Midnight in Paris





Woody Allen mag op zijn vijfenzeventigste weltevreden
terugkijken op zijn carrière. Als wij nog ietwat kunnen tellen zit
hij met zijn nieuwste, het bitterzoete fantasietje ‘Midnight In
Paris’, al aan zijn eenenveertigste, en tussen zijn veertig
voorgaande prenten zat moois verstopt als ‘Manhattan’, ‘Annie Hall’
en ‘Hannah and Her Sisters’. Respect, dus! Alleen is het leven van
een Woody Allen-fan niet altijd even idyllisch; af en toe levert de
neuroot jarenlang niets van waarde af, en is het bang afwachten of
hij het nog wel hééft. De jaren na ‘Match Point’ mag je gerust
beschouwen als zo’n droge periode, met stinkers als ‘Scoop’ en
bwabwa-films als ‘You Will Meet A Tall Dark Stranger’ die elkaar in
ijltempo opvolgden. Gelúkkig, dus, is ‘Midnight In Paris’ opnieuw
een juweeltje geworden: een speels dartelende hinde van een film
waarin we Allen treffen in betere spirits dan in
tíjden.

Gil Pender (Owen Wilson speelt een gewéldige rol) is met Inez,
zijn bi-atch van een verloofde (Rachel McAdams zet een
tang van ‘Mean Girls’-proporties neer) voor een snoepreisje naar
Parijs afgezakt – Woody Allen heeft zich sinds ‘Vicky Christina
Barcelona’ blijkbaar ontpopt als overjaarse globetrotter. Zij is er
om een aantal praktische zaken voor hun nakende huwelijk te
regelen, hij vooral om te verdwalen in de eindeloze straatjes waar
ooit goed volk als F. Scott Fitzgerald, Gertrude Stein en Salvador
Dalí rondhing. Tussendoor probeert hij zoveel mogelijk aan zijn
roman te werken, terwijl zij er liever op uit trekt met haar al
even onuitstaanbare maatje Paul (Michael ‘Frost/Nixon’ Sheen). Op
een lichtbeschonken avond (we bevinden ons tenslotte in Parijs)
besluit Gil om de lichtstad op zijn eentje te verkennen. Hij
verdwaalt prompt, stapt in bij een meute vriendelijke Franse
feestvierders en – tja, hoe gaat dat? – voor hij het weet zit hij
in les années vingt pinten te hijsen met Ernest Hemingway,
T.S. Eliot en vooral de sensuele Adriana (Marion Cotillard is nog
zwoeler dan normaal – niet normaal dus). Fun!

Om maar meteen de kritiek uit de weg te ruimen: voor het verhaal
op zich hoeft u het niet te doen. De scènes in het heden en die
waarin Gil terugkeert naar de jaren ’20 hangen héél losjes aan
elkaar, met enkele verbanden die maar zus en zo zijn (Gil weet op
een vlooienmarkt in het hier en nu opeens het dagboek van Adriana
op de kop te tikken – gewoon, omdat het daar te koop ligt). Ook de
moraal die u tegen de tijd dat de aftiteling loopt uit de film
geplukt hebt, is al vanaf het begin overduidelijk aanwezig – “wij
zien onze eigen tijd als imperfect en onbevredigend omdat het
leven imperfect en onbevredigend is, dus je kan er maar
beter iets van maken in de periode dát je hier bent”. Maar weet u
wat? Het zal mij worst wezen. Want ‘Midnight In Paris’ draait, net
als de wandelingen van haar protagonist, helemaal niet om de
eindbestemming, maar wel om de trip. En, opvallend voor Allen: veel
minder om de dood, dan om het leven.

Zijn typische dada’s zijn natuurlijk nog wel in bakken aanwezig:
de angst om te sterven, de kleine kantjes van goeie mensen en de
complexe natuur van verliefdheid en relaties zijn de belangrijkste
thema’s, máár: de toon is wel zachter en meegaander dan in zijn
vijf laatste projecten samen. Er loopt in de film ook, uiteraard,
nog ergens een pedante, smooth-talkende kunstkenner rond
(Sheen zet een zeer geestige oetlul neer), en de vrouwen zijn – net
als in ál Woody’s recente films, eigenlijk, snoeper! – beeldschoon
(Marion Cotillard: amaikes nog ni!). Het doet overigens
plezier om Owen Wilson bezig te zien: je ziét hem (hier, maar ook
al in het zeer genietbare, zij het minder essentiële ‘Hall Pass’
van enkele weken terug) uit zijn donkere dal kruipen met een
typische Woody Allen-vertolking (als hij jonger was, had hij Gil
zonder twijfel zélf gespeeld) die de toon van de film – speels,
nostalgisch, tegendraads, naïef, enthousiast, luchtig, en een klein
beetje droevig – perfect beet heeft.

‘Midnight In Paris’ lijkt, toegegeven, vaak nergens heen te gaan
(ik kan me voorstellen dat mensen die niet meteen op dezelfde
golflengte zitten als de film vaak op hun horloge zullen kijken),
maar de magie zit ‘m net in de kleine momentjes. Hoe Gil zich
stotterend en weifelend naar Adriana gedreven voelt, hoe de blik in
zijn ogen opklaart wanneer hij zich realiseert dat hij naar een
liveoptreden van Cole Porter zit te kijken, of hoe hij het cafeetje
waar hij net nog met Hemingway aan de wijn zat, probeert terug te
vinden in een nachtelijke wasserij: kweetnioe schoon,
allemaal. De uitstekende fotografie van Darius Khondji doet
wonderen om de betoverende twenties-sfeer in beelden om te
zetten, al helpt het ook dat de ellenlange lijst
celebrities (van de ronkende namen die u hierboven al kon
lezen tot voor het grote publiek minder bekende goden als Man Ray,
Luis Buñuel en Djuna Barnes) allen voortreffelijk, en met een
frisse dosis humor, vertolkt worden.

Komt daar nog bij dat ‘Midnight In Paris’ ook de meest
geestige film is die Allen in lange tijd gemaakt heeft, en
je krijgt een klein, fijn filmpje dat ondergetekende geheel bij
verrassing knal om de hals wist te vliegen. Wie van nature uit
uitsluitend praktisch en nuchter is, zal er misschien geen bal aan
vinden, en ja: door het dunne verhaaltje en enkele wankele clichés
is dit nét geen Allen grand cru, durven we stellen.
Alhoewel! Misschien wordt ‘Midnight In Paris’ wel, net als een
goeie Franse wijn, alleen maar beter met de jaren, en is dit er
eentje die wij binnen tien jaar nóg graag in de hologramlader
schuiven. Het kán! Laten we voorlopig echter maar gewoon zeggen dat
dit een van de meest zachte en ontwapenende Woody Allens is die wij
gezien hebben in heel, héél lange tijd. Hopelijk is zijn volgende
(‘Bop DeCameron’, met Jesse Eisenberg en Ellen Page) wéér een schot
in de roos. Maar om eerlijk te zijn: zolang hij grieten als Marion
Cotillard blijft casten, gaan wij toch kijken. Nàh!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

drie × vier =