The Talented Mr. Ripley




De boeken van Patricia Highsmith staan ervoor bekend dat ze op
een erg prozaïsche, letterlijke manier geschreven zijn; de dame
gebruikte bijvoorbeeld zelden of nooit metaforen of vergelijkingen,
maar ging altijd voor de onmiddellijke impact van de actie op de
personages. Ze schreef het zoals het was, geen onzin. Haar ‘Mr.
Ripley’-boeken werden klassiekers in het misdaadgenre tijdens de
jaren vijftig. De eerste daarvan, ‘The Talented Mr. Ripley’ werd
ooit al gefilmd als ‘Plein Soleil’ in 1960, een prent die
ondertussen de status van klassieker heeft bereikt. Anthony
Minghella volgde het succes van ‘The English Patient’ op met zijn
nieuwe behandeling – het gevolg was een eminent stijlvolle,
intelligente bewerking voor onze tijd, met meer aandacht voor
psychologie en seksualiteit. Puristen (lees: pretentieuze
zelfverklaarde cinefielen) zullen ongetwijfeld beweren dat ze
Minghella’s film maar klein bier vinden in vergelijking met ‘Plein
Soleil’, maar geloof me: voor een hedendaags publiek is dit heel
wat leuker om naar te kijken.

Matt Damon speelt verreweg zijn beste rol tot nu toe als Tom
Ripley, een mysterieuze figuur over wie we, welbeschouwd, nooit erg
veel te weten komen over de loop van de film. We treffen hem voor
het eerst aan op een upper-class feestje in New York, waar hij
piano speelt. Hij wordt door de gastheer (James Rebhorn) aanzien
voor een vroege klasgenoot van diens zoon – Ripley heeft die mensen
nog nooit eerder gezien, maar hij knikt en lult met hem mee. Dan
komt er het voorstel: Rebhorn zal Ripley duizend dollar betalen om
naar Italië te reizen en daar z’n zoon Dickie (Jude Law) te
overhalen naar huis te komen. Ripley aanvaardt, gaat naar Italië,
en ontdekt daar een leven zoals hij het zelf graag zou willen
hebben – luie namiddagen in een hete zon, niets doen, genieten van
het leven en bovenal: een charme en een moeiteloze flair met andere
mensen hebben die het leven schijnbaar vanzelf gemakkelijk maken.
Ripley wordt bevriend met Dickie en diens vriendin Marge (Gwyneth
Paltrow) en besluit zo lang mogelijk te blijven. Wanneer het moment
van zijn vertrek dan toch gekomen is, komt het tot een ruzie tussen
Ripley en Dickie. Dickie overleeft het niet.

Het hart van de film zit in de relatie tussen de beide mannen.
De één is een bleke, magere spriet die niet goed weet hoe hij met
andere mensen om moet gaan en z’n leven leidt via literatuur en het
soort van klassieke muziek waarmee je jezelf niet erg populair
maakt in de hoogdagen van jazz en blues (eind jaren vijftig). De
andere is een bon vivant die nooit ergens een inspanning voor heeft
moeten leveren maar alles in z’n schoot geworpen kreeg. Iemand die
van het leven kan genieten zonder ooit stil te moeten staan bij
enige andere overweging dan z’n eigen genot. Iemand die elke vrouw
kan krijgen en eruit ziet alsof hij van de cover van een
tijdschrift komt gestapt. Er heerst duidelijk een homoseksuele
spanning tussen beiden – die subtext was al lichtjes op de
achtergrond aanwezig in de roman en in ‘Plein Soleil’, maar wordt
hier duidelijk naar het voetlicht verplaatst. Is Ripley verliefd op
Dickie? Of wilt hij eigenlijk, zoals de plot van de film
suggereert, Dickie zijn, zijn eigen saaie, onopmerkelijke leven
vervangen met het meer glamoureuze exemplaar van Dickie? Volgens
mij loopt het in de verwarde geest van Ripley allemaal wat dooreen
– hij is op z’n minst biseksueel en waarschijnlijk gewoon homo; hij
toont nooit ergens enige interesse in Marge, behalve dan voor zover
ze hem toegang kan verschaffen tot Dickie. Maar die liefde, of op
z’n minst lust, loopt over in de wens om de andere persoon te
worden. Zoals gezegd wordt aan het einde: it’s better to be a
fake somebody than a real nobody.

Minghella baadt zijn film in prachtige kleuren en lyrische,
langzame camerbewegingen die de omgeving van Italië ten tijde van
de vespa ten volle tot haar recht doet komen. Niemand die deze film
ziet en niet ogenblikkelijk op vakantie wilt vertrekken. Maar de
visuele beheersing van de regisseur was al duidelijk geworden uit
‘The English Patient’. Wat hier opvalt, is de manier waarop hij
muziek gebruikt. Ripley wordt geassocieerd met klassieke muziek,
Dickie met jazz. Dan wanneer de een het leven van de ander
overneemt, krijgen we een vreemde mengvorm van de beiden, waarin
invloeden van beide genres door elkaar lopen, elkaar beïnvloeden.
Gabriel Yared heeft voor een opmerkelijke score gezorgd. Maar ook
de bronmuziek levert behoorlijk wat sfeer: de toon van de film
wordt gezet door ‘Lullaby For Cain’, een intens sfeerrijk stukje
muziek dat meteen de mistroostigheid van het einde weerspiegelt.
Niet zoveel later krijgen we een scène waarin Dickie en Ripley zich
uitleven in een nachtclub op de tonen van ‘Tu Vuo’ Fa l’Americano’,
een ambiancenummer uit een traditie van ambiancenummers waar niet
noodzakelijk de termen “goedkoop” en “genant” mee geassocieerd
dienen te worden. De meeste andere regisseurs hadden die scène
waarschijnlijk ergens halverwege afgesloten, eens de sfeer en het
effect ervan op de relatie tussen de beide personages duidelijk
waren geworden. Maar niet Minghella, hij laat ons het hele nummer
horen – en de film is sterker door dat soort van momenten, omdat ze
ons toelaten om de sfeer ervan in te ademen. Hetzelfde geldt voor
een operascène veel later; ook die duurt langer dan eigenlijk nodig
is. Maar ze werkt.

Jude Law kreeg zeer veel waardering voor z’n rol van Dickie
Greenleaf en hij verdient lof voor de schijnbaar moeiteloze
savoir faire waarmee hij zich over het scherm beweegt. Maar
het is Matt Damon die hier een tour de force levert. Terwijl zijn
vriend Ben Affleck schaamteloos incasseerde op het succes van ‘Good
Will Hunting’ door op te draven in vreselijke producten als
‘Armageddon’, nam Damon hier een grote gok. Een homoseksuele
moordenaar spelen die aan het einde van de film alleen achterblijft
met z’n gewetenswroeging, is niét wat je moet gaan doen als je
alleen maar inzit met je imago als mogelijk Hollywood-hunk.

Niet dat de film helemaal perfect is – nevenpersonage Peter
(Jack Davenport) duikt in de tweede helft van de film plotseling
op, zonder dat hij ooit op een fatsoenlijke manier geïntroduceerd
wordt. Je kijkt ernaar en je vraagt je af waar die kerel eigenlijk
zo plotseling vandaan komt. Bovendien lijkt de film in het
middenstuk een beetje te gaan slepen. Eens Ripley Dickie heeft
vermoord, gaat het tempo plots gevoelig lager liggen, als publiek
ga je je afvragen waar het nu naartoe zal gaan. Dàn echter, volgt
er de tweede moord (op Philip Seymour Hoffman in een zoveelste
opmerkelijke bijrol), en de film vindt z’n tweede adem. Het wordt
allemaal weer wat doelgerichter.

Maar hoe het ook zij, ‘The Talented Mr. Ripley’ blijft een
uitstekend voorbeeld van die zeldzaamheid: een thriller die in de
eerste plaats mikt op het verstand, in plaats van de sensatie.
Uiteindelijk is Ripley iemand die niet wìl moorden (toch niet in
deze versie), maar die zichzelf in situaties werkt waarin hij niet
anders kan. Hij is eerder een pathologische leugenaar dan een
moordenaar, wiens leugens volgens een sneeuwbaleffect steeds groter
worden. Op een bepaald punt werkt hij zich in het nauw en ziet hij
geen andere uitweg meer dan geweld. Maar het einde van de film
duidt aan dat hij er geen plezier aan beleeft – zijn straf is dat
hij door z’n leugens, door z’n wens om iemand anders te zijn, een
fake somebody, precies dàt moet doden waar hij van houdt. Dat is de
prijs die hij moet betalen. De film kent dan wel geen traditioneel
moraliserend einde, maar Ripley krijgt wel degelijk z’n verdiende
loon en méér. Dit is één van m’n persoonlijke favorieten – zelfs
een inferieur vervolg kan daar niets aan veranderen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

11 − vier =