde debuutplaat Man’ish Boy (A Raw & Beautiful Thing) (2009). Het werd verfijnder uitgewerkt in het gezelschap van zijn vaste trio op Big Gurl (Smell My Dream) (2011) en krijgt nu een gepast einde in het bijzijn van een nieuw kwartet. Dat laatste kan ook niet wegsteken dat Jones een uniek componist en stilist is. Het doet deugd om te mogen vaststellen dat de belofte van dat debuut helemaal ingelost wordt met het slotdeel in een trilogie die boeit van de eerste tot de laatste minuut. Of toch bijna.

Tussen deel 1 en 2 van het autobiografische drieluik was Jones’ z’n actieradius aardig gaan uitbreiden, met o.m. noisejazzkwartet Little Women (Throat is nog altijd een van de meest viscerale platen die een modern jazzmuzikant opnam) en een duoplaat met Matthew Shipp. Nu is dat anders, want Book Of Mæ’bul (Another Kind Of Sunrise) – al opgenomen op het moment dat Big Gurl in de winkelrekken belandde (nu ja, hier en daar toch) – volgt na amper een half jaar. Verwerkten de voorgangers het leven van de jonge(re) Darius, dan wordt deel drie verondersteld om een samenvatting te zijn van de periode voor, rond en na zijn verhuis naar New York in 2005, en meteen ook een ode aan de belangrijkste vrouwen in zijn leven. Iets wat zich dan ook laat voelen aan de diepe sensualiteit die deze muziek soms overmeestert.

Maar meest opmerkelijk is dus dat het formaat is uitgebreid van een trio naar een kwartet. Reguliere speelpartners Jason Nazary en Adam Lane werden daarbij vervangen door ronkende ritmesectie Ches Smith (Secret Chiefs 3, Marc Ribot’s Ceramic Dog, etc) en Trevor Dunn (duiding overbodig). Dat terwijl er een joker wordt ingezet met pianist Matt Mitchell, die net als Smith deel uitmaakt van Tim Berne’s Snakeoil, maar ook al vaker opdook bij iemand als John Hollenbeck. Wat er ook van is; ook deze muzikanten zijn mee in het verhaal van Jones, waarin vrijheid en structuur nog steeds een dansje uitvoeren tussen de werelden van intellect en gevoel, al lijkt een eerste beluistering te suggereren dat de charmante aardsheid, nog zo sterk op het voorplan op Man’ish Boy, een iets minder prominente rol speelt.

Veel heeft daarbij te maken met de ongewone composities en opvallende sound van Jones. Stel hem centraal en die zingende, soms wat klagerige, nasale toon trekt steeds alle aandacht naar zich toe met een urgentie die je zelden te horen krijgt bij hedendaagse altsaxofonisten. Door hem tegenover een pianist te stellen lijkt het wel alsof de bluesrandjes en modderresten bijgevijld en weggeveegd worden. De muziek krijgt daardoor meteen een meer beredeneerde draai, vergelijkbaar met die van Mike Pride’s From Bacteria To Boys, waarin Jones uitgespeeld werd tegen pianist Alexis Marcelo. Soms sluit Book Of Mæ’bul dan ook meer aan bij Betweenwhile dan Big Gurl.

Het neemt echter niet weg dat hier glorieuze, bij het nekvel grijpende momenten te rapen vallen die nog maar eens benadrukken wat een uitzonderlijke positie Jones inneemt. Composities als de machtige opener "The Enjoli Moon", "The Fagley Blues" en "You Have Me Seeing Red" zijn niet te verwarren met andermans werk. Ook al gaat die eerste van start met fragiele pianoaanzetten, het is al snel het indringende saxwerk van Jones dat een draai aan het geheel geeft. Of in geval van "The Fagley Blues" opnieuw getuigt van een eigenzinnig gevoel voor timing, waarbij een duidelijk metrum steeds genegeerd lijkt te worden en ook nog eens benadrukt wordt door Smith’s vrije vormritmes en Dunns meer gestroomlijnde spel.

Zoals vanouds wordt ook mooi gespeeld met contrasten. Zo krijgt het kortste stuk, het speels springerige "Winkie" (een compositie die volledig klinkt zoals de titel doet vermoeden), een knappe tegenhanger in het daarop volgende "Be Patient With Me". Dat laatste nummer lijkt vaag te verwijzen naar "Forgive Me" vanop het debuutalbum en laat Jones op z’n meest emotioneel horen, met intens instinct en schreeuwerige uithalen. Die bijzonder sterke eerste albumhelft krijgt niet datzelfde vervolg tweede helft. Daar kent het struikelende "My Baby" naast enkele abrupte uitbarstingen ook een paar momenten waarbij de spanning een beetje zoek is, en zorgt de ballade "So Sad" ervoor dat het album een beetje gaat aanslepen naar het einde. Dat Book Of Mæ’bul een stuk langer duurt dan zij’n voorgangers heeft daar misschien ook toe bijgedragen.

De enige échte opmerking die er te geven valt, gaat over afsluiter "Roosevelt", waarmee teruggegrepen wordt naar het korte stuk dat de trilogie voor geopend verklaarde. Na een bonkende versie van het stuk, die de trieste breekbaarheid van het originele vervangt door een donker zwalpende wrangheid, gaat het kwartet immers over tot een (eerste echte) vrije improvisatie, waarbij vooral de nadruk op kleine geluiden gelegd wordt. Het had vast meer effect gehad als dit stuk opgenomen was in de buik van de plaat, want door het wat eenzaam achteraan te plaatsen en ook nog eens af te ronden via een fade-out van anderhalve minuut (met een verloren gelopen bliep op het einde) gaat veel van het effect verloren.

Dat puntje van kritiek kan echter niet voorkomen dat Book Of Mæ’bul (Another Kind Of Sunrise) het uitstekende slotdeel van een trilogie werd waar de jazzwereld op geregelde tijdstippen nog de mond van vol zal hebben. Het gebeurt immers zelden dat een jonge artiest zo zelfzeker en met zo’n unieke stijl aan de startmeet verschijnt. Onze "U hoort er nog van" van einde 2009 mag intussen dan ook vervangen worden door "We hebben iets buitengewoons meegemaakt". Wat een droomstart. Geen idee wat ons nu te wachten staat, maar we hebben er alle vertrouwen in dat het in orde komt. Darius Jones is een kanon van het heden en de toekomst.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

20 − negen =