Blog: Il Cinema Ritrovato 2026

Onder de benaming Il Cinema Ritrovato XL viert het filmfestival in Bologna de veertigste verjaardag in stijl. Elk jaar verzamelen duizenden filmfans, journalisten en filmwetenschappers in de Italiaanse bergstad om een festival bij te wonen dat geen enkele nieuwe film toont, maar niettemin honderden ontdekkingen aanbiedt. Zoals de benaming suggereert, gaat het om teruggevonden films, gerestaureerde werken of titels die (soms ternauwernood) aan de klauwen van de vergetelheid werden ontrukt. Zo waren hoogtepunten vorig jaar adembenemend mooie restauraties van klassiekers zoals Stanley Kubricks Barry Lyndon en Michael Mann’s Thief!, de eerste vertoning ooit van de Bollywood-klassieker Sholay met de oorspronkelijk bedoelde (maar door de Indische overheid indertijd gecensureerde) finale, maar ook een scan van The Scarlet Drop, een verloren gewaande stille film van de grote John Ford die net op tijd uit een voor de sloophamer bestemd Argentijns warenhuis gered werd. Dit jaar zijn er retrospectieven rond de grote Luchino Visconti, wat vergeten namen uit de Amerikaanse en Japanse filmgeschiedenis zoals Mitchell Leisen en Daisuke Ito, en staan er vertoningen op het programma waar reikhalzend wordt naar uitgekeken zoals een 35mm print van het pas gerestaureerde (en nu totaal ongecensureerde) schandaalsucces The Devils van Ken Russell.

Vanaf zaterdag 20 juni kan u elke dag op deze blog verslag vinden van al het cinematografisch moois dat in Bologna getoond wordt, al dan niet op het reusachtige scherm onder de open sterrenhemel die neerkijkt op de Piazza Maggiore in het hart van de stad.

Voorbeschouwing

The Devils 

Een van de meest spraakmakende vertoningen in Bologna dit jaar wordt zeker die van de gerestaureerde versie van The Devils. Ken Russels beroemdste film is meteen ook zijn meest spraakmakende, aangezien de prent in de ene helft van de wereld gewoon verboden werd en elders zwaar gecensureerd. Dat heeft uiteraard te maken met het sensationele onderwerp gebaseerd op het boek De Duivels van Loudun, dat verhaalt hoe een gefrustreerde non uit een zeventiende-eeuws Frans slotklooster zich keert tegen de priester die ze heimelijk begeert en hem beschuldigt van satanisme, waarna de weinig vrome dienaar van god een speelbal wordt van politieke machtspelletjes en uiteindelijk op de brandstapel sterft.

In handen van Russell wordt dit een uitzinnig barok spektakel – let ook op de knappe sets van de hand van later regisseur Derek Jarman – waarin beate zusters zich overgeven aan orgieën en duiveluitdrijvers zich schuimbekkend te buiten gaan aan folteringen en seksuele escapades. Visueel is het allemaal verbluffend virtuoos met schitterende composities die maximaal gebruik maken van het contrast tussen zwarte liturgische gewaden en hagelwitte muren.

Op Il Cinema Ritrovato wordt de volledig gerestaureerde versie vertoond, wat wil zeggen dat ook de meest shockerende beelden opnieuw in de film zitten, een gegeven dat zeker voor de nodige consternatie kan zorgen.

‘The Devils’ van Ken Russell met Oliver Reed, Vanessa Redgrave. Uk, 1971. Score: 9/10

Vrijdag 19 Juni

De Piazza Maggiore wacht op het vallen van de duisternis voor de avondvertoning (beeld David Vanden Bossche voor Enola)

Het festival gaat officieel pas morgen van start, maar zowel in de dagen (en weken) voorafgaand aan, als volgend op, de cinefiele hoogmis in Bologna, worden in de stad en op de Piazza Maggiore reeds verschillende vertoningen georganiseerd. Onder de sterrenhemel valt dan ook elke avond op een gigantisch scherm aan de voet van de indrukwekkende stadskathedraal een film te bewonderen.

Il Generale Della Rovere

Veelal vergeten oorlogsdrama van Roberto Rossellini gebaseerd op een historische figuur wiens verhaal begint als dat van een oorlogsprofiteur die geld slaat uit de penibele situatie van veel Italianen wier familieleden door de Duitsers worden vastgezet wanneer die aan het eind van WO II Italië met ijzeren hand besturen. Wanneer de man betrapt wordt, dwingt een Duitse commandant hem ertoe om de plaats in te nemen van een neergeschoten verzetsleider om op die manier meer informatie te vergaren over het Partizanenleger. Er wordt de oplichter vrijheid en fortuin voorgehouden, maar onder invloed van de rol die hij noodgedwongen moet spelen, begint er ook een fascinerende heroïsche transformatie plaats te vinden.

Vittorio De Sica, beroemd regisseur van het Italiaanse Neorealisme maar ook zeer begenadigd acteur, zet een geweldige vertolking neer als de tegelijkertijd tragische en bewonderenswaardige protagonist. In het eerste deel van de prent is hij een en al slinkse charme, op een manier die doet denken aan hoe Adam Sandler decennia later in Uncut Gems van de Safdie broers probeert te vermijden dat het net zich om hem heen sluit. Het tweede luik roept echo’s op van Jean Renoirs La Grande Illusion in de wijze waarop een portret geschetst wordt van twee mannen die door de oorlogssituatie vijanden zijn, maar toch een soort erecode delen. Alles wordt geborsteld tegen de achtergrond van een kapotgeschoten Italië en beklijvende expressionistische taferelen in een kale gevangenis.

Il Generale Della Rovere is gedraaid vele jaren na Rossellini’s beroemde neorealistische films en heeft daar buiten wat oppervlakkige elementen ook niet zo heel veel uitstaans mee: dit is een fors melodrama, eerder dan een film waarin een nieuw gebruik van tijd centraal staat.

‘Il Generale Della Rovere’ van Roberto Rossellini met Vittorio De Sica, Hannes Messemer. Italië, Frankrijk, 1959. Score: 9/10

Zaterdag 20 Juni

De XL editie van Il Cinema Ritrovato gaat vandaag officieel van start. Onder een loden zon en temperaturen van meer dan achtendertig graden, begint de jaarlijkse filmarathon meteen met een aantal hoogtepunten, waaronder een stille vertoning met Benshi begeleiding.

Report to Mother (Amma Ariyan)

Sterk politiek geëngageerd drama van de moeilijk te catalogeren Indische filmmaker John Abraham die heel jong overleed en slechts een handvol titels naliet. Abraham was ook de bezieler van het ‘Odessa’ filmcollectief dat geld ophaalde door het verhuren van 16 mm kopies en dat gebruikte om eigen producties te financieren.

Deze in het Malayalam gedraaide prent (een minder prominente industrie in India dan de Hindi- en Tamilfilms) toont hoe de dood van een activist leidt tot een odyssee waarop een idealistische jongeman volgelingen verzamelt met wie hij verschillende schrijnende sociale situaties afreist – het uiteindelijke doel is de moeder van de overledene op de hoogte te stellen van de dood van haar zoon. In een stijl die sterk schatplichtig is aan de Cinema Nôvo en gebruik maakt van een ‘handheld’ camera die met korte lenzen de personages volgt en vaak een wat vervormend effect heeft op het landschap, schetst Abraham de lange tocht van zijn protagonist die voortdurend botst op maatschappelijke en politieke onrechtvaardigheid.

Het activisme in Amma Ariyan is hier en daar wat nodeloos nadrukkelijk en illustratief, maar er gaat van de serene beeldtaal een grote kracht uit die de kijker twee uur lang in de ban weet te houden.

‘Amma Ariyan’ van John Abraham met Kunhulakshmi Amma, Nilambur Balan. India. 1986. Score: 7,5/10

Chokon

Daisuke Itô staat als regisseur vooral bekend om zijn stille samoerai-epen die geprezen werden om het expressieve gebruik van camera en montage. Omdat het grootste deel van de zwijgende periode van de Japanse film echter verloren is gegaan, blijven van ’s mans oeuvre vooral geluidsprenten over. Wat wel nog overblijft uit het eerste deel van Itô’s carrière, doet inderdaad vermoeden dat hij een meester was in het ensceneren van complexe beelden, iets wat trouwens ook nog blijkt uit zijn later en beter bewaard werk.

Chokon was oorspronkelijk een film bestaand uit negen spoelen waarvan enkel de (ongeveer vijftien minuten durende) laatste overleeft waarin we zien hoe de samoerai-protagonist (de toen erg bekende Denjirô Ôkôchi) zijn leven geeft voor zijn liefdesrivaal en de jongedame die ze beiden aanbidden. De krijger neemt het op tegen een heel leger belagers en de actie wordt doorspekt met bruuske flitsen die de kwelling van het personage weergeven, een ingreep die observators indertijd vergelijkingen liet maken met de Franse en Russische cinema van respectievelijk Abel Gance en Alexander Dovzhenko. Vooral de laatste minuten waarin de stervende vechter verstrikt wordt in een web van touwen, zijn bijzonder sterk. Het is moeilijk de film echt te taxeren op basis van het partiële materiaal, maar de spectaculaire climax verraadt een wellicht bijzonder knap werkstuk dat verloren ging.

Op Het Cinema Ritrovato festival werd de vertoning van Chokon zowel begeleid door muziek op traditionele Japanse instrumenten als door een zogenaamde Benshi, een verteller die het narratief ondersteunt en ook stukken dialoog opvoert. Deze oorspronkelijk uit het theater afkomstige traditie is zo goed als volkomen uniek verbonden aan de stille Japanse cinema en zorgde ervoor dat onder druk van de Benshi’s (die hun job bedreigd zagen) het geluid in de Japanse film pas veel later zijn intrede deed dan elders in de wereld.

‘Chokon’ van Daisuke Itô met Denjirô Ôkôchi, Yayoi Kawakami. Japan, 1926. (Partiële) Score: 7,5/10

traditionele muzikale begeleiding en een benshi voor de vertoning op Il Cinema Ritrovato (beeld: David Vanden Bossche voor Enola)

Ôshô (The Grand Master)

Er blijft heel weinig over van Daisuke Itô’s omvangrijke stille oeuvre waardoor filmhistorici vooral aangewezen zijn op zijn latere geluidswerk dat doorgaans als iets minder kwalitatief wordt omschreven. Dat is echter een relatieve term en zelfs diegenen die de stelling aanhangen dat Itô zijn grootste meesterschap tentoon spreidde in zijn vele stille periodefilms, rekenen Ôshô (terecht) tot het allerbeste dat de cineast in latere jaren nog afleverde.

Dit expressieve en onvergetelijke melodrama (geïnspireerd door het leven van een bestaande historische figuur) verhaalt hoe een schaakspeler van lage komaf zijn leven en gezin beproeft op zijn weg naar de top van de competitie en in zijn betrachting om de eerste grootmeester uit Osaka te worden. We zien de jaren en decennia verstrijken terwijl hij eerst zelfs de kimono van zijn dochtertje moet verkopen om ingangsgeld van een tornooi te betalen en later moet inzien hoe zijn blinde ambitie onheelbare wonden geslagen heeft in de relatie met zijn omgeving. De opbouw naar een spirituele loutering die ook een onderhuidse kritiek inhoudt op de imperialistische en oorlogszuchtige retoriek die Japan anno 1948 tot een bezette natie had gemaakt, wordt gevat in hartverscheurend sterke dramatische scherzi die met een adembenemende virtuositeit in beeld worden gezet. Er zijn de terugkerende prachtig in de diepte geënsceneerde scènes die spelen in de door symbolen van de moderniteit gedomineerde armtierige buurt waarin het gezin initieel vertoeft, maar ook de strakke, hiëratische taferelen rond de Japanse variant van het schaakspel waar de niet geïnitieerde kijker geen snars van begrijpt maar waarin die wel wordt meegezogen door de intense beeldtaal.

Bevat een aantal delirante hoogtepunten zoals de confrontatie met de recalcitrante volwassen geworden dochter die jarenlang mee de obsessie van haar vader mee gedragen heeft en op een cruciaal moment haar eigen inzicht in het spel illustreert door de verafgoding van de ondertussen beroemde speler als hol te ontmaskeren. Ook de finale waarin de traditionele ideeën over eer onderuit gehaald worden en vervangen door een diepere betekenis, is adembenemend mooi.

Itô draaide later nog een remake van ditzelfde verhaal in kleur en met een andere hoofdrolspeler.

‘Ôshô’ van Daisuke Itô met Tsumasaburô Bandô, Isamu Kosugi. Japan, 1948. Score: 10/10

Darling, How Could You!

Mitchell Leisen draaide als regisseur vooral lichte komedies, voordat hij in de jaren veertig zich waagde aan meer dramatisch materiaal. Voor zijn laatste twee films onder contract bij ‘Paramount’ keerde hij terug naar het genre dat hem zijn grootste successen bracht. Darling, How Could You! is gebaseerd op een toneelstuk van J.M. Barrie en bevat bij de start dan ook een rechtstreekse knipoog naar diens veel beroemdere werk Peter Pan.

De relaties tussen kinderen en volwassenen zijn ook hier heel belangrijk, zeker voor het koppel (Joan Fontaine en John Lund) dat terugkeert naar hun kroost na de dood van de grootmoeder die voor de kleinsten zorgde terwijl de ouders medische ondersteuning boden bij het graven van het Panamakanaal. Ze zien zich geconfronteerd met kinderen die hen niet meer herkennen, een opstandige verzorgster die de jongste als haar eigen vlees en bloed beschouwt en een oudste dochter met veel fantasie, die er al gauw van overtuigd raakt dat haar moeder er een passionele relatie op nahoudt met een andere man.

Vooral in het eerste deel zijn de dialogen en misverstanden pittig en geslaagd, maar de film lijdt enorm onder de toneelmatigheid, een euvel dat Leisen nooit echt helemaal kan doorbreken. Fontaine en Lund (met wie de regisseur eerder al een paar keer eerder samenwerkte) hebben weinig echte chemie en het resultaat is dan ook een bij momenten geestige, maar zeker niet memorabele komedie.

‘Darling, How Could You!’ van Mitchell Leisen met Joan Fontaine, John Lund. Usa, 1951. Score: 6,5/10

Ladies of Leisure

Overrompelend superieur melodrama van Frank Capra (hier nog op de generiek als Frank R. Capra) over een jong gezelschapsmeisje dat model staat voor een begoede schilder, de ware liefde vindt, maar haar geluk gedwarsboomd ziet door haar verleden. Dit is de eerste sterrol voor Barbara Stanwyck en haar eerste samenwerking met Capra. De jonge actrice steelt meteen elke scène in een voorafschaduwing van haar lange succesvolle carrière. Een andere opvallende collaboratie is die met fotografieleider Joseph Walker die hier een tweede keer met Capra werkt – het begin van een bijzonder succesvolle, blijvende samenwerking – maar Stanwyck voor dezelfde studio ook regelmatig in andere titels zou in beeld brengen. Walker tovert met licht en schaduw, enkele scènes zijn opvallend omwille van de beperkingen die ze illustreren van de toenmalige negatieven: wanneer Stanwyck sterk uitgelicht op de voorgrond staat en het achterplan tevens van belang is, is duidelijk merkbaar hoe echte dieptescherpte nog niet tot de mogelijkheden behoort.

Los van die technische en productionele kwaliteiten, is dit ook een meeslepende brok romantiek waar een grote emotionele kracht van uitgaat.

‘Ladies of Leisure’ van Frank Capra met Barbara Stanwyck, Ralph Graves. Usa, 1930. Score: 9/10

Easy Living

Mitchell Leisen zal nooit door de geschiedenis herinnerd worden als een groot auteur en behoort zeker niet tot het kransje van topregisseurs uit de glorieperiode van het Amerikaanse studiosysteem, maar dat wil niet zeggen dat hij niet regelmatig boven zichzelf uitsteeg en een meer dan behoorlijke titel afleverde. Easy Living is zeker een van zijn allerbeste films, al is dat voor een groot deel ook wel te danken aan een vinnig script van onder andere de latere grote regisseur Preston Sturges, en aan een weergaloze vertolking van Jean Arthur.

Arthur speelt een eenvoudig meisje uit New York op wiens hoofd op een dag een dure bontmantel neerdwarrelt. Die werd van het dak gegooid door een miljonair die ruzie heeft met zijn vrouw over het prijskaartje van het kledingstuk. De bontmantel wordt de spil in een zich opstapelende reeks misverstanden die – de cyclus van depressiefilms indachtig – ervoor zorgen dat Arthur niet langer in armoede hoeft te leven.

Veel meer dan in ander werk weet Leisen hier een perfect ritme te vatten en dat ook vol te houden. Easy Living bevat hilarische situatiehumor, maar evenzeer mooie stukjes slapstick zoals een weerkerend gevecht dat personages voeren met telefoonlijnen.

‘Easy Living’ van Mitchell Leisen met Jean Arthur, Ray Milland. Usa, 1937. Score: 8,5/10

Zondag 21 Juni

Ritrovato is nu echt opgestart en vanavond mogen we op de Piazza Maggiore niemand minder dan Isabella Rossellini verwachten die de vertoning van David Lynch’ Wild at Heart komt inleiden. Buiten die laatavondvoorstelling in openlucht, is er vandaag natuurlijk ook alweer een bijzonder gevuld regulier festivalprogramma.

Wild at Heart op de Piazza Maggiore met inleiding door Isabella Rossellini (top rechts) beelden: David/Manon Vanden Bossche voor Enola

Death Takes a Holiday

De Dood wil weten hoe het voelt om menselijke emoties te kennen en neemt gedurende drie dagen de gestalte aan van een buitenlandse prins (Fredric March) die te gast is op het landgoed van een rijke baron. Dat lijkt een geslaagd uitgangspunt voor een romantische komedie, maar de film ontbreekt elke vorm van ritme en charme. Regisseur Mitchell Leisen bedient zich van een stijl die anno 1934 reeds vreselijk traag en oubollig was en volgepropt zit met lang uitgesponnen expositie en theatraal stijve dialogen: Magere Hein spendeert niet minder dan tien minuten aan het uiteen zetten van zijn plan aan zijn verschrikte gastheer.

March is geïnspireerd als de prins, de rest van de cast is een pak minder. De enige die wat soelaas brengt is de ervaren fotografieleider Charles Lang, die niet alleen verzorgde visuele effecten creëert voor de in zwarte kapmantel gehulde dood, maar ook met belichting voor efficiënte sfeerschepping zorgt en een aantal mooie dingen doet met zwart-wit contrasten: let op hoe de pikzwarte avondmantel van de geliefde van March tijdens de finale weldadig contrasteert met haar spierwitte baljurk.

‘Death Takes a Holiday’ van Mitchell Leisen met Fredric March, Evelyn Venable. Usa, 1934. Score: 5/10

Gerô no Kubi (The Servant’s Neck)

Tegen de tijd dat Daisuke Itô deze nieuwe versie draaide van zijn bejubelde stille prent uit 1929, was die eerste reeds onherroepelijk verloren gegaan. Sommigen zagen in deze productie dan ook een poging van de cineast om alsnog dit werk te bewaren, al kreeg de geluidsincarnatie nooit dezelfde lof toegezwaaid als de veel oudere voorganger.

De plot blijft uiteraard dezelfde en draait om de trouwe dienaar van een jonge samoerai. De meester moet noodgedwongen zijn leven spenderen aan wraak nemen voor de moord op zijn vader, de dienaar cijfert zichzelf volledig weg in dienst van deze queeste, maar wordt uiteindelijk samen met zijn geliefde genadeloos opgeofferd aan de kille erecodes van de krijger.

De afrekening met de structuren van het feodale Japan is bitter, maar de mix tussen drama en onhandige slapstick haalt een deel van de kracht die uitgaat van het materiaal toch wat onderuit. Itô boeit echter eens te meer met uiterst verzorgde composities en de elegische finale doet ons veel van de tekortkomingen vergeten.

Gerô no Kubi’ van Daisuke Itô met Jun Tazaki, Akihiko Katayama. Japan, 1955. Score: 7/10

Gli Ultimi Giorni di Pompei

In de jaren negentientwintig verkeerde de eens internationaal zo succesvolle Italiaanse cinema in crisis, waardoor het niet hoeft de verwonderen dat filmmakers teruggrepen naar de meest beproefde succesformule, met name die van het grootschalige (pseudo)historische epos.

De critici waren niet mals voor dit kitschspektakel, maar met de afstand van verschillende decennia mag je stellen dat er toch echt wel te genieten valt van de uitzinnige schaal en grandioze production design van deze goed gevulde laatste dagen van de verdoemde stad Pompei. Vóór alles in de as gelegd wordt, worden we traditiegetrouw vergast op louter derivatief melodrama, hier met een focus op de driehoeksrelatie tussen enerzijds een viriele jonge Patriciër die zijn liefde voor een plaatselijke schone gedwarsboomd ziet door een duivelse hogepriester, en anderzijds het blinde bloemenmeisje dat de jongeman eveneens aanbidt.

De echte bestaansreden van Gli Ultimi Giorni di Pompei ligt in de indrukwekkende reconstructie van de oude stad, met als hoogtepunt een enorme Egyptische tempel waarin zich orgiastische taferelen ontvouwen die duidelijk mee geïnspireerd zijn door het exotisme in de Franse schilderkunst van de negentiende eeuw zoals onder andere beoefend door Jean-Auguste Dominique Ingres.

Aan het eind spuwt de Vesuvius vulkaan uiteraard vuur, wat resulteert in hordes figuranten die wegvluchten tussen de ineenstortende sets, een booswicht die letterlijk door de aarde verzwolgen wordt en een laatste scène in het vroege daglicht die ons opzadelt met een morele coda die u – afhankelijk van hoe gevoelig u bent voor heden ten dage onverdedigbare zaken – de wenkbrauwen zal doen fronsen of (bij voorkeur) doen uitbarsten in een schaterlach.

Zoals de rampenfilms van een halve eeuw later is dit totale onzin, maar wie genoegen neemt met twee uur visueel spektakel zit in ieder geval goed.

‘Gli Ultimi Giorni di Pompei’ van Carmine Gallone, Amleto Palermi met Victor Varconi, Rina De Liguoro. Italië, 1926. Score: 7/10

Kuroi Jûnin no Onna (Ten Dark Women)

Een groep vrouwen lijkt elkaar de schaduwen in een nachtelijke steeg, tot ze in confrontatie komen en zich gezamenlijk lijken te richten tegen één onder hen. Dat is de knappe opening van Kon Ichikawa’s Ten Dark Women, een onbekend buitenbeentje in het oeuvre van de Japanse meester.

Via ellipsen in het verhaal komen we te begrijpen dat het gaat om de echtgenote en negen (!) minnaressen van haar man, een gladde en charmante televisieproducent. De dames hebben het plan opgevat de man te vermoorden, terwijl hijzelf ook wanneer hij lucht krijgt van het opzet, zich van geen kwaad bewust is. Wat begint als een soort frivole Japanse variant op ‘the battle of the sexes’ krijgt al gauw een uiterst donkere toon en mondt uit in een sombere kijk op de snelle modernisering van de Japanse maatschappij en de tol daarvan op relaties en samenleving. Die thematiek zit ook veelvuldig vervat in de films van bijvoorbeeld Yasujirô Ozu, maar wat bij Ozu subtiele observaties zijn, is hier bijtende humor.

Hoewel deze (tragi)komedie geen genre is dat je associeert met de regisseur van Fires on the Plane en An Actor’s Revenge, is er één element dat wel volledig strookt met de rest van Ichikawa’s oeuvre en dat is het ronduit virtuoze gebruik van het breedschermcanvas. Zelfs de meest eenvoudige conversaties worden overweldigende momenten dankzij de uitgekiende beeldtaal die onder andere in het gebruik van de shot/tegenshot techniek op onwaarschijnlijke manier de rand van het kader opzoekt en zo tekent voor de ene indrukwekkende compositie na de andere.

‘Kuroi Jûnin no Onna’ van Kon Ichikawa met Fujiko Yamamoto, Mariko Miyagi, Japan, 1961. Score: 8,5/10

Cradle Song

De regiecarrière van Mitchell Leisen bestaat voor het ene deel uit lichtvoetige komedies, voor het andere uit doorwrochte melodrama’s. Tot die laatste categorie behoort zeker deze ‘tearjerker’ over een devote non die instaat voor de opvoeding van een vondelinge. We volgen de protagoniste eerste als novice en zien hoe ze voor één keer niet worstelt met lust en romantische verlangens, maar blijkbaar met het feit dat ze door haar roeping het moederschap moet opgeven. Wanneer een pasgeboren meisje aan haar wordt toevertrouwd voedt ze het kind met veel toewijding op, maar krijgt het moeilijk wanneer ze haar moet afstaan, de tienerdochter wil immers liever trouwen dan eveneens tot het kloosterleven toetreden.

Cradle Song is zo braaf en rechtlijnig als een studiofilm maar kan zijn en bestaat vooral uit beelden van nonnen die ofwel aan het giechelen zijn, ofwel aan het grienen. De enige die echt iets bijzonders doet is de grote fotografieleider Charles Lang die met zijn soft focus zowat de enige reddende gratie schenkt aan deze verder volkomen verwaarloosbare prent.

‘Cradle Song’ van Mitchell Leisen met Dorothea Wieck, Evelyn Venable. Usa, 1933. Score: 6/10

Oboro Kago (The Inner Palace Conspiracy)

Verfilming van een van de romans van auteur Jirô Osaragi die meer dan vijftig detectiveverhalen schreef waarvan er tientallen ook naar het witte doek werden vertaald.

The Inner Palace Conspiracy springt van de ene ondervraging en discussie naar de andere, een narratieve structuur die op papier misschien wel kan gewerkt hebben, maar dat zeker niet doet in filmvorm.

Meest verbazende aan deze saaie whodunit is dat Daisuke Itô, een regisseur met veel oog voor verhouding en evenwicht, er toch in slaagt om alles op zo’n fletse en routineuze wijze in beeld te zetten.

Oboro Kago’ van Daisuke Itô met Tsumasaburô Bandô, Kinuyo Tanaka. Japan, 1951. Score: 4/10

Wild at Heart

Wild at Heart oftwel de briljante hervertelling van The Wizard of Oz door David Lynch, de film die hem in 1990 – onder evenveel applaus als protest – de Gouden Palm opleverde op het filmfestival van Cannes. Nicolas Cage en Laura Dern spelen Sailor en Lula, twee vrijgevochten rebelse zielen die in hun cabrio over de stoffige wegen stuiven van het diepe Amerikaanse zuiden. Hij is een explosieve Elvis-liefhebber, zij een sensuele zuiderse schone die dol is op opwinding en avontuur. Op hun weg worden ze belaagd door de meest vreemde verzameling zonderlinge personages die u ooit in een film samen hebt gezien, zo goed als allemaal betrokken bij het moordcontract dat de moeder van Lula (Diane Ladd, in het echte leven de moeder van Dern) afsluit om het tweetal uit elkaar te houden.

Sprookjes, seks, brutaal geweld en onvergetelijke visuele hoogstandjes botsen vrolijk tegen elkaar op in deze onmogelijk onder een enkele categorie te vatten prent. Er zijn zoveel stilistische en filmische hoogtepunten dat het er teveel zijn om op te noemen, maar als er één moet bovenuit steken dan toch de onvergetelijke finale waarin de kijker evenzeer tranen in de ogen krijgt van oprechte ontroering als van bewondering voor zoveel lef en creativiteit.

Heuglijke vertolkingen van een hele reeks vaste gezichten uit het werk van Lynch, let vooral op Isabella Rossellini met een blonde pruik en Willem Dafoe met het meest weerzinwekkende gebit dat ooit in een film te zien was.

‘Wild at Heart’ van David Lynch met Nicolas Cage, Laura Dern. Usa, Duitsland, 1990. Score: 10/10

Maandag 22 Juni

Weinig slaap, veel pasta en nog meer films … Cinema Ritrovato 2026 is helemaal op gang gekomen en met zo goed als alle pashouders in de stad, is dit ook het moment waarop de straten van Bologna letterlijk overspoeld worden door de vreemde ‘badge tribe’ die elk jaar lijkt af te zakken naar deze stad.

No Man of Her Own

Mitchell Leisen draaide zijn beste werken als regisseur aan het eind van de jaren negentiendertig met een paar door Preston Sturges geschreven romantische komedies. Tijdens de jaren veertig en vijftig waagde hij zich ook aan meer dramatisch materiaal, hier in de vorm van een misdaadverhaal geschreven door auteur Cornell Woolrich. Die plot is meteen een van de sterkste punten van de film, een ingenieus relaas over een jonge vrouw (Barbara Stanwyck) die de identiteit aanneemt van een overleden medepassagier na een treinongeluk. Zij en haar baby worden liefdevol opgenomen in de schoonfamilie van de dode (die haar voordien nooit ontmoet had) tot iemand achter de ware identiteit komt van de indringster.

Geschreven door Woolrich bevat No Man of Her Own een paar thematische ‘noir’-elementen, maar buiten de finale is dit stilistisch zeker geen ‘film noir’. Leisens regie is degelijk zonder te excelleren en de prent wordt vooral op een hoger niveau getild dankzij het ijzersterke spel van Stanwyck en het heerlijk gestructureerde scenario.

No Man of Her Own’ van Mitchell Leisen met Barbara Stanwyck, John Lund. Usa 1950. Score: 7,5/10

La Bugiarda

Luigi Comencini is niet meteen een klinkende cinefiele naam onder de Italiaanse filmmakers, maar toch draaide de man ruim vier decennia lang in zijn thuisland met groot succes populaire melodrama’s en komedies.

Dat die films ook vaak kind van hun tijd waren, bewijst deze La Bugiarda (vrij vertaald De Bedriegster), een soort Italiaanse Jules et Jim, zonder nu meteen met meesterschap van die Nouvelle Vague klassieker te benaderen. We kunnen zelfs nog een stap verder in de tijd teruggaan ter vergelijking, en uitkomen bij Ernst Lubitsch’ Design for Living uit 1933 waarin Miriam Hopkins niet kan kiezen tussen Fredric March en Gary Cooper en dan maar een driehoeksverhouding met beiden begint.

Hier gebeurt dat alles initieel in het geheim, op initiatief van de speelse Maria (Catherine Spaak) die pretendeert een stewardess te zijn om zo op verschillende dagen haar drie(!) verschillende liefdeslevens uit elkaar te houden. Wanneer het ingewikkelde opzet onvermijdelijk faalt, zijn twee van haar minnaars gedwongen elkaars gezelschap te dulden.

Je hoeft van Comencini geen esthetische of stilistische hoogstandjes te verwachten, maar de film is uitzonderlijk goed geritmeerd, speels en lichtvoetig, en bevat een paar komische voltreffers zoals een biechtvader die steeds wanhopiger wordt wanneer de protagoniste haar ‘zonden’ als maar verder opbiecht.

‘La Bugiarda’ van Luigi Comencini met Catherine Spaak, Enrico Maria Salerno. Italië, Frankrijk, Spanje, 1965. Score: 7,5/10

8 Girls in a Boat

Toen specialist David Stenn in Bologna de restauratie van 8 Girls in a Boat kwam voorstellen, lichtte hij ook de lange en complexe geschiedenis toe van het proces dat leidde tot een nieuw print. Het verhaal is gebaseerd op een gelijknamige Duitse film uit 1932 die door de nazi’s verboden werd nadat de hoofdrolspeler in 1937 als landverrader geëxecuteerd werd. Na WO II spande schrijver Helmut Brandis dan weer een proces aan tegen de producerende studio achter de Amerikaanse versie, waarna de verdeelrechten op de film volledig verdwenen. Toen Stenn Universal contacteerde om zijn project op te starten, kreeg hij te horen dat hij toestemming ging moeten krijgen van de erfgenamen van Brandis iets waarover hij op het Ritrovato Festival zei “dom genoeg dacht ik dat dat maar een formaliteit ging zijn.” Bleek dat Brandis naderhand nog een carrière had gehad als informant voor de gevreesde Oost-Duitse Stasi politie en het niet zo evident was om van een dergelijk figuur werk te willen opnieuw ontsluiten.

Uiteindelijk geraakte alles toch voltooid en valt deze pre-code film over ongewenste tienerzwangerschap dus opnieuw te aanschouwen. Naar de geldende Hollywoodnormen genomen van die tijd, is dit een vrij sober en tactvol relaas van het centrale probleem, met vooral veel aandacht voor de solidariteit onder de jonge vrouwen op het strenge meisjespensionaat waar alles zich afspeelt. Ook de sfeer in de gebouwen en de omliggende natuur, waar een strenge lerares zwem- en roeitrainingen geeft, is mooi getroffen. Veel minder is dan weer de duidelijk Duits geïnspireerde tekening van het aanpalende dorp, een element dat met te vele joligheid gekleurd wordt.

De splinternieuwe 35 mm kopij die gemaakt werd op basis van de restauratie laat de kraakheldere cinematografie in ieder geval mooi weer tot volle recht komen.

‘8 Girls in a Boat’ van Richard Wallace met Dorothy Wilson, Douglass Montgomery. Usa, 1934. Score: 7/10

The Man Who Would be King

Twee sympathieke Britse oplichters (Sean Connery en Michael Caine op hun allerbest) besluiten hun militaire verleden in te zetten om ergens op de grens tussen India en Afghanistan een sinds de dagen van Alexander De Grote onontgonnen koninkrijk te onderwerpen. Het plan is om door sluwe manipulatie zich door de lokale stammen te laten kronen tot monarchen en zich zo de rijkdommen van het gebied toe te eigenen. Gebaseerd op een verhaal van Rudyard Kipling bevat deze woeste avonturenprent van John Huston daarmee zowel een (zij het ironische) eerbied voor de Engelse beschaving, als een ontluisterende deconstructie van het kolonialisme in een portret dat toont hoe machtswellust, hoogmoed en hebzucht leiden tot de onvermijdelijke val.

Ook de film zelf is een tweesnijdend zwaard: enerzijds worden we meegezogen door de mooie Technicolor fotografie van Oswald Morris, de verzorgde kostumering van Edith Head en de viriel kameraadschappelijke interactie tussen de beide protagonisten, anderzijds vraagt de donker wordende intrige ons ook om onze identificatie met de personages in vraag te stellen. Het resultaat is een even meeslepende als intrigerende prent die de kijker geen seconde loslaat of verveelt.

Huston probeerde reeds jaren eerder het project (dat wel wat gelijkenissen vertoont met zijn beroemde The Treasure of the Sierra Madre) te verfilmen met in de hoofdrollen Humphrey Bogart en Clark Gable, vervolgens met Burt Lancaster en Kirk Douglas, maar het is moeilijk je The Man Who Would be King voor te stellen zonder de glansprestaties van Connery en Caine.

The Man Who Would be King’ van John Huston met Sean Conner, Michael Caine. Usa, Uk, 1975. Score: 8,5/10

Lady in the Dark

Deze mislukte poging om Hollywoods karakteristieke fascinatie met psychoanalyse uit de jaren negentienveertig te mengen met de musicaltraditie, stelt de figuur van regisseur Mitchell Leisen een beetje op scherp. Het valt namelijk heel moeilijk uit te maken wat er nu precies voor zorgde dat Leisen zich soms liet kennen als een begenadigd ‘metteur-en-scène’ (No Man of Her Own, Easy Living) terwijl hij even vaak niet verder kwam dan volkomen generische beeldtaal zoals in Cradle Song of deze Lady in the Dark.

Het doet vragen stellen over de rol en het belang van andere actoren in de productie van een film zoals de fotografieleider, set designer of scenarist; maar tegelijkertijd lijkt ook dat geen afdoende antwoord te bieden aangezien de lelijke cinematografie hier van de hand is van Ray Rennahan, de man die met zijn bijdrage aan Rouben Mamoulians Blood and Sand tekende voor misschien wel de mooiste kleurenprent van de jaren veertig. Er blijft dan filmhistorisch gezien ook nog heel wat werk te verrichten in het ontleden van de complexe interactie tussen de ‘politique des auteurs’ zoals die uitgedragen werd door vooral Les Cahiers du Cinéma, en de meer collaboratieve kijk op filmmaken die extra gewicht legt bij de interactie met het producerende studiosysteem.

Al die bespiegelingen maken evenwel van Lady in the Dark geen betere ervaring, te beginnen met de miscasting van zowel hoofdactrice Ginger Rogers die er helemaal niet in slaagt ons ervan te overtuigen dat ze een neurotische carrièrevrouw is (met een vreselijke haartooi), als van Ray Milland die dan weer net veel te dubbelzinnig is als leading man om hier louter een lichtvoetige karikatuur neer te zetten. Ook het script (naar een toneelstuk) van bekroonde scribenten Frances Goodrich en Albert Hackett is een ramp, met belachelijke psychologische laagjes die afwisselend avant-la-lettre versies van The Devil Wears Prada, Pink Floyd – The Wall en Stephen Kings Carrie voor de geest halen. Kurt Weill schreef dan weer een zwakke muzikale omkadering en ook de choreografie voor de dansnummers is ondermaats.

Als wat André Bazin “The Genius of the System” doopte dus méér kon opleveren dan de loutere som van de delen, dan toont Lady in the Dark aan dat dat zeker niet altijd het geval was en dat inzicht in de precieze chemie van een studioproductie uit Hollywoods gouden studiotijdperk nog steeds voedsel biedt voor nadere analyse.

‘Lady in the Dark’ Van Mitchell Leisen met Ginger Rogers, Ray Milland. Usa, 1944. Score: 5/10

Dinsdag 23 Juni

Vertoning van Orson Welles’ ‘The Stranger’ op de Piazza Maggiore. Beeld: David Vanden Bossche voor Enola

Hitte, slaaptekort en een overdosis geweldige cinema beginnen hun tol te eisen halverwege het festival, maar er valt nog heel wat moois te ontdekken deze week en uiteraard zal deze blog daarover blijven berichten.

Hold Back the Dawn

Mitchell Leisen was een specialist in elegant romantisch materiaal (Frenchman’s Creek, Easy Living, Remember the Night) en Hold Back the Dawn past zeker binnen dat latere oeuvre dat een decennium eerder begon met het draaien lichte komedies.

Zes Oscarnominaties (maar geen beeldje) waren er weggelegd voor Hold Back the Dawn. Onder andere nominaties voor het script van Billy Wilder en Charles Brackett en voor de vertolking van Olivia de Havilland als de Amerikaanse die het hof gemaakt wordt door een gladde Europeaan (Charles Boyer) die de nazi’s ontvluchtte en nu hoopt via een huwelijk sneller de VS binnen te raken. Aanvankelijk is Boyers personage berekend, sluw en weinig sympathiek, maar uiteraard ontvouwt het echte melodrama zich pas wanneer hij oprecht verliefd wordt op zijn slachtoffer.

Het scenario verweeft op mooie manier romance en boodschap, want uiteraard zit onder dit alles een kijk op de rol van Amerika binnen de wereldorde van de oorlogsjaren. De Havilland mag een mooie monoloog afsteken over hoe het heldere water van het Amerikaanse meer steeds fris zal blijven door nieuwe binnenkomende stromen, maar dat is een bijzonder idealistische kijk die misschien wel de ruggengraat vormt van dit drama, maar in realiteit natuurlijk vaak botst op meer pragmatisch gedachtegoed.

De regie van Mitchell Leisen is hier verzorgd en stijlvol, wat zeker ook waar is voor het werk van ‘director of photography’ Leo Toven die vooral tijdens de scènes die zich afspelen in een klein Mexicaans dorpje, een paar adembenemende momenten voor zijn lens tovert.

‘Hold Back the Dawn’ van Mitchell Leisen met Charles Boyer, Olivia de Havilland. Usa, 1941. Score: 7,5/10

The Curse of Frankenstein

Critici waren in 1957 niet mals voor The Curse of Frankenstein (“enkel voor sadisten” of “een van de meest weerzinwekkende films die ik ooit zag”) maar de film werd een enorm succes zowel in Groot-Brittanië als in de Verenigde Staten en plaveide zo de weg voor een beroemde reeks griezelprenten van de Hammer studio’s die ook grote sterren maakte van Peter Cushing en Christopher Lee. Cushing speelt baron Frankenstein, Lee zijn creatuur dat een heel andere visuele invulling heeft (ook uit juridische noodzaak) dan de beroemde Boris Karloff incarnatie uit de jaren negentiendertig.

Ook regisseur Terence Fisher kende zijn grote doorbraak hiermee, wat zou resulteren in blijvende roem met de Dracula adaptatie een jaar later, een film die nog steeds het grootste historische ankerpunt vormt voor de Hammer studio’s. De echte grote sterren van deze heerlijke griezelshow zijn evenwel de setdesign en de kleurenfotografie. De sets van Bernard Robinson vormden ontegensprekelijk een inspiratie voor de bekende Edgar Allen Poe cyclus van Roger Corman die drie jaar later aanving met House of Usher, en de door de recente restauratie herstelde kleurenpracht van Jack Ashers cinematografie was cruciaal in het bepalen van de stijl van de vele Hammer films die volgden.

Het project dat The Curse of Frankenstein in ere herstelde, bracht ook een indertijd verwijderde scène terug die niet in het Amerikaanse negatief zat dat beschikbaar was bij Warner Bros. (in 1957 de distributeur in de VS) maar wel werd teruggevonden in de Britse Hammer-archieven: het moment toont hoe de baron bij een louche handelaar de oogballen inkoopt voor zijn ‘monster.’

‘The Curse of Frankenstein’ van Terence Fisher met Peter Cushing, Cristopher Lee. Uk, 1957. Score: 8,5/10

Quo Vadis?

Quo Vadis? werd anno 1913 de blauwdruk voor het ‘peplum’ genre, het soort historisch melodramatisch epos dat een jaar later voorgoed de wereldwijde populariteit van de Italiaanse cinema zou bevestigen met het nog beroemdere en uiterst invloedrijke Cabiria. Alle elementen die tot diep in de jaren negentienzestig aanwezig zouden blijven zijn ook hier al te vinden: historisch-bijbelse kitsch, onmogelijke liefdes, grootse decors gevuld met honderden figuranten, dramatische hoogtepunten en een allegaartje aan spectaculaire sensaties zoals orgieën en onschuldigen (enfin, hier christenen) die voor de leeuwen worden gegooid.

Na restauratie opnieuw voorzien van in de juiste kleuren ‘getinte’ beelden, worden we vergast op het verhaal van de liefde tussen een romeinse militair en een christelijk meisje. Dat alles speelt terwijl de wrede en onberekenbare keizer Nero Rome terroriseert en vervolgens platbrandt, waarna de volgelingen van Christus uiteraard de schuld krijgen.

De film lijdt nog redelijk onder al te veel tussentitels die de actie aankondigen, maar inzake composities temidden van fraai vormgegeven sets kunnen we onze ogen in ieder geval de kost geven. Een paar hoogtepunten op dat vlak zijn zeker de scènes in de catacomben die in bleek licht aan schilder- en beeldhouwkunst ontleende piëta’s voorschotelen, en de dood van de christenen in de arena die vooral bijblijft omwille van de mooi opgezette constructie van lijdende en smekende gezichten en lichamen.

‘Quo Vadis?’ van Enrico Guazzoni met Amleto Novelli, Gustavo Serena. Italië, 1913. Score: 7,5/10

Shishi no Za (The Lion’s Throne)

Twee leden van een van de meest vooraanstaande families in de traditie van het Japanse Noh-theater, werden ingeschakeld als raadgevers voor dit strenge drama van Daisuke Itô over de opofferingen die de beoefenaars van deze kunst moeten brengen.

The Lion’s Throne draait om de voorbereiding op een uitzonderlijke vertoning die de gelegenheid zal geven aan de jongste zoon van Japans meest belangrijke Noh-clan om zijn eerste verschijning op het podium te maken. De film toont vervolgens de lijdensweg aan angsten, vernederingen en bikkelharde training, maar ook de manier waarop al die zaken impact hebben op de onderlinge gespannen familierelaties.

Alles wordt uiterst traag opgebouwd, maar uit de gezangen, bewegingen en uiterst symmetrisch en met sobere precisie in beeld gezette opvoeringen, groeit langzamerhand een bezwerende kijkervaring die ons als toeschouwer zelf in ene lichte trance weet te brengen.

‘Shishi no Za’ van Daisuke Itô met Kazuo Hasegawa, Kinuyo Tanaka. Japan, 1953. Score: 7,5/10

The Stranger

Schitterende paranoïde thriller waarin Orson Welles de beeldtaal van de film noir inzet voor een barokke nachtmerrie over een voormalige nazi-commandant (met brio gespeeld door de regisseur zelf) die ondergedoken leeft in een klein stadje in de Amerikaanse staat Connecticut. Er zijn een aantal gelijkenissen met Shadow of a Doubt van Alfred Hitchcock, in dit verhaal over een kleine gemeenschap die zonder het te weten een monster herbergt en ook de briljante finale in een klokkentoren vertoond zeker enige verwantschap met het oeuvre van Hitchcock.

Edward G. Robinson is de speurder die op oorlogsmisdadigers jaagt en langzamerhand verdenkingen begint te koesteren jegens de schijnbaar perfecte leraar van het plaatselijke college. Loretta Young speelt zijn nietsvermoedende echtgenote die ondanks alle bewijzen weigert te geloven dat haar man tot de gruwel in staat is die hem wordt toegedicht.

De hele film is doorspekt met groteske momenten van filmische grandeur die de broeierige sfeerschepping ten top drijven. Zoals steeds maakt Welles gebruik van extreme perspectieven en hoeken, maar ook in schijnbaar meer conventionele momenten zoals een beklemmende receptie in het huis van Young, toont de regisseur van Citizin Kane en The Magnificent Ambersons zijn onwaarschijnlijke beheersing van het medium.

Een centraal gegeven in The Stranger is de mechaniek van de tijd en meer specifiek van de grote klok in de kerktoren van het stadje. Niet alleen krijgt die mechaniek een knappe verhalende functie, symbolisch gezien is het ook een echo van de woorden van filosoof Walter Benjamin die een parallel trok tussen de mechanisering van de twintigste eeuw en de systematische – gemechaniseerde – eliminatietechnieken van de nazi’s. Op een meer ironische manier is al de aandacht voor klokken ook een bizarre voorafschaduwing van de beroemde speech die Welles geeft over Zwitserland, in Carol Reeds beroemde The Third Man.

‘The Stranger’ van Orson Welles met Orson Welles, Edward G. Robinson. Usa, 1946. Score: 9/10

House of Usher

De eerste in een beroemde cyclus van Edgar Allen Poe verfilmingen door Roger Corman, de low-budget producer van exploitation films die en passant niet alleen een kweekvijver creëerde voor jong talent – Francis Ford Coppola, Martin Scorsese, Peter Bogdanovich, James Cameron – maar ook liet zien dat als er maar iemand met genoeg visie achter de camera staat, zelfs het meest ‘lage’ genre, grote cinema kan opleveren.

Dat is zeker het geval voor deze flamboyante gotische griezelfilm over de laatste telg van een verdoemd geslacht (Vincent Price in groten doen) die probeert te verhinderen dat zijn jongere zus wordt meegenomen door haar verloofde omdat een nieuw huwelijk de vloek van de Ushers verder zou verspreiden. In het krakende oude kasteel ontspint zich vervolgens een aaneenrijging van lugubere voorvallen, allemaal gehuld in expressief coloriet en met veel gevoel voor sfeerschepping op het doek geborsteld. De decors en ‘production design’ zijn uitstekend, evenals de geïnspireerde belichting en eenvoudige maar efficiënte effecten. De finale serveert pittige griezel met als meest onvergetelijke beeld een bebloede hand die probeert een met kettingen afgesloten doodskist te openen.

“House of Usher” van Roger Corman met Vincent Price, Mark Damon, Usa, 1960. Score: 9/10

Woensdag 24 Juni

Het festival is nu over halfweg, maar er staan nog restauraties op het programma van een paar grote titels van onder andere Luchino Visconti en Michael Mann. Een aantal van die vertoningen vindt plaats in de Cinema Modernissimo, het project dat twee jaar geleden werd afgewerkt en dat een voormalige ondergrondse filmzaal helemaal renoveerde.

De ondergrondse Modernissimo met naar belangrijke filmfiguren genoemde, gepersonaliseerde zetels. Beeld: David Vanden Bossche voor Enola

The Pit and the Pendulum

Tweede film in een beroemde reeks Edgar Allen Poe adaptaties, gedraaid door Roger Corman. Anders dan voorganger House of Usher wijkt deze The Pit and the Pendulum behoorlijk af van het literaire bronmateriaal en worden er niet alleen heel wat narratieve elementen gerecycleerd uit de voorganger, het is duidelijk dat ook de sets en decorstukken opnieuw werden bovengehaald. Dat laatste heeft zeker ook te maken met Cormans bekende efficiëntie en zijn slimme manier om het maximum te halen uit een minimum aan middelen. Het bekendste voorbeeld is wellicht de film Targets van Peter Bogdanovich die de toen nog jonge cineast de kans gaf zijn eigen film te regisseren op voorwaarde dat hij een manier vond om Boris Karloff in te passen in het project, aangezien die de studio contractueel nog een paar openstaande draaidagen verplicht was.

Het oorspronkelijke kortverhaal over een ingenieus marteltuig van de Spaanse inquisitie dat hier aan de basis ligt, wordt ingebed in een plot over een Engels edelman die vragen komt stellen over de plotse dood van zijn zuster die getrouwd was met de labiele kasteelheer Nicholas Medina (Vincent Price). Een paar schrikeffecten uit House of Usher worden herhaald, evenals een barok spel met licht en kleur, al is het dit keer allemaal wat braver en minder creatief. Verre van de meest geslaagde prent uit Cormans Poe-serie maar niettemin goed voor 80 minuten stijlvolle en vermakelijke griezel.

‘The Pit and the Pendulum’ van Roger Corman met Vincent Price, Barbara Steele. Usa, 1961. Score: 7,5/10

A Bucket of Blood

Walter dient op in een kunstenaarscafé maar droomt ervan zelf een artiest te zijn. Wanneer hij op een dag per ongeluk de kat van zijn huisbazin het hoekje om helpt, bekleedt hij het dier met klei en neemt het resultaat mee naar zijn hippe werkplek waar iedereen hem plots bejubeld om zijn kunst. Om in de aandacht te kunnen blijven staan begint hij dan maar moorden te plegen teneinde zo aan het nodige nieuwe ‘materiaal’ te geraken.

Deze zwarte komedie van Roger Corman steekt duchtig de draak met de bohémien kunstscène van de jaren negentienvijftig en observeert raak de types die allemaal grote theorieën verkondigen tot natuurlijk blijkt dat die wel heel verregaande gevolgen kunnen hebben. De toon is heel speels en licht, wat opvallend is in vergelijking met de flamboyante dramatiek die Corman de daaropvolgende jaren aan de dag zou leggen in zijn Edgar Allen Poe cyclus.

Heel veel heeft het allemaal niet om het lijf, maar Bucket of Blood is charmant en fris en schiet aan hoog ritme voorbij.

‘A Bucket of Blood’ van Roger Corman met Dick Miller, Barboura Morris. Usa, 1959. Score: 7,5/10

La Caduta degli Dei (The Damned)

Als filosoof Walter Benjamin sprak over het nazisme als de ultiem doorgedachte logica van moderniteit, industrialisatie en kapitalisme, dan is Luchino Visconti’s The Damned (gezien de internationale cast, productie en dubbing evengoed bekend als La Caduta degli Dei of Götterdämmerung) daar de ultieme illustratie van. Dit is immers de kroniek van een rijk geslacht Duitse staalbaronnen dat onder de opmars van Hitler (de film begint met de brand in de Reichstag) de giftige cocktail waarin het fascisme gedijt, ten volle tentoon spreidt: persoonlijke frustraties en zwakheden die gekanaliseerd worden in een schijnbaar zelfbevestigende ideologie; strijd om controle die mag beslecht worden op basis van het allerslechtste in de mens en het idee van loutere superioriteit en gepercipieerde zwakheid van de ander; en uiteindelijk natuurlijk macht die toch steeds weer illusoir blijkt te zijn en gebouwd op holle symboliek.

Zelden was er een film te zien waarin mensen elkaar op zo’n doortastende manier proberen ten gronde te richten. De telgen van de Von Essenbeck familie gaan zich te buiten aan afpersing, verraad, moord, pedofilie, incest en machtsmisbruik en dekken hun zonden toe met de glinsterende knopen van opgepoetste zwarte of bruine uniformen die hun wereldbeeld domineren. Een indrukwekkende cast met onder andere Dirk Bogarde, Helmut Berger, Ingrid Thulin en een jonge Charlotte Rampling, brengen de vaak verwerpelijke personages tot leven, maar het is Visconti’s regie die alles naar een onbereikbaar hoog niveau tilt. Geënsceneerd als een perverse opera, is de bedwelmende esthetiek immers evenzeer deel van het concept: de pracht en praal contrasteren optimaal met de laagste instincten die de mens rijk is. De overweldigende kleurenglorie en de imponerende composities in de Teutoonse paleizen van de macht, zijn van een ongeziene schoonheid, wat ons doet vergeten hoe striemend en ontluisterend de kijk op de menselijke aard eigenlijk is. De meest besproken scène is de reconstructie van ‘de nacht van de lange messen,’ Hitlers bevel om de SA te decimeren teneinde zijn positie veilig te stellen en het leger aan zijn zijde te houden. Het is een orgiastisch visioen als een schilderij van Jheronimus Bosch dat eindigt in een kil bloedbad.

De Belgische première in 1969 werd bijgewoond door toenmalige prinses Paola, waarna het hof het nodig vond te communiceren over het feit dat deze film over decadentie en morele vernietiging, als hoogst ongepast werd beschouwd.

‘La Caduta degli Dei’ van Luchino Visconti met Dirk Bogarde, Ingrid Thulin. Italië, Brd, Zwitserland, 1969. Score: 10/10

No Time for Love

Klassebewuste screwball-komedie die halverwege plots verandert in een soort mijnwerkersdrama om vervolgens terug te keren naar het eerdere register.

Claudette Colbert is een gesofisticeerde fotografe voor een magazine, Fred MacMurray de ruwe arbeider die mee een tunnel helpt graven onder de Hudson rivier. De twee botsen en worden uiteraard toch verliefd, wat verbaal vuurwerk oplevert, onderbroken door een zwakke nevenplot.

Mitchell Leisen is goed in het in beeld zetten van pittige conversaties, veel minder wanneer het plots om tragikomedie gaat. Zijn terugkerende fotografieleider Charles Lang kwijt zich behoorlijk van zijn taak, maar ook hij brengt ditmaal niet genoeg soelaas om de film echt overeind te houden. Wat overblijft is bij momenten geestig duelleren met woorden zonder dat het echt hoog niveau haalt.

‘No Time for Love’ van Mitchell Leisen met Claudette Colbert, Fred MacMurray. Usa, 1943. Score: 6,5/10

Manhunter

Jaren voordat Dr. Hannibal Lecktor beroemd werd in The Silence of the Lambs, trad hij al aan in deze verfilming van de roman Red Dragon van Thomas Harris, toen nog gespeeld door de Brit Brian Cox. Michael Mann die zijn doorbraak gehad had in de vroege jaren negentientachtig met Thief! En Miami Vice, bevestigde meteen ook zijn status als een van de belangrijkste Amerikaanse cineasten van zijn generatie met een film die aanvankelijk geruisloos passeerde, maar naderhand ongelooflijk invloedrijk was in het mee bepalen van de neo-noirs van de late jaren tachtig en vroege jaren negentig. Veertig jaar later restaureerde Studio Canal Manhunter in samenwerking met Mann en zijn dochter, meteen ook de gelegenheid voor de regisseur om een paar lichte wijzingen aan te brengen, waardoor de restauratie ook een definitieve ‘director’s cut’ werd.

Op een paar veranderingen na is dit uiteraard dezelfde meesterlijke thriller over een FBI ‘profiler’ (William Petersen) die de gave heeft zich te verplaatsen in de geest van misdadigers, een vermogen om zelf te worden als de prooi waarop hij jaagt, iets wat hem ook in het vangen van Lecktor op het randje van de afgrond bracht. Zijn nieuwe nemesis is een labiele psychopaat die hoopt “de macht van de draak” in zichzelf te vinden door zijn slachtoffers te mutileren en te vernederen.

Mann schetst deze intense cinematografische zoektocht in briljante widescreencomposities die aan elk beeld een adembenemende ruimtelijkheid verlenen, evenals een doorgedreven stilisme. Personages en objecten worden in extreme hoeken van het kader geplaatst, wat de actie omvormt tot bijna abstracte configuraties. De uitgekiende beeldvoering wordt ook doorgezet in de fotografie van de grote Dante Spinotti die gebruik maakt van scherpe kleurcontrasten, waarbij de vaak nagelwitte decors enkel gebroken worden door de zwarte silhouetten van de personages die er als in een labyrint in ronddwalen. Dezelfde wisselwerking is terug te vinden op de soundtrack die akelige stiltes afwisselt met schrille gitaarmuziek.

Deze supergestileerde, agressieve politiethriller, is zonder twijfel nog steeds één van dé tien grote films van de jaren tachtig.

‘Manhunter’ van Michael Mann met William Petersen, Brian Cox. Usa, 1986. Score: 10/10

Donderdag 25 Juni

Riwit Ghatak, Sam Fuller, Luchino Visconti en uiteraard nog meer Daisuke Itô en Mitchell Leisen … Il Cinema Ritrovato mag dan het laatste deel aanvatten, er staat nog veel meer moois op het programma.

Midnight

Claudette Colbert is de grote naam in deze geslaagde romantische komedie van Mitchell Leisen, geschreven door Billy Wilder en Charles Bracket(Wilder zelf vond dat Leisen nooit de juiste ton vond voor zijn materiaal). Colbert is een berooide dame die zonder een cent aankomt in Parijs maar betrokken raakt in de amoureuze perikelen van een rijke aristocraat (een heerlijke John Barrymore) en diens vrouw (Mary Astor).

Leisen (Death Takes a Holiday, Easy Living) levert van zijn meest degelijke werk af en fotografieleider Charles Lang verzekert een glanzende visuele partituur. Grappigste zinsnede is een denigrerende opmerking over het fortuin van de charmeur-van-dienst: ‘He makes a superior fortune out of a very inferior Champagne’.

‘Midnight’ van Mitchell Leisen met Claudette Colbert, John Barrymore. Usa, 1939. Score: 7,5/10

Forty Guns

Nadat hij voor Twentieth Century Fox een aantal harde misdaadfilms gedraaid had, besloot Samuel Fuller om zijn eigen productiemaatschappij op te zetten, met de bedoeling meer creatieve vrijheid te verwerven. Omdat zijn films nog steeds verdeeld werden door Fox, betekende dat evenwel dat er bij momenten nog altijd compromissen moesten gesloten worden. Zo werd de finale van deze donkere western – gebaseerd op een door Fuller zelf geschreven script – gewijzigd, ook al was studiobaas Darryl Zannuck er wel voor gewonnen: de marketingafdeling liet echter weten dat het onmogelijk zou zijn een film verkocht te krijgen waarin de held aan het eind in koelen bloede een vrouw neerschoot.

Forty Guns opent met een indrukwekkende introductie van de antagonisten: de wetsdienaar – en legendarische revolverheld – Griff Bonell (Barry Sullivan) die op weg is om een arrestant op te halen, wordt in de open vlakte ei zo na van de weg gereden door een groep ruiters, aangevoerd door de in het zwart gehulde Jessica Drummond (Barbara Stanwyck). De prent volgt het klassieke verhaal van een schutter die het geweld heeft afgezworen, met dat verschil dat aan de andere kant nu een vrouw staat, die op meedogenloze wijze haar macht aanwendt. Die sterke feminiene kern maakt de film in vele opzichten uitzonderlijk, al zijn er zeker genoeg sporen te vinden van mannelijk machismo: ‘it might go off in your face’ zegt Sullivan tegen Stanwyck wanneer ze vraagt of ze zijn ‘gun’ mag aanraken. De meeste mannelijk personages worden echter afgeschilderd als zwak, zoals de plaatselijke sheriff, die zich laat corrumperen uit blinde liefde voor de landeigenares.

Forty Guns bevat een heel donkere kijk op de westernmythologie, maar de echte kracht van de prent huist in Fullers schitterende gebruik van het widescreen, waarmee hij visuele motieven spint die de personages en gebeurtenissen tekenen. Zo is er een fantastisch ‘shot’ van de lange tafel waaraan Stanwyck met haar mannen dineert, dat de omvang van haar macht en invloed kracht bij zet. Ook de meer intieme scènes zoals een gesprek tussen Sullivan en zijn broers is virtuoos gecomponeerd voor maximaal picturaal effect, terwijl een moord bij het buiten komen van de kerk dan weer hyperefficiënt en vooral via montage kracht wordt bijgezet. Om het binnen rijden van een stadje kracht bij te zetten, lieten Fuller en zijn cameraman Joe Biroc een ellenlang spoor bouwen dat een eindeloze ‘dolly’-beweging toeliet. Biroc is ook verantwoordelijk voor de contrastrijke fotografie, die door de Criterion restauratie in alle glorie werd hersteld.

Hoofdrolspeelster Stanwyck – een ervaren ruiter – stond er op alle stunts zelf uit te voeren, wat haar jaren later bewonderende commentaren opleverde van Fuller in zijn lijvige autobiografie.

‘Forty Guns’ van Samuel Fuller met Barbara Stanwyck, Barry Sullivan. Usa, 1957. Score: 9/10

Tinimbang ka Ngunit Kulang (Weighed but Found Wanting)

Gedurende de jaren negentienzeventig en -tachtig, was er eigenlijk maar één enkele naam uit de Filipijnse cinema internationaal bekend en dat was die van Lino Brocka. Enerzijds draaide Brocka goedkope drama’s die vooral voor de lokale markt bestemd waren, anderzijds tekende hij ook voor films waarin hij de invloed van alternatieve cinema uit Europa en India mengde met plaatselijke tradities.

In die tweede categorie hoort Weighed but Found Wanting uit 1974 thuis, een film waarin zeker bij het begin sterke echo’s weerklinken van het werk van onder andere Ritwik Ghatak en Mani Kaul.

Centraal in het verhaal staat een figuur die eigenlijk weinig zeggenschap heeft in het drijven van het narratief maar wel de katalysator is die alle interacties opstart: Kuala wordt ons geïntroduceerd in een flashback die een brutale abortus laat zien, waarna we jaren vooruit springen en we haar aantreffen als een object van spot en pesterijen in een kleine dorpsgemeenschap. Éen van haar kwelgeesten is de jonge Junior, zoon van een rijke familie die met zijn vrienden rondhangt, drinkt en achter meisjes aanzit. Even lijkt dit een coming-of-age sage te worden, maar er is ook een derde protagonist in de zieke Berto die door iedereen wordt verstoten en op het kerkhof woont, maar zich zal ontfermen over Kuala.

De sociale vernederingen in Weighed but Found Wanting zijn vaak moeilijk te harden in een film bevolkt door vaak afstotelijke personages: Juniors vader is een rokkenjager die al dan niet aan de oorsprong lag van Kuala’s weinig benijdenswaardige lot, de vrouwen zijn dan weer hypocriete feeksen die in een christelijke praatgroep het leven van anderen maken of kraken. Brocka weet al die verschrikkingen echter te ballen in een explosieve melodramatische stijl die maximale kracht haalt uit primaire kleuren en aan religieuze iconografie refererende beelden. Alles culmineert in een variant op het kerstverhaal die de huichelarij van de dorpsbewoners finaal ontmaskert.

‘Tinimbang ka Ngunit Kulang’ van Lino Brocka met Lolita Rodriguez, Eddie Garcia. Filipijnen, 1974. Score: 7,5/10

Young Man with Ideas

Een weinig ambitieuze advocaat uit Montana (Glenn Ford) neemt onder impuls van zijn ondernemende echtgenote (Ruth Roman) ontslag bij de kleine firma waar hij werkt en trekt met zijn gezin naar Los Angeles in de hoop daar een groot pleiter te kunnen worden.

Dat levert aanvankelijk een paar vermakelijke scènes op (vooral die waarin de dronken echtgenote op een personeelsfeestje de baas en bazin van haar man de mantel uitveegt) maar verder is Young Man with Ideas echt wel een illustratie van de stelling dat Leisen een cineast is die het juiste, bij voorkeur lichte, materiaal kan omzetten naar efficiënte ritmiek, maar dat hij niet genoeg persoonlijke stijl heeft om een minder geslaagd script boven zichzelf uit te tillen. Dat is merkbaar in veel van ’s mans komedies en het is pas wanneer alle elementen perfect op één lijn zitten – zoals dat het geval was in Easy Living – dat Leisen echt groots werk wist af te leveren.

‘Young Man with Ideas’ van Mitchell Leisen met Glenn Ford, Ruth Roman. Usa, 1952. Score: 6/10

Tales of Manhattan

Tales of Manhattan is een interessant voorbeeld van wat David Bordwell in zijn boek Re-Inventing Hollywood ‘trickle-down modernism noemde,’ het idee dat experimentele modernistische stijlfiguren in meer toegankelijke vorm hun weg vonden naar populaire literatuur en cinema. John Dos Pasos’ Manhattan Transfer uit 1925 was een complexe literaire roman met overlappende verhalen die in elkaar haakten tegen de achtergrond van de New Yorkse jazz-scene. Tales of Manhattan waaraan een handvol schrijvers meewerkten, is dan weer een sterk vereenvoudigde versie van datzelfde idee, maar dan met herkenbaarder personages, een eenvoudiger setting en een meer doorzichtige structuur.

Centraal staat hier een ‘pitteleer’ die volgens de kleermaker die hem bij de start aflevert bij een rijke klant, vervloekt is. We zien hoe het kledingstuk inderdaad het leven van de dragers ervan sterk beïnvloedt en overgaat van het ene personage naar het ander en zo van het ene verhaal naar het andere. Er is een steracteur die de confrontatie aangaat met de echtgenoot van zijn minnares, een muzikant die zijn grote doorbraak krijgt, een dominee die de jas uit de hemel ziet vallen en – de twee beste episodes – over een nakend huwelijk dat dreigt te ontsporen door een compromitterend briefje in een zak; en een aan lagerwal geraakte advocaat die nog eenmaal wil schitteren op een klasreünie.

De vanuit Frankrijk naar Hollywood uitgeweken Julien Duvivier (Pépé Le Moko, Maman Colibri) levert degelijk en passend lichtvoetig werk af met deze komedie, maar het is toch vooral zijn met sterren bezaaide cast die de aandacht naar zich toe trekt: onder andere Charles Boyer, Rita Hayworth, Ginger Rogers, Henry Fonda, Thomas Mitchell, Paul Robeson, Charles Laughton en Edward G. Robinson, geven geweldige vertolkingen ten beste.

‘Tales of Manhattan’ van Julien Duvivier met Charles Boyer, Rita Hayworth. Usa, 1942. Score: 7/10

Meiji Ichidai Onna (A Woman of the Meiji Era)

Met The Lion’s Throne draaide Daisuke Itô in 1953 een film rond het Japanse Noh-theater, twee jaar later volgde deze A Woman of the Meiji Era, dat als achtergrond de meer bekende Kabuki theatervorm heeft.

De melodramatische plot draait om een jonge vrouw die gekneld zit tussen twee mannen: een verkoper (symbool voor het moderniserende Japan) die verliefd is op haar en om haar te ontdoen van verplichtingen tegenover de huidige partner, geld geeft om de debuutceremonie in het theater van die laatste (symbool voor de oude tradities) te bekostigen. De gevoelens van de vrouw zijn echter niet zo eenduidig en leiden uiteindelijk tot tragedie.

Terwijl The Lion’s Throne theaterkunst als concept had, is die kunst hier meer een omgeving waarin een complexe kijk op de periode zich ontvouwt. De Meiji revolutie omvatte twee tegengestelde bewegingen – enerzijds sterk omarmen van westerse invloeden en modernisering, en anderzijds een draai terug naar als uniek beschouwde Japanse waarden – en in de veelgelaagde verhaallijn zit de suggestie verwerkt dat de wederzijds bekrachtigende factoren in die twee ideologieën de motor waren voor de militaristische maatschappij die zou volgen, iets wat hier vervat zit in de figuur van het jongere broertje van de protagoniste die uiteindelijk de spil vormt van de ontknoping.

Itô combineert die elementen die wel wat kennis van de Japanse geschiedenis vergen, met krachtig in beeld gezet melodrama (er is een schitterend hoogtepunt tijdens een stormachtige nacht op een brug) dat meeslepend genoeg is om ook zonder sociaal-historische dimensie te kunnen beklijven.

‘Meiji Ichidai Onna’ van Daisuke Itô met Michiyo Kogure, Jun Tazaki. Japan, 1955. Score: 7,5/10

Vrijdag 26 Juni

Il Cinema Ritrovato 2026 loopt op zijn einde. Dat is altijd een droevig gevoel, maar voordat de massale uittocht uit Bologna aanvat, staan er toch nog een paar hoogtepunten op het programma, evenals het afronden van de verschillende retrospectieves.

Hands Across the Table

Hands Across the Table betekende in 1935 zowel een doorbraak voor regisseur Mitchell Leisen, als voor de opkomende sterren Carole Lombard en Fred MacMurray. De film is – ook dankzij een geslaagde bijrol van Ralph Bellamy – een redelijk genietbaar stukje ‘depression era’ escapisme dat evenwel nergens boven de middelmaat uitstijgt.

Sterkste factor is Lombard als de manicuriste die op zoek is naar een rijke vrijgezel, maar valt voor de charmes van een adellijke flierefluiter die zelf ook rijk moet trouwen aangezien zijn familie alles verloor in de beurscrash van 1929. Leisen voelt zich zoals in zijn beste films in zijn element in de New Yorkse hoge kringen, maar de prent moet het vooral hebben van dialoog en komische situaties, eerder van echte (visuele) elegantie.

Het is allemaal bijzonder onderhoudend, maar heeft te weinig onderscheidende kwaliteiten om ook maar een seconde memorabel te zijn.

‘Hands Across the Table’ van Mitchell Leisen met Carole Lombard, Fred MacMurray. Usa, 1935. Score: 6,5/10

Nagarik (The Citizen)

In 1952 reeds draaide Ritwik Ghatak The Citizen, maar pas in 1977 – dankzij inspanningen van voormalige studenten en vrienden – zou de film uiteindelijk in de zalen komen. Historici hebben een beetje een punt door te stellen dat mocht de prent wél in 1952 zijn uitgebracht, de geschiedenis van de Indische cinema op internationaal vlak toch ietwat anders zou zijn ingekleurd. De poëtische films van Satyajit Ray die op festivals furore maakten, ontkenden immers geenszins de harde realiteit van de armoede, maar ze waren toch duidelijk ingeschreven in het positivisme van de Pandit Nehru jaren die in vooruitgang nieuwe kansen zagen en daarin ook een educatieve rol voor de kunsten weggelegd zagen.

Ghatak is een stuk pessimistischer in zijn schets van de enorme verarming die optrad na de verdeling van India die in het noorden van het land een enorme schok veroorzaakte in bestaande economische structuren en daardoor de hele regio in de problemen bracht. Dat proces wordt hier verhaald aan de hand van een familie die steeds verder haar zekere positie in de middenklasse ziet verdwijnen. Eerst is er nog hoop op een nieuwe baan voor de afgestudeerde zoon, maar al gauw blijk de kijk van de vader de juiste: het is geen kwestie van kwalificaties, wel van puur geluk (of erger, nepotisme).

De neerwaartse spiraal is deprimerend en wordt steeds donkerder naarmate de film vordert en de zaken meer en meer uitzichtloos worden. Het hoofdpersonage mag dan net voor het eind de vierde muur doorbreken en stellen dat er moet geloofd worden dat er altijd nog iets nieuws zal komen, de vertelstem in de laatste minuut is een pak dubbelzinniger: ‘waar gaat onze protagonist nu heen in deze nachtelijke stad? Dat is een ander verhaal …’

Heel af en toe is The Citizen iets te veel louter geïllustreerde marxistische boodschap, maar een dergelijke lezing doet te weinig eer aan het sterke spel met licht en schaduw en de manier waarop Ghatak ook met blikken, bewegingen en ruimtes zijn film opbouwt.

‘Nagarik’ van Ritwik Ghatak met Ajit Banerjee, Kali Bannerjee. India, 1952/1977. Score: 7,5/10

Pakeezah

Pakeezah (De Pure) is een productie met een meer dan bewogen geschiedenis. De in Urdu opgenomen prent (een taal die vooral in Pakistan gebruikt werd, maar ook voor een aantal Indische producties) werd al opgestart in de late jaren negentienvijftig door regisseur Kamal Amrohi en zijn toenmalige partner actrice Meena Kumari, maar na het succes van Mehboob Khans Mother India werd er besloten te herbeginnen en alles in kleur op te nemen. Enige tijd later viel eenzelfde beslissing om naar Cinemascope te kunnen overschakelen, waarna relationele problemen tussen Amrohi en Kumari alles opnieuw een lange tijd stil deed vallen. Toen de camera’s eindelijk opnieuw draaiden, was de oorspronkelijke hoofdrolspeler te oud geworden en bij de lang uitgestelde voltooiing, kampte Kumari al met zware gezondheidsproblemen (ze zou kort nadien op achtendertigjarige leeftijd overlijden) waardoor er ‘doubles’ moesten ingezet worden om de laatste scènes af te werken.

Die problemen zijn zeker merkbaar tijdens het bekijken van dit verhaal over een courtisane die er niet in slaagt haar beladen verleden van zich af te schudden tijdens haar zoektocht naar liefde: vertolkers zien er plots veel ouder of jonger uit en ook het kleur- en lichtgebruik is vaak – soms zelfs binnen dezelfde scène – niet consistent, al ligt dat wellicht ook aan het feit dat voor de restauratie van Pakeezah in 2026, geen origineel camera-negatief meer beschikbaar was.

De film werd evenwel een groot succes en is daarmee een vermelding waard, al is hij binnen de traditie van de populaire Indische musical kwalitatief zeker geen ijkpunt. Veel films in het genre verloren in de jaren zestig aan dynamiek (zelfs de grote Raj Kapoor ontsnapte daar niet aan met Sangam uit 1964) en ruilden die helaas in voor exotische locaties en een meer statische benadering. Dat is zeker het geval voor Pakeezah dat ook inzake kleurschema’s niet echt uitblinkt. De kostuums (die Kumari zelf mee ontwierp) zijn schitterend en uiteraard is er knap gebruik van expressief coloriet, maar van echt doordachte design is er weinig sprake, wat nog meer opvalt door de kale decors, een opvallend gegeven binnen een cinematografische traditie die doorgaans bekend staat om haar horror vacui. De meest knappe esthetische momenten zijn dan ook niet de dansnummers, maar aparte shots zoals de gekleurde avondlucht die te zien is door de ramen van een voorbijrazende trein, of een in rode gloed gehulde boot die geruisloos over het oppervlak van een spiegelende rivier glijdt.

Grootste tekortkoming is wellicht dat de passie waar het allemaal om draait nauwelijks voelbaar is. Dit soort films moet aan de hand van muzikale nummers de romantiek opbouwen zodat de verwaarloosbare plotlijn enkel dient om grootste lyriek te brengen, maar wanneer die elementen het zoals hier laten afweten, is het resultaat veel te steriel om ons mee te slepen in de flinterdunne liefdesgeschiedenis.

‘Pakeezah’ van Kamal Amrohi met Ashok Kumar, Meena Kumari. India, 1972. Score: 6/10

Hangyakuji (The Conspirator)

Toen op Cinema Ritrovato 2026 The Conspirator getoond werd als laatste titel in de retrospectieve gewijd aan regisseur Daisuke Itô, werd de film geprezen als Itô’s laatste grote werk. De cineast die zijn carrière begon tijdens de stille filmperiode, draaide inderdaad tot 1970, maar algemeen wordt dit drama uit 1961, gebaseerd op een enkele episode in het leven van Ieyasu Tokugawa, de man die met zijn heerschappij een lange periode van stabiliteit in Japan zou inluiden; beschouwd als een laatste orgelpunt.

De gebeurtenissen spelen lang vóór het shogunaat van Tokugawa aanving en toont de gespannen relaties tussen rivaliserende clans die noodgedwongen een ongemakkelijk bondgenootschap moesten afsluiten. Verraad en intriges binnen Tokugawa’s familie dreigen een open oorlog te veroorzaken, een proces dat hier verhaald wordt in schitterende Scope composities en intense confrontaties.

Van de strijdtaferelen bij het begin, tot de dramatische scherzo’s in weidse landschappen en de in strakke geometrische figuren gevatte gesprekken in paleizen; alles in deze uiterst geraffineerde film verraadt de hand van een regisseur die aan het eind van een lange loopbaan zijn kunnen en vakmanschap op moeiteloze wijze hanteert en daarmee andermaal een moment van grootse cinema aflevert.

Heuglijke rol voor Haruko Sugimura, de grote actrice die onder andere ook schitterde in vele films van Yasujirô Ozu en hier als de vileine mater familias een onvergetelijk manipulatief monster neerzet.

‘Hangyakuji’ van Daisuke Itô met Kinnosuke Nakamura, Haruko Sugimura. Japan, 1961. Score: 8,5/10

Zaterdag 27 Juni

De festivaleditie van 2026 gaat de voorlaatste dag in. Als dat een dag is met een gerestaureerde versie van Visconti’s Il Gattopardo op het programma, dan is die in ieder geval nog de moeite waard.

Ajantrik

Ritwik Ghtakas losse vignetfilm over een Bengaalse taxichauffeur die koppig en wanhopig zijn stokoude wagen aan de praat probeert te houden terwijl hij klanten van divers pluimage op hun bestemming brengt.

Ghatak zou in de jaren negentienzestig en -zeventig zijn grootste periode kennen als filmmaker met titels als The Cloud-Capped Star en A River called Titas en er zitten zeker al sporen daarvan in deze Ajantrik, vooral dan in het imponerende gebruik van landschap of de vanuit lage hoek geschoten silhouetten van de taxi tegen de achtergrond van het uitspansel. Die kwaliteiten zijn zeker nodig om de soms wat repetitieve half komische situaties en de ietwat vervelende personages, naar een hoger plan te tillen.

Er zit nochtans een duidelijke filosofie achter de prent waarmee de cineast de verhouding tussen het mechanische (het Bengaalse woord daarvoor zit vervat in de titel) en het menselijke wou bevragen en meteen ook een portret schetsen van de streek (en haar bevolking) waar hij opgroeide. Voor een deel lukt dat ook, vooral wanneer de film zoals de protagonist rustig meandert en vrije associaties toelaat. Zodra echter de gekke geluidjes voor de sterk geantropomorfiseerde wagen opduiken, zakt alles volledig in elkaar.

‘Ajantrik’ van Ritwik Ghatak met Kali Bannerjee, Gangapadu Basu. India, 1958. Score: 6/10

Melodie der Liebe

Richard Tauber was een beroemde tenor die ook in een aantal films aantrad, tot zijn half-Joodse afkomst hem dwong om in 1933 Duitsland te verlaten nadat de nazi’s al zijn bezittingen in beslag hadden genomen.

De laatste langspeler die hij draaide in zijn thuisland is deze Melodie der Liebe, een film die op de openende ‘travelling’ langs een reeks deuren in de opera na, vooral uitblinkt in statische verveling. Het spreekt voor zich dat een dergelijke productie vooral een vehikel zal zijn voor het zangtalent van de ster, maar het verhaaltje over een vrouw die enkel uit is op zijn geld en roem terwijl zijn dochtertje al lang de juiste op het oog heeft, is wel heel tam.

Iedereen debiteert onnozele dialogen – uiteraard onderbroken door gezang – en zowel de mise-en-scène als de acteerprestaties lijken afkomstig uit slecht amateurtoneel.

‘Melodie der Liebe’ van Georg Jacoby met Richard Tauber, Petra Unkel. Duitsland, 1932. Score: 4/10

Swing High, Swing Low

Omdat de rechten aan geen enkele studio meer toebehoorden, deden van Swing High, Swing Low jarenlang allerlei inferieure en verkorte versies de ronde op het internet.

Mitchell Leisen werkte voor deze muzikale romantische komedie andermaal samen met het duo Carole Lombard – Fred MacMurray en levert een van zijn meer gedegen prenten af. MacMurray is uitstekend als de trompettist met enorm talent maar ook een drank- vrouwen- en gokverslaving. Lombard is de jonge reizigster die hem probeert te veranderen en daar uiteindelijk niet in slaagt.

Leisen doet zeker geen verbazende dingen met zijn regiestijl, maar de soft-focus fotografie van Tet Tezlaff is geweldig en hult vooral de scènes in het (uiteraard in de studio nagebouwde) Havanna in prachtig sfeervolle beelden. De chemie tussen de twee hoofdrolspelers is hier ook beter dan in Hands Across the Table, hun eerdere samenwerking met Leisen en resulteert in een oprecht ontroerende finale.

‘Swing High, Swing Low’ van Mitchell Leisen met Carole Lombard, Fred MacMurray. Usa, 1937. Score: 7/10

Il Gattopardo

Binnen de grote reeks meesterwerken die Luchino Visconti tijdens zijn lange carrière afleverde, is het moeilijk om Il Gattopardo boven titels als La Caduti degli Dei, Senso of Morte a Venezia te plaatsen, laat staan dat het makkelijk zou zijn om de film boven anderen te plaatsen binnen de totaliteit van de filmgeschiedenis. Toch is dit een prent die terecht altijd voorkomt bovenaan de lijstjes met de beste titels aller tijden.

Tijd en geschiedenis zijn net ook de elementen waar deze langoureuze kroniek om draait, het portret van de patriarch (schitterende rol van Burt Lancaster als was zijn casting indertijd eerst onderwerp van veel controverse) van een Siciliaanse prinselijke familie die tijdens het Risorgimento (de eenmaking van Italië) in de tweede helft van de negentiende eeuw, leert berusten in het feit dat zijn rol en status uitgespeeld zijn en zullen verdwijnen.

Nochtans zegt hij in de schitterende openingsscène waarin de eerste geluiden van de revolutie letterlijk binnen dringen in de statige familievilla in San Lorenzo tijdens een gebedsstonde (maar alle aandacht gaat naar het perfect in de lichte bries waaiende gordijn voor het venster) “Er zal niks veranderen, uiteindelijk willen die revolutionairen enkel onze rangen vervoegen, niet ons vernietigen.” Dat blijken profetische woorden te zijn want wanneer de troepen van Garibaldi Palermo en de rest van het eiland ingenomen hebben, wil een van de nieuwe generaals enkel de fresco’s op het landgoed bewonderen en heeft hij er geen enkel probleem mee om de nodige eer te betuigen aan zijne excellentie, een titel die het nieuwe regime eigenlijk niet erkent … de eerbied voor de oude adel zit immers diep ingebakken in het land en de ziel van het land.

Toch veranderen de tijden wel degelijk, en die zekerheid zit ingebakken in de figuur van de ambitieuze neef Tancredi Falconeri – Alain Delon die goddelijker oogt dan ooit – die zonder problemen zijn mede-revolutionairen inruilt voor status en macht in de nieuwe politiek, een systeem dat sneller en agressiever handelt dan de op tradities en erecodes gebaseerde wereld van zijn oom. Die houding demonstreert hij ook al in het eenvoudigweg pragmatisch kiezen voor de liefde (of dan toch het fortuin) van de gulzig pruilende aristocrate gespeeld door Claudia Cardinale, zonder scrupules omtrent het feit dat hij daarmee de dochter van zijn beschermheer die hij eerder het hof maakte, vernedert en veroordeelt tot een leven in ongeluk.

Uiteindelijk zal de oude adellijke ‘Luipaard’ (“Zij die ons opvolgen zullen hyena’s en jakhalzen zijn”) in de vroege ochtend na een bal stilletjes verdwijnen in de opkomende dageraad van een nieuw tijdperk. Voorafgaand daaraan krijgen we een van de mooiste verzameling scènes ooit op film gezet: een somptueus avondfeest dat door Visconti en zijn goddelijke cameravorst Giuseppe Rotunno opgevoerd wordt als een perfect georchestreerde symfonie van kleur, compositie en beweging. In alle details die deze eindeloos opnieuw te savoureren sequens rijk is, krijgen we lessen in magistrale mise-en-scène, het orgelpunt van een film die die kunst tot absoluut sublieme hoogtes verheft.

‘Il Gattopardo’ van Luchino Visconti met Burt Lancaster, Alain Delon. Italië, Frankrijk, 1963. Score: 10/10

Zondag 28 Juni

Il Cinema Ritrovato eindigt vanavond – al lopen de avondvoorstellingen aan de kathedraal nog wel even door – met de traditionele slotceremonie op de Piazza Maggiore en met de viering van de honderste (!) verjaardag van Mel Brooks die via video de vertoning van Young Frankenstein zal inleiden en vergast zal worden door een heel plein dat in he Italiaans Happy Birthday zal zingen.

De jarige Mel Brooks is te oud om naar Bologna te vliegen, maar leidde op de Piazza Maggiore vanop afstand ‘Young Frankenstein’ in (beeld: David Vanden Bossche voor Enola)

What Price Glory

Uiterst succesvolle mengeling van oorlogsdrama en -komedie geregisseerd door Raoul Walsh en opgehangen aan de personages van de immer met elkaar wedijverende militairen Quirt (Edmund Lowe) en Flagg (Victor McLaglen). De prent zou leiden tot een reeks sequels rond het kibbelende tweetal, die steeds meer aan kwaliteit inboetten. Hier weet Walsh het evenwicht tussen soms puberale gein en stevige dramatiek nog beter te bewaren, al zijn het toch vooral de spectaculaire gevechtsscènes die indruk maken.

De episodische plot opent in China waar de twee protagonisten achter vrouwen aanzitten en met elkaar op de vuist gaan, tot ze in het Frankrijk van 1917 geconfronteerd worden met de gruwel van de loopgravenoorlog, al vergeten ze ook dan uiteraard niet om voldoende Cognac achterover te slaan en de plaatselijke demoiselles het hof te maken.

De slapstick rond ruziënde soldaten wordt al snel wat repetitief, maar wanneer Walsh zijn kraanbewegingen en tracking shots op het slagveld demonstreert, krijgt de film ontegensprekelijk een zekere visuele grandeur.

John Ford draaide in 1952 een remake met in de hoofdrollen James Cagney en Dan Dailey.

‘What Price Glory’ van Raoul Walsh met Victor McLaglen, Edmund Lowe. Usa, 1926. Score: 7/10

Young Frankenstein

Mel Brooks’ beste film is een liefdevolle parodie op de Frankensteinmythe die erin slaagt tegelijkertijd bijzonder geestig te zijn en toch het griezelaura van het origineel te bewaren. De glanzende zwart-wit fotografie is een mooie ode aan de Frankenstein films van James Whale en de goede dosering van de grappen zorgt ervoor dat het verhaal ook buiten de humor om onderhoudend blijft.

Gene Wilder (die ook meeschreef aan het script) was wellicht nooit beter dan in zijn incarnatie hier van de kleinzoon van baron Von Frankenstein (excuseer, Von Fronckenstin) die niets wil te maken hebben met zijn familieverleden, maar uiteindelijk toch het werk van zijn illustere voorvader zal verderzetten. Hij wordt bijgestaan door een gebochelde dienaar (een geweldige Marty Feldman), een wulpse laboratoriumassistente (Teri Garr) en de voormalige huishoudster van het kasteel in Transylvanië (Cloris Leachman).

Er zijn te veel geslaagde grappen om ze allemaal op te noemen, maar onder de hoogtepunten zeker het steeds terugkerende schrikken van de paarden bij het horen van een sinistere naam, de situaties gepuurd uit de grote van het geslachtsdeel van het monster en natuurlijk de onvergetelijke Puttin’ on the Ritz act die Wilder samen met zijn creatie (Peter Boyle) op een podium brengt voor een zaal vol wetenschappers.

Er zijn ook een paar nevenpersonages die bijblijven: een duidelijk op Peter Sellers’ rol in Dr. Strangelove geïnpsireerde veldwachter met recalcitrante mechanische arm en Duits accent, en een bijna onherkenbare Gene Hackman als een blinde priester die op onhandige manier gastvrij probeert te zijn.

‘Young Frankenstein’ van Mel Brooks met Gene Wilder, Teri Garr. Usa, 1974. Score: 7,5/10

recent

Los Domingos

De Spaanse cineaste Alauda Ruiz de Azúa wist met...

Philippe Pelaez & Claudio Stassi :: Julie Wood: 2. Familiegeheimen

Julie Wood ging vorig jaar van start als nieuwe...

aanraders

Incendies – 4K Restauratie

Met Dune, Blade Runner 2049 en Arrival groeide Denis...

Backrooms

De afgelopen weken was het onmogelijk om via social...

Silent Friend (Stille Freundin)

Cinema die zich niet haast, maar zich geduldig ontvouwt...

Broken English

Deze extravagante documentaire van Iain Forsyth en Jane Pollard...

Our Land (Nuestra Tierra)

Hoe onwaarschijnlijk het ook klinkt, het is al van...

verwant

Danger Mouse, Sparklehorse & David Lynch :: Dark Night of the Soul

Filmmaker David Lynch is overleden, nieuws dat bij heel...

In Memoriam: David Lynch

David Lynch (1946-2025) ‘The Man you like is not coming...

The Great Escaper

‘Negentigplusser ontsnapt uit verzorgingstehuis om zijn gevallen kameraden te...

Mulholland Dr. (Re-release)

Na Blue Velvet is Mulholland Dr. uit 2001 zonder...

BEST OF : Sparklehorse

Geef toe, meestal zijn ze uw geld niet waard;...

1 REACTIE

  1. Ik zag de film voor ’t eerst toen ie in 1971 in roulatie kwam, in Brussel was dat in bioscoop Piccadilly (intussen ter ziele gegaan). De meest ophefmakende scène was de masturbatie van moeder superior (Vanessa Redgrave) met een crucifix, wat zeker ook het hoogtepunt was voor leden van de Katholieke Film Liga (KFL). Als 19-jarige met een katholieke opvoeding achter de rug en een permanente afkeer voor nonnen, kon ik wel van genieten.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in