We Were Soldiers



133 min. / USA

Ze blijven ons de militaire drama’s naar het hoofd
smijten, dit jaar, als waren het condooms in een dark-room. ‘We
Were Soldiers’ mikt duidelijk op hetzelfde effect als het eerder
verschenen ‘Black Hawk Down’, maar
waar die eerste film nog kon rekenen op een zekere visuele flair en
vakkundige regie van Ridley Scott, moet deze het stellen met de
schrijver van ‘Pearl Harbor’ als
scenarist en regisseur. Bepaald geen voorbode van grootse cinema,
en inderdaad, het resultaat is, net als ‘Pearl Harbor’, beschamend.

‘We Were Soldiers’ beschrijft de eerste grote slag uit de
Viëtnamoorlog, in de Ia Drang-vallei. Mel Gibson speelt
luitenant-kolonel Hal Moore, die de opdracht krijgt een aantal
elitetroepen te trainen en hen vervolgens de vallei in te leiden
naar wat verondersteld wordt een grote overwinning te worden. De
precedenten zijn echter niet erg gunstig – in 1960 werd een
regiment Franse soldaten in diezelfde vallei genadeloos afgeslacht
door de Viëtcong, en Moore weet dat maar al te goed. Maar hey,
Moore is intelligent, hij kan leren van de geschiedenis, hij heeft
goed getrainde soldaten aan zijn zij, en wat nog belangrijker is:
hij is een Amerikaan, en het mag uit talloze Amerikaanse
oorlogsfilms onderhand wel duidelijk wezen dan Amerikanen
onkwetsbare superhelden zijn.

Gibson wordt bijgestaan door Sam Elliot als sergeant majoor Basil
Plumley, een ijzervreter van het zuiverste water – dat weten we
omdat hij gedurende de hele film geen verstaanbaar woord spreekt.
Hij mompelt maar wat in een diepe bariton, en daar moeten we het
mee stellen. Af en toe deed hij me zelfs denken aan Mumbles uit
‘Dick Tracy’. Onvoorstelbaar hoe Mel Gibson erin slaagt hem wél te
verstaan. Maar ja, daarvoor ken je elkaar dan ook al jaren.

Hal Moore is, zoals Gibson hem speelt, de ideale Amerikaanse
huisvader, die de hele dag hard werkt om zijn vaderland te
verdedigen, maar steeds op tijd thuis is om te bidden met de
kinderen. Het thuisleven van Gibson lijkt zo uit een idyllisch
schilderij van Norman Rockwell te zijn weggelopen, en is net zo
realistisch. Zijn vrouw, Madeleine Stowe, houdt vergaderingen in
haar huis met de andere vrouwen op de basis waar de training
plaatsvindt, over de beste plaatsen om te winkelen en de was te
doen. En volgens de mentaliteit van deze film is dat natuurlijk de
normaalste zaak van de wereld: waar dient een vrouw anders voor dan
om de was en de plas te doen en te wachten tot haar echtgenoot al
dan niet levend naar huis komt?

Elk dramatisch moment in dit gedrocht loopt mank, met ronduit
belachelijke dialogen (let op het moment dat één van de vrouwen in
woede uitbarst over rassendiscriminatie, let erop!!) en situaties
waarvan je je gewoon nog in geen honderd jaar kunt voorstellen dat
ze zich in de realiteit zouden voordoen.

Maar goed. Gibson leidt zijn mannen de Ia Drang vallei in, onder de
nobele belofte dat hij zelf de eerste zal zijn die een voet op de
grond zet, en de laatste die terug in de helikopter stapt. Drie
dagen zitten de soldaten vast in die vallei en het terrein errond,
en wanneer we Gibson eindelijk – inderdaad als laatste – weer in de
helikopter zien klimmen, weten we enkel dat dit een overwinning
voor de Amerikanen was omdat er meer Viëtnamese lijken liggen dan
Amerikaanse. Welk doel deze uitputtingsslag gediend heeft? Geen
enkel, behalve dan dat het een conflict op gang trok dat bijna tien
jaar later niet alleen tienduizenden mensen het leven gekost zou
hebben, maar ook heel de VS in tweeën dreigde te scheuren.

Randall Wallace heeft geleerd uit de fouten die hij maakte bij
‘Pearl Harbor’, of althans, hij
denkt dat te hebben gedaan. Om beschuldigingen van rabiaat en
ongepast patriottisme te vermijden, draagt hij tijdens de
openingsmonoloog de film niet alleen op aan de Amerikaanse doden
van Ia Drang, maar ook aan de Viëtnamezen die er het leven lieten.
Net zo goed krijgen we tegen het einde van de film een Vietnamese
soldaat te zien die sneuvelt, waarna diens dagboek wordt
teruggevonden. Er zit een foto van een meisje in – zijn vriendin of
zijn vrouw, veronderstellen we. Viëtnamezen houden ook van hun
gezin.

Dat is allemaal nog goed en wel, en wat ik nu heel graag zou willen
zeggen is dat deze film dan wel héél slecht mag zijn op zuiver
cinematografisch gebied (melig, voorspelbaar, slecht gefilmd
enz…), maar dat hij moreel tenminste goed zit door de oorlog als
een hel voor te stellen. Dat zou ik heel graag zeggen, maar dat kan
ik niet. Want de zichtbare pogingen die Wallace hier onderneemt om
de niet-Amerikaanse markt tevreden te houden, zijn enkel
afleidingsmanoeuvres die ons blind dienen te maken voor de blatante
VS-propaganda die hier gespuid wordt. Laat u hier vooral niet aan
vangen: in de logica van ‘We Were Soldiers’ is en blijft oorlog een
nobele onderneming.

Getuige daarvan zijn scènes waarin een soldaat al stervende kreunt:
“ik ben blij voor mijn land te sterven.” Mel Gibson zit te bidden
voor hij ten strijde trekt en vraagt aan God om niet te luisteren
naar de gebeden van de Viëtcong – deze scène wordt humoristisch
gespeeld, maar je voelt dat Wallace er eigenlijk wel mee akkoord
gaat. Gibson lijkt hier vaak de reïncarnatie van John Wayne, die
manhaftig tussen de kogels zigzagt. Wanneer één daarvan rakelings
zijn uniform voorbijzoeft, kijkt hij even geërgerd achter zich en
schiet achteloos de dader neer. Hij moet zinnen uit z’n bek wringen
als “we WILL hold this hill!” Op het einde, wanneer de VC het
slagveld overschouwt, kan zelfs een Vietnamese soldaat het niet
opbrengen een klein Amerikaans vlaggetje uit een omgevallen
boomstam te halen. Hij laat het respectvol steken.

Ik weet niet wat nu erger is – het rechtvaardigen van een oorlog op
politieke gronden, zoals ‘Pearl
Harbor’
dat deed, of op religieuze gronden, zoals ‘We Were
Soldiers’ dat schijnbaar tracht te doen? Elke soldaat uit deze film
is een gelovig mens die God aan zijn kant heeft staan. Wanneer de
Viëtnamezen dan toch als mensen worden voorgesteld, is dat omdat de
goede christenen die de Amerikanen zijn, hen dat gunnen. Laten we
hen af en toe maar een menselijk trekje meegeven, als katholieke
Amerikanen zijn we dat verplicht.

Daar komt nog bij dat Wallace’s regie van de actiescènes, in
vergelijking met die van Ridley Scott, maar een mager beestje is.
Scott was tenminste nog getalenteerd genoeg om tegelijk de chaos
van een oorlog duidelijk te maken, terwijl hij ons toch wist te
oriënteren binnen de actie. Wat je hier krijgt, is uitsluitend die
chaos, geankerd door het smoelwerk van Gibson. Je
geluidsinstallatie smelt bijna weg omdat er zoveel lawaai door de
speakers knalt, en er ontploft vanalles en nog wat… Maar dat is
nog wat anders dan een interessant filmgebeuren.

‘We Were Soldiers’ is drag. Laten we hopen dat Mel Gibson zijn
carrière met het spoedig uit te komen ‘Signs’ weer enig artistiek leven in kan
blazen. Lager kan hij in ieder geval niet meer zinken.

http://www.weweresoldiers.com

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

12 + vijftien =