Super 8

Niet dat er vandaag de dag geen knappe blockbusters meer worden
gemaakt, maar hebt u ook nooit het gevoel dat er soms te veel CGI,
te veel handcamera’s en te weinig oprechte magie hun weg naar uw
lokale multiplex weten te scharrelen? Dat u soms meer naar een
videogame dan naar een film zit te kijken? Dat, kortom, het
ambachtelijke en het tastbare van de cinema – de met de hand in
elkaar geknutselde fantasie, zo u wil – al eens verloren durft te
gaan? ‘t Is een beetje de discussie van analoog tegenover digitaal
en wij willen ons daarover niet uitspreken – alles heeft zijn voor-
en nadelen, zeker? – maar één ding staat vast: wij missen
die geweldige blockbusters uit de jaren tachtig, die ons nog deden
verlangen naar een magischer wereld, die ons uit ons bed lichtten
en weer dropten in een toverland, en die ons sinds zolang wij
herinneren een kriebelend “wauw”-gevoel hebben opgeleverd. Goed
nieuws: J.J. Abrams heeft dat óók.

De goede man die ons voordien al verblijdde met ‘Mission
Impossible III’, ‘Star Trek’ en het onvolprezen ‘Lost’ was in zijn
kindertijd, zoals het een goede nerd betaamt, al tamelijk
geobsedeerd door cinema en bokste dan ook – net als zijn idool
Steven Spielberg – om de haverklap zijn eigen Super 8-filmpjes in
elkaar; amateurfootage gefilmd met de typische homecamera die in de
seventies populair was. Op zijn vijftiende kon de jonge
J.J. zijn geluk niet op: hij mocht van Spielberg zomaar eventjes
diens oude Super 8-filmpjes restaureren. Het leverde hem
alvast de status van pupil op, alsook een unieke blik op
klassiekers van ‘Jaws’ tot ‘Back to the Future Part III’: de
Spielbergfabriek was voor J.J. Abrams (nog zoveel meer dan voor de
rest van ons) een deel van zijn leven. En ‘t heeft hem blijkbaar
nooit meer losgelaten, ook. Nu hij zelf midden de veertig is
combineert hij zijn twee passies: de oude Super 8-filmpjes die zijn
jeugd bepaalden en de goedaardige, lichtjes donkere kinderfilms met
monsters, aliens en bovennatuurlijke geheimen die hij zo goed kent
van zijn mentor. ‘E.T.’, ‘The Goonies’, ‘Gremlins’, ‘Indiana
Jones’, ‘Close Encounters of the Third Kind’ en zijn eigen
herinneringen stak hij in de blender en lo and behold:
daar was ‘Super 8′, Abrams’ meest persoonlijke productie
totnogtoe.

We schrijven de seventies en Elliott-lookalike Joe Lamb
(Joel Cortney) heeft net zijn moeder verloren. Hij moet samen met
zijn vader (Kyle Chandler), de sheriff van het rustige stadje
Lillian, een zeker ritme zien te hervinden in zijn leven. Terwijl
pa zich begint te realiseren dat hij opeens verantwoordelijkheden
draagt, gaat Joe op stap met zijn vrienden – aaibare fatso
Charles (Riley Griffiths), olijke pyromaan Cary (Ryan Lee), de
steevast onwel wordende Martin (Gabriel Basso) en bangerik Preston
(Zach Mills) – om een zombiefilm te draaien met hun eigen Super
8-camera. Op een van de opnames ontmoet hij de female lead
van hun film, de (voor dertienjarige jongetjes, althans) blonde
stoot Alice (Elle “Dakota wié?” Fanning), voor wie hij als een blok
valt. Tijdens hun eerste opnamesessie samen – hij mag haar schmink
aanbrengen – zijn ze echter getuige van een treinongeluk. Alleen is
dat niet alles: de trein kwam aangereden vanuit Area 51 en had iéts
in zijn cargo zitten dat nu de goedmoedige suburbs
onveilig maakt…

De plot valt praktisch gezien uiteen in drie delen: de wankele
band tussen Joe en zijn vader, de ontluikende tween
romance
tussen Joe en Alice en het mysterie van het monster.
Dat zijn de grote draden; daarnaast wordt ook nog gefocust op de
vaders van Joe en Alice afzonderlijk, de vriendschap tussen de
jongens en de grimmige militaire complotten van een mysterieuze
kolonel (Noah Emmerich). Make no mistake about it, dat is
véél. Soms zelfs te veel. Alle scènes die puur gaan over de
kinderen zijn er knal op (de ukkies, en dan vooral de twee
leads, zijn uitmuntend); die stukken schitteren en
knetteren met een intensiteit die ons fragiele hartje af en toe een
slag deed overslaan. De moeilijke thuissituatie van Joe en het
gemis dat zijn moeder heeft achtergelaten, wordt mooi en teder
behandeld. En de militaire dreiging in het dorp zorgt naast een
zoveelste verwijzing naar ‘E.T.’ ook voor een permanent grimmige
sfeer. ‘t Is alleen het monster (en de verhaallijn daarrond) dat
niet helemaal uit de verf komt.

Van ‘Jaws’ heeft J.J. Abrams – naast het efficiënt opbouwen van
spanning, want ‘Super 8’ is bij momenten best suspensevol – geleerd
dat je het grote beest best zo lang mogelijk verborgen houdt, om
het allemaal nóg spannender te maken. Spijtig genoeg richt Abrams
ook pas in het laatste derde van de film zijn narratieve pijlen op
wat in feite de focus van de film is. Zo heeft ‘Super 8’ heel lang
weinig drive; we weten dat het monster daar ergens rondhangt en dat
het vanalles aan het uitsteken is, maar er zijn zoveel ándere
dingen gaande dat het ons in feite maar weinig kan schelen. En
wanneer het dan uiteindelijk toch aan bod komt, is de grote finale
een tikje underwhelming. Dat deel van de plot voelt dus
een klein beetje geforceerd aan – “och ja, dat moesten we óók nog
vertellen!” – in vergelijking tot de rest. (J.J. Abrams moet toch
altijd zijn monsters hebben, hé?) Maar dat is gelukkig dan ook de
enige negatieve commentaar die wij uit onze duim kunnen zuigen.

Voor al het overige is ‘Super 8’ een verrukkelijk feest van een
film. De hele back catalogue van de jaren 80 wordt
geplunderd en de prent schrééuwt Spielberg – van thema’s over
plotwendingen tot kindacteurs. Maar tegelijk vindt J.J. Abrams hier
– meer dan in ‘M.I. III’ en ‘Star Trek’ – een eigen stijl, die
tegelijk modern en retro aanvoelt; Abrams is duidelijk een
hier-en-nu filmer, maar hij heeft de subtiliteit en het geduld van
een oude rot. Hoewel de camera zelden stil staat, is de beweging
altijd doelbewust en weet hij er tóch steevast mooie frames uit te
kiezen. Belangrijker nog: elke frame barst van de liefde voor de
Zevende Kunst – de joie de vivre die Vrouwe Cinema al die
jaren in leven heeft gehouden slingert zich als een rode draad
omheen de diepste vezels van dit project, van production design
over dialogen tot acteerprestaties. En toch is ‘Super 8’ niet
alléén een hommage; ‘t is ook een persoonlijke, emotioneel
bevredigende rollercoaster ride. U ziet, wij zijn
enthousiast.

Maar ondertussen razen wij weer zodanig door dat wij uw aandacht
dreigen kwijt te spelen – iets dat ‘Super 8’ hoegenaamd nooit doet.
Alleen nog dit: het gebeurt niet vaak dat wij zó genieten van
gewoon aanwezig te zijn in een cinemazaal. ‘Super 8’ is
een film met een paar (zij het kleine) gebreken, maar ‘t is er
vooral een die je eraan herinnert waarom je filmliefhebber bent.
(Dat Spielberg zelf óók eens rap terug begint met dit soort
cinema!) Omdat er weinig dingen bestaan die tegelijk zo mooi, zo
spannend, zo emotioneel, zo puur en zo fucking awesome
kunnen zijn als dit. Wat hielden wij over aan ‘Super 8’? Een
kriebelend “wauw”-gevoel. Blockbusters van nu kunnen ook
fantastisch zijn.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

5 × 5 =