June Tabor :: Ashore

Topic Records, 2011

Er zijn weinig artiesten die in bepaalde middens zo weinig
introductie nodig hebben als June Tabor. Al bijna vier decennia
lang brengt de grand dame van de Britse folk op
regelmatige basis een album uit waarop ze vrijwel definitieve
versies van nummers laat schitteren. En zoals we het zeggen, zo
bedoelen we het ook: Tabor staat de eerste plaats graag af aan de
muziek en de liederen, en zelf probeert ze deel te worden van de
muziek. Althans op plaat, want live is June Tabor de diva die haar
show brengt met een stalen gezicht en een griezelige perfectie (Wij
zagen haar ooit in blinde furie uitschieten tegen een bandlid omdat
die waarschijnlijk een of andere noot te veel of te weinig had
gespeeld). Er zijn trouwens weinig artiesten die tegelijkertijd de
status van bijna heilige én nobele onbekende hebben. Tijd om aan
dat laatste wat te doen.

‘Ashore’ is Tabors vijfde concept-cd op rij. Na rozen (‘Rosa
Mundi’), paarden (‘An Echo of Hooves’), de liefde (‘At the Wood’s Heart‘)
en appels (‘Apples’) is het deze keer de beurt aan de zee in al
haar glorie om de hoofdrol te spelen. 13 nummers lang neemt Tabor
de luisteraar mee op zeemansavonturen en laat nergens de
gelegenheid liggen om het drama van het onvoorspelbare water in de
verf te zetten.

Het begint al met opener ‘Finisterre’. Het is één van de twee
nummers uit haar rijk gevulde carrière die ze hier herneemt. Ze nam
het nummer voor het eerst op in 1990, samen met Oysterband op hun
‘Freedom and Rain’-samenwerking, en hier bewerkt ze het toen al
indrukwekkende nummer tot het soort klaaglied waar Tabor een patent
lijkt op te bezitten. Het andere nummer dat hier hernomen wordt is
eveneens afkomstig van een samenwerking. Ze bracht het matrozenlied
‘Grey Funnel Line’ voor het eerst met Maddy Prior op de Silly
Sisters collaboratie. En klonk het toen vooral ijl en droop de
wanhoop ervanaf, nu is het een wiegende ballade geworden waarin
berusting voet aan wal heeft gekregen.

Tabor weet steeds heel goed het evenwicht te vinden tussen
traditionals en origineel geschreven nummers. En ook hier zet ze de
twee weer broederlijk naast elkaar. Het door Elvis Costello en
Clive Langer (Deaf School) geschreven ‘Shipbuilding’ krijgt een
jazz-arrangement mee en ademt de geslagenheid naar aanleiding van
de Falklandoorlog in elk perfect gefraseerd woord. Het is één van
Tabors talenten; een tekst nemen en die uitpuren tot alleen het
broodnodige overblijft, waardoor de luisteraar het nummer hoort en
niet de zanger. Het blijft een Kunst met hoofdletter… In
eenzelfde categorie hoort ‘The Oggie Man’ van Cyril Tawney thuis;
doffe ellende en schrijnende toestanden troef, en verpakt in een
lied dat menig teer zieltje zal doen blèten

Naast het sociaal geëngageerde laat Tabor ook ruimte om te
spelen, toevallig met twee Franstalige liedjes. ‘Le Vingt-Cinquième
d’Octobre’ is een vrolijk zeemansdeuntje dat weliswaar over
afscheid van het lief gaat, maar niettemin de positieve sfeer er
middels de accordeon in houdt. Bij ‘Le Petit Navire’ zie je zo de
zeemanslui uit vervlogen tijden op het dek met pot en pint samen
liederen uit volle borst zingen, in dit geval over een klein
jongetje dat opgegeten wordt omdat er verder niets te bikken valt.
Er zullen heus wel vreemdere onderwerpen zijn.

Van het traditionele werk onthouden we vooral het ruim zeven
minuten durende ‘The Great Selkie of Sule Skerry’. Het nummer
vertelt de legende van een derde soort naast man en dier, in dit
geval de Selkie, zeehond in de zee, mens op het land. Tabor brengt
het zoals een troubadour zo’n nummers hoort te brengen: verhalend,
spanning opbouwend, om uiteindelijk het trieste lot van de
protagonisten te betreuren. En slotnummer ‘Across the Wide Ocean’,
een traditional met tekst van de dichter Les Barker, neemt de
luisteraar twaalf minuten lang moeiteloos mee over die grote
oceaan. Het is een meer dan waardige afsluiter van de reeks sea
songs and chanteys
geworden.

Met ‘Ashore’ heeft Tabor weer een logische stap in haar carrière
gezet. Logisch, maar niet voorspelbaar, want deze cd klinkt zeer
fris en helder, in tegenstelling tot het donkere en zware werk dat
we soms terugvonden op haar ander recent materiaal. Ze heeft het
vorserswerk weer uiterst zorgvuldig uitgevoerd en is op de proppen
gekomen met een coherente verzameling nummers. Ok, de twee
instrumentals mocht ze achterwege laten – zoiets werkt live, waar
het publiek de adempauze voor de zangeres wil respecteren, maar op
plaat heeft de luisteraar daar geen behoefte aan. Want wat er ook
over gelijk welke cd (of ooit lp) van Tabor mag gezegd worden, één
constante is er: de echte ster van eender welk Tabornummer blijft
haar imposante stem! Die stem die met de jaren alleen doorleefder
is geworden, meer karakter heeft gekregen, en vooral haar eigen
genre is geworden. Het mag duidelijk wezen; we zijn fans en hebben
geen zin om dat onder stoelen of banken te steken!

http://www.brightfieldproductions.co.uk/tabor.htm

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

10 − 5 =