The Matador




Acteurs proberen doorgaans de meligste redenen te bedenken waarom
ze voor een bepaalde film gekozen hebben: het script was zo
intrigerend, het personage zo veelgelaagd, de regisseur zo’n groot
talent… Alles om toch maar niet te moeten zeggen dat ze ‘t voor
het geld deden, of omdat ze vonden dat ze iets te bewijzen hadden.
Pierce Brosnan kan ons in ieder geval geen blaasjes wijsmaken: zijn
optreden in ‘The Matador’ is zuiver een product van zijn nijdigheid
omdat hij aan de kant werd gezet door de producenten van de James
Bond-reeks. Gewoon om de Bondmensen een neus op te zetten heeft
Brosnan hier gekozen voor een film die niet verder van zijn gladde
superspion-imago af kon liggen: hij loopt continu bezopen rond,
lakt zijn teennagels paars en springt enkel gekleed in een
minuscule slip en cowboylaarzen in een zwembad. Eat that,
007!

Brosnan speelt Julian Noble, een huurmoordenaar die zijn beste tijd
heeft gehad: de sloten alcohol die hij regelmatig in zijn keelgat
giet, beginnen hun tol te eisen en ook zijn geweten speelt hem
parten. Tijdens een klus in Mexico City maakt hij kennis met Danny
Wright (Greg Kinnear), een keurige zakenman uit Denver die een
belangrijke deal probeert te sluiten en in hetzelfde hotel
verblijft als Julian. De twee mannen raken aan de praat in de bar,
en voor je het weet ontwikkelt er zich een onwaarschijnlijke
vriendschap.

In de meeste films zou dat de aanleiding zijn voor een voorspelbare
buddy movie, opgesteld volgens de vertrouwde formule:
gedurende de eerste veertig minuten of zo krijg je humor, daarna
barst de actie los, vliegt er vanalles de lucht in en mag Danny
zich ontpoppen tot held tegen wil en dank. U kent dat wel. Eén van
de genoegens van ‘The Matador’ is juist dat regisseur en scenarist
Richard Shepard die val weet te vermijden. Hij is niet
geïnteresseerd in actie, maar wel in de vriendschap tussen die twee
mannen. Wat in de doorsnee actie-komedie de eerste akte zou zijn,
wordt hier gepromoveerd tot het onderwerp van de hele film. En dat
is verfrissend.

Dat heeft als gevolg dat ‘The Matador’ de hele tijd op een dunne
lijn balanceert tussen de vertrouwde elementen van een Amerikaanse
buddy comedy (de twee tegengestelde karakters, Danny die
niet weet wat er gaande is terwijl Julian de coolheid zelve blijft)
en dan toch de wens van de makers om het net iets anders aan te
pakken. We krijgen in de eerste plaats al geen nadrukkelijk
gemoraliseer: Danny lijkt eerder gefascineerd te zijn door het feit
dat hij een huurmoordenaar heeft leren kennen dan dat hij er
afschuw voor voelt. Wanneer Danny’s echtgenote Bean (Hope Davis)
Julian te zien krijgt, is haar eerste vraag: “Mag ik je pistool
eens zien?” Waarna ze gemoedelijk met hun drietjes een fles whisky
kraken. Niet dat er geen morele dimensie aanwezig is in ‘The
Matador’: het dagelijkse moorden eist wel degelijk zijn tol van
Julian. Maar die tol wordt ditmaal niét van buitenaf opgelegd: er
zijn geen flikken die met loeiende sirènes het strijdveld oprijden,
geen fatale shoot-outs met rivaliserende killers. Julian heeft te
lijden van zijn eigen emoties. Hij straft zichzelf omdat hij een
leven heeft opgebouwd zonder vrienden, zonder vertrouwen maar met
veel drank en geweld. In de meeste films zou dat niet voldoende
zijn, zou er een formele bestraffing van zijn daden moeten volgen.
Maar het is juist dààr dat ‘The Matador’ naartoe wil: die man met
z’n zelfopgelegde eenzaamheid en al z’n problemen maakt nu toch een
vriend, en we krijgen te zien hoe die vriendschap invloed uitoefent
op zijn karakter. Achtervolgingen of kogelgefluit horen daar niet
bij.

Nu klinkt de film ongetwijfeld serieuzer dan hij eigenlijk is:
Richard Shepard heeft een aantal clichés weten te vermijden door
zich te concentreren op het aspect van het verhaal dat normaal
gezien slechts de achtergrond voor de actie zou vormen. Dat was een
goeie zet, en het getuigt van een slim in elkaar gestoken scenario,
maar dit is en blijft een luchtige bedoening, een komedie die voor
een groot gedeelte afhangt van de chemie tussen de beide
hoofdrolspelers. En ook die zit wel snor.

Pierce Brosnan gooit zich met overgave in zijn rol van geile zatlap
en staat zich zichtbaar te amuseren terwijl hij naar 14-jarige
meisjes loert, gore grappen vertelt over een Mexicaan met een lul
van 40 centimeter en achteloos een moord in scène zet tijdens een
stierengevecht. Brosnan steekt met een brede grijns zijn
middenvinger op naar zijn afgelikte Bondpersonage, zonder dat hij
daarom vergeet om ook gewoon een beetje menselijkheid in zijn
vertolking te leggen. Hij durft zwak te zijn, een dronkaard met een
midlife crisis, en dat lokt behoorlijk wat sympathie uit.

Kinnear, op zijn beurt, is een bekwame straight man: hij
slaagt erin om een doodnormale middenklasser neer te zetten die
tóch niet overkomt als een saaie zak. In zijn relatie met zijn
vrouw, en zeker in zijn reacties op Julian, merk je toch een
avontuurlijk kantje in zijn karakter op, dat helpt om hem
sympathiek te maken.

Nee, grote cinema is ‘The Matador’ niet: Philip Baker Hall en Dylan
Baker worden vrijwel geheel weggegooid in twee niets betekenende
bijrolletjes – zonde van de goede acteurs – en tijdens de tweede
helft neigt de film iets teveel in de richting van het dramatische.
Julians existentiële crisis wordt net wat teveel aangedikt. Maar
hey, dit is een vermakelijke komedie die anderhalf uur lang een
vrolijk spelletje speelt met de geplogenheden van een genre en die
dat spelletje geen seconde te lang laat aanslepen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijftien − 8 =