Darius Jones Quartet featuring Emilie Lesbros :: Le bébé de Brigitte (Lost in Translation)

Was de entree van Darius Jones met Man’ish Boy (2009) al opvallend, dan werd de verbazing enkel nog groter toen duidelijk werd dat de man nog een paar knappe vervolgen uit de mouwen schudde. Een opgemerkt debuut werd zo een intrigerende reeks, en nu blijkt het ineens te gaan om een negendelige (!) cyclus. Met Le bébé de Brigitte belandt de man bij het middenluik, terwijl zijn visie nog steeds even uniek als intrigerend is.

Nog vreemder dan deel 4 — het vocale The Oversoul Manual — kon het moeilijk worden, en op dit nieuwe deel grijpt Jones terug naar zijn Quartet, met pianist Matt Mitchell, drummer Ches Smith en bassist Sean Conly, die Trevor Dunn vervangt (en voor één stuk vervangen wordt door Pascal Niggenkemper). Maar het opmerkelijkst van al is ongetwijfeld de komst van de Franse zangeres Emilie Lebros, thuis in vele muzikale werelden, van zang en performance tot theater en dans, en ook hier goed voor een fors deel van de bijzondere kruiding.

De menselijke stem en communicatie zijn al langer centrale thema’s en bekommernissen van Jones, die er vooral op uit is om ondanks verschillende werelden, achtergronden en persoonlijkheden, te mikken naar een harmonie die verschillen kan overstijgen. Dat hij samenwerkte met een Franstalige gast was niet evident en leidde hier en daar soms voor miscommunicatie, maar het zorgde er naar eigen zeggen ook voor dat de muzikanten nog omzichtiger met elkaar moesten omgaan. En dat hoor je ook aan het resultaat, dat bij momenten eigenlijk vrij traditioneel klinkt, maar tegelijkertijd beschikt over zo veel eigenaardigheden, verschillende geluiden en talen, dat het toch ook weer een eclectisch hoofdstuk geworden is.

Vanaf “Two Worlds, One Soul” krijg je het verhaal gepresenteerd van Brigitte (een verwijzing naar Brigitte Fontaine, de Franse schrijfster en zangeres die onder meer nog samenwerkte met het Art Ensemble Of Chicago), de moeder van D’Troy·t, die naar verluidt aan het woord zou komen in deel zes. Een nieuwe ‘stem’ dus, maar ook een muzikale omkadering waarin het instant identificeerbare geluid van Jones’ altsax een rode draad vormt. Gesproken passages en zang wentelen innig rond de instrumenten, soulvol en vanzelfsprekend, terwijl Smith en Conly zorgen voor een eenvoudig in elkaar klikkende, gedoseerde omkadering die de luisteraar door een bedwelmende droomzone leidt via theatrale uitspattingen, een paar surreële geluiden (Mitchells gebruik van Rhodes hier en daar draagt daar toe bij) en een breed stilistisch gamma.

Zo wordt het relatief ingetogen begin meteen gevolgd door twee hoogtepunten. “Chanteuse In Blue” pakt uit met een bluesy slingerende ritmesectie, terwijl Lesbros haar lijnen afvuurt als een krolse wijsneus. Noir met een cabarettwist, met een aangedikte theatraliteit en een mond die aan het spuwen, raaskallen, kirren, kermen en smekken slaat, terwijl de compositie uiteindelijk halt houdt bij een stukje, mja, hoe noem je zoiets? Sci-fi funk? En dan komt “Universal Translator” er nog aan, een prachtige aanleiding voor Jones om die altsax een emotioneel lied te laten zingen op een harmonieus rollende ondergrond, met een stijl die al net zo eigen en opvallend is als die van, pakweg, Henry Threadgill of Jemeel Moondoc.

De vervolgen zijn wat minder opvallend, en keren eerder terug naar de start. “Beneath The Sin (We Are Only One)” zoekt het ergens tussen chanson, smeulende ode en mystieke flair, maar is uiteindelijk te ongrijpbaar om zich zomaar te laten labelen, terwijl “I Can’t Keep From Weeping” een zoveelste knappe ballade van Jones is. Verrassend traditioneel ook na de koortsdroom van het voorgaande, met Lesbros deze keer echt in de rol van mijmerende chanteuse. Gestroomlijnd, maar toch valt ook hier op hoe intens Jones soleert.

Lesbros’ eigen compositie “Quand Vient La Nuit” laat even een ander geluid horen. Met het merkwaardige klankenarsenaal en manipuleren van Pascal Niggenkemper erbij, krijgt het meteen een ritualistische draai, terwijl het aanvoelt alsof Lesbros, die hier zelf ook piano speelt, een slaaplied voor zichzelf aan het oefenen is. Een stuk dat even intiem als theatraal aanvoelt met een stotterende en sputterende tweede helft, tot het abrupt wordt afgesloten door een schurende saxstoot. Een eigenzinnig slot voor een artiest die op alle vlakken bewijst een van de meest originele artiesten van de experimentele vleugel van de jazz te zijn. Of het nu gaat om zijn intense geluid, eigenaardige composities, de thema’s, keuze van muzikanten of zelfs het kleurrijke artwork van zijn albums: het maakt allemaal deel uit van een overkoepelend verhaal met een eigen logica en prikkelende verbeelding. En hoewel die niet voor iedereen weggelegd is, kan je die vastberaden exploratie van de mogelijkheden en onstuitbare dadendrang enkel maar toejuichen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

12 + 19 =