Rifkin’s Festival

Rifkin’s Festival is Woody Allens negenenveertigste film. Naar verluidt zou de neurotische New Yorker stoppen bij zijn vijftigste. Eerlijk gezegd hechten wij niet veel geloof aan dit gerucht. Volgens ons blijft de man doorwerken tot hij er letterlijk en figuurlijk bij neervalt.

Wat opvalt is dat zijn werk ondanks zware financiële problemen – Allen krijgt zijn films amper nog gefinancierd – en emotionele stormen, er niet beter, maar ook niet slechter op wordt. Wel vlucht de cineast in Rifkin’s Festival – nog meer dan in zijn vorige films – in thema’s en motieven die voor de doorwinterde filmkijker heel vertrouwd aanvoelen. Die hang naar nostalgie, naar een tijd waar het voor Woody letterlijk anders en beter was, is wellicht een veilige haven voor hem.

Voormalig filmdocent Mort Rifkin heeft het niet makkelijk. Dik tegen zijn zin vergezelt hij zijn jongere vrouw Sue naar het filmfestival van San Sebastian waar zij de promotie moet verzorgen van de nieuwste film van Philippe Germain, een beloftevolle jonge regisseur en rijzende ster aan het filmfirmament. De enige reden waarom Rifkin meegaat, is het vermoeden dat zijn vrouw een scheve schaats rijdt met Philippe. Omdat zijn vrouw voortdurend aan het ‘werk’ is, struint Mort eindeloos door San Sebastian en bezondigt zich aan menig dagdroom die uitnodigt tot een kritische reflectie over zijn eigen leven. Als hij zelf verliefd wordt op de knappe dokter Jo Rojas, gaan de poppen pas echt aan het dansen.

Woody Allen begeeft zich met zijn nieuwste film op een terrein dat hij zelf zeer goed kent: de filmfestivals. Als oude rot in het vak vindt hij dan ook dat hij het recht heeft om er eens flink mee te spotten. ‘Waren al uw orgasmes special effects?’, vraagt een journaliste aan een actrice. Een producent deelt aan een jonge blonde bimbo dan weer mee dat hij haar perfect ziet zitten in de rol van Hannah Arendt. Dergelijke observaties onthullen het zwarte, komische kantje van Allen. De Joodse cineast voelt zich duidelijk niet meer op zijn gemak in het filmcircus dat meer en meer wordt bevolkt door leeghoofdige journalisten en geile producenten.

Kritiek op het wereldje uit de cineast ook via het personage van Mort Rifkin. Als zijn vrouw Sue weer eens hoog oploopt met haar Philippe en zelfs verkondigt dat zijn volgende film voor verzoening zal zorgen in het Midden-Oosten, vraagt Rifkin droogjes of Philippe nu ook sciencefiction maakt. Echt talent wordt over het hoofd gezien en de aandacht gaat nu naar snobs met nogal veel praatjes bij hun filmplaatjes. Het zijn de jammerklachten van een gekwetste intellectueel, overgoten met een komisch sausje om de pijn toch een beetje te verzachten. Allen voelt zich pas echt in zijn sas als hij de verschillende droomsequenties waarin Rifkin zich overdag en s’ nachts verliest, mag ensceneren. Verschillende scènes uit klassiekers als Citizen Kane, Jules et Jim, Persona en El Ángel Exterminador passeren de revue en krijgen een ware Woody Allen make-over. Deze sequenties drukken enerzijds de liefde van de regisseur voor de cinema uit, anderzijds zijn ze ook een uitdrukking van de geestestoestand van Rifkin die met zijn imaginaire filmfestival zijn liefdesleven en zijn werk met elkaar wil verzoenen. Woody Allen is altijd op zijn best als hij de droom laat clashen met de bittere realiteit en dat is hier niet anders.

Filmcritici verwijten de Amerikaanse cineast met de regelmaat van de klok dat hij op dezelfde nagel blijft slaan en dat hij schaamteloos recycleert uit eigen werk. Wat dat laatste betreft, moeten we hen helaas gelijk geven. De scène waarin Jo Rojas als een echte Spaanse furie te keer gaat tegen haar Madrileense schilderende echtgenoot is iets te vlijtig gekopieerd uit Vicky Cristina Barcelona. Dat Allen op dezelfde nagel blijft slaan, is voor discussie vatbaar. Een ander zou het stijl of variaties op hetzelfde thema noemen. Martin Scorsese is al veertig jaar gebiologeerd door geweld en religie en de soms vreemde symbiose van beide. Zelden krijgt hij dit als verwijt voor de voeten geworpen. Dat Allen graag gekwetste intellectuelen opvoert die een eindje kunnen dooremmeren over de zin van het bestaan heeft wellicht te maken met het eenvoudige feit dat hij er zelf een is.

In Rifkin’s Festival krijgen we dus niets te zien dat we al niet eerder hebben gezien. In de manier waarop de New Yorker het doet, schemert echter wel degelijk de glorie van vroeger door. Een ‘goede’ Woody Allen film is tegenwoordig al een hele prestatie na het handjevol routineuze romcoms van de laatste jaren. Als hij dan toch stopt bij zijn vijftigste film, laten we dan hopen dat Rifkin’s festival een opmaat is naar meer en beter voor zijn zwanenzang.      

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

een − een =