Trainspotting

Sommige films worden klassiekers door de consensus van
een publiek van vele jaren later. Andere films zijn al klassiekers
van bij hun eerste release. ‘Trainspotting’ valt duidelijk in de
tweede categorie.

Zoals tegenwoordig genoegzaam bekend is, is de film gebaseerd op
het boek van Irvine Welsh, een vaak in fonetisch Schots geschreven
verzameling verhalen rond een groepje junkies uit Edinburgh.
‘Trainspotting’ het boek is net zozeer een roman als
‘Trainspotting’ de film een film is in de klassieke betekenis van
het woord: er zijn wel degelijk gelijkenissen zichtbaar, maar toch
zijn we eigenlijk over iets helemaal anders bezig, iets dat zich
niet laat vatten onder noemers als “roman” of “film”.

De film was het tweede project van de tandem John Hodges (de
scenarioschrijver), Danny Boyle (de regisseur) en Ewan McGregor als
acteur, na de thriller ‘Shallow Grave’. Die eerdere film hadden ze
kunnen maken zonder dat iemand hen in de gaten hield; een groepje
jonge enthousiastelingen die met een klein budget even hun filmpje
in elkaar knutselden. Maar het resultaat was een schitterende
thriller die het uitstekend deed aan de kassa. Hollywood lonkte
vanaf het eerste moment, maar de heren bleven gewoon lekker thuis
en maakten ‘Trainspotting’.

Het boek is meer dan wat ook een zintuiglijke ervaring. Iemand
schreef ooit dat je van de inkt van het boek alleen al high kunt
worden, en dat is niet eens zo ver bezijden de waarheid. Een
samenhangende plot valt uit het boek niet te puren, het is een
reeks gebeurtenissen die samen een indruk geven van het leven van
drugsverslaafden in Schotland. Voor de film werd het verhaal wel
iets meer samengetrokken tot een samenhangende belevenis. Renton
werd duidelijk het hoofdpersonage, terwijl hij in het boek niet
meer te vertellen had dan pakweg Spud of Sick Boy. Bepaalde andere
personages zijn gewoon helemaal verdwenen. Maar toch vinden we de
toon en de boodschap van het boek helemaal intact terug.

Boyle en Hodges weigeren, helemaal in de sfeer van het boek, om een
waarschuwend, vermanend vingertje op te steken naar druggebruikers.
De filmmakers waren zowat de eersten die er niet voor terugdeinsden
te erkennen dat zware drugs vast ook wel heel lekker zouden zijn.
Anders zou er geen probleem zijn, natuurlijk. Dit leidde tot
verontwaardigde kreten van protest in bepaalde kringen, van mensen
die beweerden dat de film druggebruik zou promoten. Dat deze mensen
in verscheidene gevallen de film niets eens gezien hadden, leek hen
niet te hinderen. Wie wél die moeite doet, ziet een heel ander
verhaal.

Humor en fun worden niet gemeden, en een hippe soundtrack is
overduidelijk bedoeld om het jongere publiek te lokken. Wanneer
Spud bij zijn vriendin thuis de lakens volschijt en deze vervolgens
laat openspatten op een gezin aan tafel voor het ontbijt, dan is
dat grappig. Maar wanneer de bende junkies een baby laat creperen
omdat ze te stoned zijn om ervoor te zorgen, wanneer Renton na een
overdosis letterlijk zijn graf inzakt en tijdens een afkicksessie
gruwelijke hallucinaties ziet, wordt elke redenering dat deze film
druggebruik promoot, radicaal onderuit gehaald.

In plaats van voor de veilige, televisiefilm-aanpak te kiezen, met
snotterende moeders en junkies die gewoon voor geen meter deugen en
al hun menselijkheid verliezen zodra ze die naald in hun arm
steken, nemen de filmmakers hier een groot risico door van hun
junkies relatief sympathieke personages te maken. De enige voor wie
we echt niets kunnen voelen, is Begbie, de enige van het gezelschap
die geen drugs gebruikt. Maar dan staat daar wel weer tegenover dat
Sick Boy, Spud en zelfs Renton elkaar continu verraden om aan drugs
of geld te kunnen komen. Van enig eergevoel is geen sprake.

Als film introduceerde ‘Trainspotting’ de Britse cinema tot een
nieuwe stijl die tegenwoordig tot in den treure is herhaald door
filmmakers met weinig talent maar een grote smoel – laat ons eens
even aan Guy Ritchie denken. Snelle montage, een coole soundtrack
en visuele trucjes zoals freeze-frames en titels die de naam van
het personage aanduiden. Dat soort dingen zien we tegenwoordig maar
al te vaak, maar vergis u niet: ‘Trainspotting’ heeft de trend
gestart. Ook hier is het de bedoeling een gevoel op te wekken, de
losgeslagen sfeer van het boek, die het mogelijk maakt om in een
kwestie van seconden over te schakelen van zwaar drama naar
pikzwarte humor.

Uiteindelijk schetst ‘Trainspotting’ op een zeer accurate wijze een
schrijnend beeld van een maatschappij die zichzelf zo heeft
vastgewerkt in uitzichtloze saaiheid – die treurige ronde
werk-thuis-bingo op zaterdagavond – dat zaken zoals druggebruik
haast onvermijdelijk worden. Wanneer we Renton na zijn afkicken
wezenloos voor zich uit zien staren op een bingoavond waar hij
samen met zijn ouders is, heb ik zo het gevoel dat heel wat
jongeren zijn gevoel van totale verveling en onverschilligheid
tegenover de banaliteit van het gebeuren, zullen begrijpen. Waarom
zou je voor het leven kiezen, als het niet meer te bieden heeft dan
dat? De stelling die ‘Trainspotting’ lijkt te maken, is dat het
drugprobleem een symptoom is van een dieper probleem binnen de
samenleving, repressief en hypocriet als ze – zeker in Engeland –
is.

Ooit hoorde ik een dame van rond de 45 klagen dat haar
zeventienjarige zoon de video van ‘Trainspotting’ in huis had
gehaald. Ze had de film zelf niet gezien, maar was wel thuis toen
haar zoon ernaar keek, en verkondigde verontwaardigd dat ze de “ene
fuck van hier en shit van ginder” had gehoord. Ze wist het
natuurlijk niet, maar ze sprak over een film die over haar zelf
ging. En over de mensen van haar generatie.

Er zijn drie films over druggebruik die iedereen gezien zou moeten
hebben: Gus Van Sants meesterlijke ‘Drugstore Cowboy’, Darren
Aronofsky’s angstaanjagende ‘Requiem For
A Dream’
en deze ‘Trainspotting’. Ze geven alledrie een
verschillende blik op het probleem, zowel inhoudelijk als
stilistisch liggen ze mijlen uit elkaar. Maar daardoor vullen ze
elkaar ook aan, en tezamen geven ze wellicht meer antwoorden dan
eender welke overheidscampagne ooit zou kunnen. ‘Trainspotting is
een wilde rit door een gevaarlijke wereld die iedereen – meerdere
keren – zou moeten nemen. Samen met de kinderen, waarom niet?

Noot: de titel ‘Trainspotting’, slaat niet enkel op de gewoonte te
gaan kijken naar de treinen die het station in- en uitgaan. Junkies
die net zijn afgekickt doen dat wel, als symbool van de vreselijke
verveling die ze voelen. Maar meer nog verwijst de term
“trainspotting” naar het spotten van de dealer, en naar het zoeken
van een goed plekje in de ader om drugs te spuiten. Dit laatste
wordt ook wel going from station to station genoemd, telkens iets
verder op de ader injecteren. Dat weet u dan ook weer.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

5 − 2 =