The Insider


In een filmjaar dat voor het overige heel weinig te bieden had –
buiten dan uitzonderingen zoals ‘American Beauty’ en ‘The Sixth Sense’ – is het een opluchting
dat er nog eens een film verschijnt die bewijst dat intelligente
Amerikaanse cinema nog steeds mogelijk is. Russell Crowe en Al
Pacino zijn de twee hoofdrolspelers in ‘The Insider’, een drama
gebaseerd op waargebeurde feiten, rond een chemisch adviseur in een
groot tabakbedrijf die wordt ontslagen omdat hij het gebruik van
bepaalde chemicaliën in sigaretten niet kan tolereren. Deze
chemische producten verhogen de verslaving van de gebruiker; een
verslaving die overigens wetenschappelijk is vastgesteld, maar door
betaalde experts van de tabaksgiganten onder ede wordt ontkend.

De werkgever van deze man, Jeffrey Wigand (Russel Crowe), zou
dus wel eens een aanklacht wegens (het aanzetten tot) meineed en
het bewust in gevaar brengen van de volksgezondheid te wachten
kunnen staan. Om zijn stilzwijgen te garanderen, leggen ze hem een
spreekverbod op waarvan het verbreken gelijk staat met het verlies
van zijn ziekteverzekering en andere financiële voordelen. Voor de
Wigands, die een astmatisch dochtertje hebben, is dat geen detail,
maar Jeffrey besluit toch zijn boekje open te doen voor het
tv-programma ’60 Minutes’, nadat hij in contact is gekomen met
producer Lowell Bergman (Al Pacino).

Zo begint een aangrijpend, tweeënhalf uur durend relaas over
bedrijfsintriges, persoonlijke opoffering en de keuzes die je maakt
in je leven. Klinken deze thema’s misschien vrij banaal, de aanpak
ervan is zonder meer virtuoos. Regisseur Michael Mann, die al
eerder met Pacino samenwerkte in zijn misdaadepos ‘Heat’, weet zuivere emoties uit de
omstandigheden te puren, zonder een enkele noot van vals sentiment.
Tegen een rustig maar gestaag tempo doet hij zijn verhaal uit de
doeken, waarbij hij onmetelijk wordt geholpen door de twee
hoofdacteurs – Al Pacino heb ik van m’n leven nog zo ingehouden
niet zien acteren, en Russel Crowe, kandidaat voor een Oscar, weet
de moedeloosheid van antiheld Wigand perfect over te brengen. De
man is overigens voor deze rol twintig kilo aangekomen, die hij er
dan voor ‘Gladiator’ onmiddellijk
weer af moest schudden. Dit is een man wiens leven totaal naar de
verdommenis wordt geholpen – hij raakt alles kwijt, inclusief zijn
gezin, om een getuigenis af te leggen die uiteindelijk ei zo na
niet eens wordt uitgezonden.

De mooiste scène in ‘The Insider’ is ongetwijfeld de sequentie
die leidt tot het levendige telefoongesprek tussen Wigand en
Bergman – Wigand zit in zijn deprimerende hotelkamer na te denken
en vooral te drinken, wanneer de muur achter hem plots veranderd in
een golvende weergave van zijn eigen tuin, waarin zijn kinderen aan
het spelen zijn. Dit soort scènes leent zich maar al te makkelijk
tot goedkoop sentiment, maar omdat Mann het moment niet langer laat
duren dan noodzakelijk, en omdat hij het niet gebruikt als excuus
om zoetzemerige dialogen of sitcom-achtige knuffels aan op te
hangen, werkt het toch, en de schaal zakt zeer overtuigend door in
de richting van ware ontroering. Het telefoongesprek dat erop
volgt, is een mooi voorbeeld van waar filmdialoog toe in staat kan
zijn – en in de tijden van de Hollywoodse wordsmiths veel vaker toe
in staat wàs: een scherpe, maar levensechte conversatie
voortbrengen, die haast automatisch goede acteerprestaties
uitlokt.

Ook visueel heeft ‘The Insider’ heel wat te bieden – om een
claustrofobisch gevoel te geven aan de film, laat Mann de camera
uitsluitend horizontaal bewegen, nooit verticaal. Het ruimtegevoel
blijft beperkt, zelfs in buitenopnames. Het veelvuldig gebruik van
(medium) close-ups, (en sowieso zelden wide shots) draagt daar ook
aan bij.

De belangrijkste visuele truc is echter het haast continue
gebruik van de kleur blauw – Jeffrey Wigand is een insider in elke
betekenis van het woord, en voelt zich enkel goed wanneer hij op
bekend terrein is; bij hem thuis, tijdens het interview of in het
Japanse restaurant. Voor het overige, wanneer hij zich buiten
bevindt, of op vijandig gebied, voelt hij zich ongemakkelijk, haast
hulpeloos. De koele, afstandelijke kleur blauw geeft die
radeloosheid weer, en is dan ook alom aanwezig. Ofwel is de
belichting gewoon zo ingesteld, ofwel heeft één van de personages
wel een opvallend blauw kledingsstuk aan. Vergeet overigens ook
niet dat blauw de kleur van niet-geïnhaleerde sigarettenrook
is.

Voor het overige moet bovenal gezegd worden dat ‘The Insider’
zeker geen uitsluitend intellectuele ervaring is, in tegendeel
zelfs. In de eerste plaats wordt de film gedreven door de
personages en hun emoties, en in de tweede plaats door de plot. De
vragen die worden gesteld rond de verantwoordelijkheden van niet
alleen de tabaksindustrie maar ook van de pers – die Wigand’s
verhaal bijna niet uitzenden omdat het een profijtige overname in
de war zou kunnen sturen – zijn uiteindelijk maar van secundair
belang.

Goede films, heb ik horen zeggen, moeten je bij drie
lichaamsdelen vastgrijpen: je hart, je kloten en je verstand, en
dan nog wel in die volgorde. Die les heeft ‘The Insider’ alvast
goed begrepen. Ik gebruik het woord “meesterwerk” niet graag, omdat
het zo’n goedkope, sensationele manier lijkt om je waardering te
laten blijken – als je niet weet hoe je moet zeggen waarom je een
film erg goed vond, dan schreeuw je gewoon “meesterwerk” en
iedereen weet wat je bedoelt. Maar als ik het zou gebruiken, dan
zou ik dat voor deze film zeker doen.

http://www.theinsider-themovie.com/

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twee × een =