Diablo Blvd. :: The Greater God

Door zijn imposante borstomvang en gehoorbeschadigende volume (hij lijkt een van die mensen die altijd net iets luider spreken dan nodig is) wordt het verleidelijk om Zijne Grofgebekte uit Antwerpen af te doen als een neveneffect van de opgerakelde MiLF-cultuur. Dan zou je echter voorbijgaan aan Agnews talent als rasperformer, wat soms ook uit de verf komt op The Greater God.

We waren eigenlijk niet zo heel erg te spreken over de split-EP die Diablo Blvd. een tijd geleden lanceerde met de al even extraverte Southern Voodoo: het zat goed met de attitude, maar songs en sound lieten te wensen over. Dat laatste wordt rechtgezet op The Greater God en niet zo’n klein beetje. Vanaf de onheilspellende intro (“The Wolves Are Silent”) tot de slepende afsluiter (“To Walk The Night”) kan het kwintet immers rekenen op een kristalklare, evenwichtige en professionele productie die de plaat hard genoeg doet rocken om de gemiddelde veertiger met nektapijt en foute tattoo’s in hogere sferen te brengen, zonder daardoor zijn iets bravere echtgenote voor het hoofd te stoten.

Het heeft veel te maken met de hypermelodieuze aanpak. Agnew, die nooit onder stoelen of banken heeft gestoken een zware fan te zijn van Danzig, heeft van de leermeester geleerd hoe te spelen met een melodie en de zanglijnen zijn dan ook stuk voor stuk zorgvuldig uitgewerkte onderdelen die niet alleen afstand nemen van het monotone gekweel dat hardrock en metal vaak kenmerkt, maar het laat meteen ook Agnews aanzienlijke bereik volledig op de luisteraar los. Hij zingt vaak beter en vooral krachtiger dan Elvis from hell. Soms werkt het zich echter ook tegen hem: zo worden zelfs heel wat halfgesproken stukken toonladders op- en afgejaagd, waardoor het geheel wat té gekunsteld gaat klinken.

Is het barokke vooral toe te schrijven aan de iets te geaffecteerde en prominente zang, dan beperken de muzikanten zich doorgaans tot het nodige: de riffs zijn bluesy en doorgaans gortdroog, de ritmesectie is potig en soepel zonder te vervallen in pocherige franjes. Bij een eerste beluistering lijken de songs allemaal eenzelfde formule te volgen (die van de mid-tempo stomper), maar meerdere beluisteringen geven prijs dat het in de platenkast, in tegenstelling tot in de lyrics, niet enkel draait om gevallen engelen, vuurballen, bloed, vergif en ander onheil. Naast de kitscherige zwarte romantiek van Danzig zijn er ook immers uitstapjes richting catchy 90’s rock (“Vacant World”), arenarock (“Second Coming”) en southern metal (“Outcast”). Het zal niet verbazen dat de band zijn naam haalde bij een song van Corrosion Of Conformity.

Nu en dan had het allemaal wat gebalder gemogen: sommige songs slepen zich net iets te lang voort, wachten iets te lang om met de deur in huis te vallen, zijn net iets te inwisselbaar. Daardoor ben je als luisteraar geneigd om meteen door te skippen naar tracks als “Virus (The Pride)” en “Scarred And Undefeated” (geen idee waarom die prima song weggestoken zit tegen het einde), die prima overeind blijven. Slecht is The Greater God zeker niet, daarvoor is de plaat met te veel liefde en zorg in elkaar gestoken. We kunnen ons echter niet van de indruk ontdoen dat het allemaal wat te zelfbewust gebeurde.

Als het album iets te verwijten valt, dan is het wel dat het plaatje te goed klopt: de rock zit erin, maar je voelt de roll niet genoeg. Het gevolg: te weinig songs laten zich echt opmerken. Agnew lijkt dan weer te geconcentreerd op het afwerken van z’n veeleisende zangparcours om het beest in zichzelf los te laten en het woord te laten voeren. Iets meer spontaniteit, woestheid en opgestoken middelvingers op de volgende plaat en dan kunnen we misschien spreken van een gemene bom die je écht bij de kloten grijpt.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

negentien − 10 =