Schellebelle 1919

Het regiedebuut van de lichtjes fantastische acteur Johan “holy shit, ik ben met Joke Devynck getrouwd, hoe heb ik dàt voor mekaar gekregen?” Heldenbergh, heeft zonder meer het meest originele making of-verhaal van de voorbije tien jaar. Het project begon als cafépraat tussen hemzelf en enkele leden van OKA, een Schellebels amateurtoneelgezelschap. De mensen van OKA droomden ervan een film te maken, Heldenbergh wilde hen helpen en zo begon een pakweg drie jaar durend avontuur dat heeft geleid tot ‘Schellebelle 1919’, wellicht de eerste commerciële speelfilm die ooit collectief gemaakt werd door een cast en crew van dorpsbewoners. De regisseurs (naast Heldenbergh zelf ook Kenneth Taylor) en enkele technische sleutelfiguren waren professionals, maar voor het overige werd het hele project bevolkt door vrijwilligers, die nog nooit een set van dichtbij gezien hadden.

Die achtergrond stelt me dan ook voor een moeilijke keuze. Hoe bespreek je ‘Schellebelle 1919’? Als verfilmd amateurtoneel, dat bijgevolg een ietwat ruime mantel der liefde verdient? Of als een volwaardige prent? Gezien de ambitie die alle betrokkenen hier tentoon stellen, denk ik dat het neerbuigend zou zijn om ‘Schellebelle 1919’ bij wijze van spreken eens in de wang te knijpen en te zeggen: “voor geen echte film te zijn, was het niet slecht”. Heldenbergh en co hebben wel degelijk echte cinema willen maken, dus laat ons dat dan ook maar bekijken als echte cinema.

De Eerste Wereldoorlog is afgelopen. Casimir Van De Velde (Arne Vereecken) en zijn vader Remi (Joost Roggeman) keren terug naar huis om te ontdekken dat dochter des huizes Coralie (Ester Cattoir) in de tussentijd van de boerderij een soort weeshuis heeft gemaakt voor 25 kinderen. Die zitten behoorlijk in de weg van ex-burgemeester Geylens (Gino Venneman) en vooral diens opvolger Solle (Jo Van de Velde), die het land van de Van De Veldes wil onteigenen om plaats te maken voor een brug over de Schelde. Maar dat lukt niet zolang Remi nog leeft. Schellebelle moet en zal de twintigste eeuw in gesleurd worden, en als er daarvoor enkele slachtoffers moeten vallen, dan zij het maar zo.

Yup, ‘Schellebelle 1919’ is een boerenfilm geworden, maar dan wel één met de verhaalstructuur van een western. De gelijkenissen met de plot van ‘Once Upon a Time in the West’ zijn treffend (hoewel de uitwerking ervan uiteraard verschilt): een corrupte overheidsfiguur wil, ter wille van zijn eigen portefeuille, de vooruitgang naar zijn gebied brengen, en is bereid om daarvoor letterlijk over lijken te gaan. De prent speelt zich dan ook, net als ‘Once Upon a Time…’ nadrukkelijk af op een scharniermoment in de geschiedenis, toen de auto het begon over te nemen van het paard, vrouwen het stemrecht begonnen te eisen en landelijk Vlaanderen zijn onschuld verloren leek te zijn in de Grote Oorlog. We krijgen zelfs een posse aan schurken te paard, een shoot-out en op het einde een pistoolduel in de hoofdstraat. In principe is dat een interessant experiment: de boerenfilm is, of we dat nu graag toegeven of niet, voor Vlaanderen wat de western is voor Amerika, en de combinatie van die twee genres levert een boeiende mix op.

Maar de manier waarop dat idee wordt ingevuld, is ook meteen de grootste zwakte van ‘Schellebelle 1919’. Het scenario, geschreven door Heldenbergh zelf, is – om het zacht uit te drukken – niet vrij van enkele clichés op zijn tijd, inclusief een schattige, maar bij de haren gesleurde romance en een oude vrijster die wordt opgevoerd als comic relief en zelfs een slagzinnetje meekrijgt: “Ik ben ook altijd op de juiste plaats op het verkeerde moment!” Een zin die echt altijd uit de kast wordt gehaald wanneer ze in beeld verschijnt, waardoor de humor algauw een zeker ‘FC De Kampioenen’-gehalte meekrijgt. Mijn gedacht!

Bovendien probeert Heldenbergh ook te veel om van élke scène een hoogtepunt te maken. Zeker het eerste half uur van de prent heeft daar aan te lijden: geen dialoog of hij eindigt wel in een schreeuwpartij. Een eerste bezoek van de politie aan de boerderij resulteert meteen in een schermutseling, inclusief poging tot verkrachting. En wanneer de komieke dorpsvrouw op bezoek gaat bij de malafide burgemeester, toont hij aan wat een slechte figuur hij wel is door haar letterlijk de kleren van het lijf te scheuren, daar ter plekke, in zijn eigen bureau. “Ik laat mij alleen tegenspreken door een wijf wiens tetten ik in mijn handen heb gehad,” zegt hij. “Maar die van u zien er nog goed geconserveerd uit. Je mag altijd eens langskomen.” Nou. Subtiel is anders.

Wanneer de film dan toch kalmeert en toelating krijgt om aan een normaal ritme te verlopen, krijgen we mooiere momenten. Eén van de schurken die door Solle wordt ingehuurd om de bewoners van de boerderij te verjagen, krijgt een monoloog die knap gespeeld wordt – rustig, maar intens. Ook een bezoek van de mysterieuze Latif (Hadj Mohamed Raouf) bij de Van De Veldes aan het begin van de film wordt sterk opgebouwd, om een gevoel van spanning te creëren dat niét zonodig direct moet ontaarden in geweld.

De acteerprestaties zijn, zoals een beetje te verwachten was, van wisselend niveau. Arne Vereecken en Ester Cattoir hebben de grootste rollen als broer en zus Van De Velde, en weten zich over het algemeen goed uit de slag te trekken. Je ziet dat ze geen getrainde acteurs zijn, maar ze hebben wel uitstraling en naturel voor de camera – stuur ze een paar jaar naar Studio Herman Teirlinck om techniek bij te leren en wie weet waar ze nog allemaal toe in staat zijn. Jo Van de Velde is de uitschieter als slechterik Solle. Hij heeft de sappigste rol, maar beoefent de nobele kunst van de underacting, om zich dan, in slechts één of twee scènes, even helemaal te laten gaan. En dat werkt. In opzet deed het me zelfs denken aan wat Gene Hackman deed in westerns als ‘Unforgiven’ en ‘The Quick and the Dead’, hoewel je ook hier natuurlijk weer met een gebrek aan ervaring zit dat zich af en toe laat voelen. Andere acteurs, zeker in kleinere bijrollen en onder de jongere kinderen, vallen dan weer sporadisch door de mand. Ik was ook geen fan van de gewoonte van de filmmakers om bekende acteurs in piepkleine cameo’s te laten opdraven. Koen De Graeve, Vic De Wachter, Nic Balthazar, Stany Crets en zelfs (God help ons) Jan Verheyen laten ongeveer één nanoseconde lang hun gezicht zien, maar halen je daarmee ook uit de film. Het idee is op zich wel grappig, maar je moet je ook afvragen of het wel werkt in de context van de volledige prent.

Hoe dan ook: ‘Schellebelle 1919’ is, met al zijn misschien onvermijdelijke gebreken, wel een échte film geworden. Het ziet er allemaal erg professioneel uit, er zit passie achter en er zit schwung in. Dit is niet amateurgezelschap Onder de Kerktoren die op een blauwe maandag eens even een filmpje in elkaar heeft geflanst, nee, het is een keurig afgewerkt product dat gezien mag worden. Aan de hallucinant lange aftiteling te oordelen, heeft echt héél Schellebelle meegewerkt aan de film – dat ze er maar trots op zijn.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

een × 2 =