Scooby-Doo



84 min. / USA

Misschien is dit een film die beter besproken kan worden
door iemand die meer kent van de originele tekenfilmpjes. Al wat ik
mij herinner van de verloren woensdagnamiddagen van mijn jeugd,
doorgebracht voor de televisie, is een vaag gevoel dat ‘Scooby-Doo’
steeds twintig minuten pauze in mijn tekenfilmmarathon betekende.
Zelfs als zes- à zevenjarig kind begon ik me algauw te vervelen bij
alweer diezelfde grappen, en steeds opnieuw hetzelfde einde,
waarbij het één of ander spook of monster het masker werd
afgetrokken. Toen al een criticaster – het was voorbestemd,
veronderstel ik.

Voor Amerikanen ligt dat allicht anders, ‘Scooby-Doo’ heeft in
ieder geval een trouwe fanbasis, die alle afleveringen van buiten
kent, en voor wie de leden van Mystery Inc. ware helden zijn.
Buiten die trouwe fans kan ik me niet meteen voorstellen wie enig
plezier zou kunnen beleven aan deze live action verfilming van de
tekenfilmreeks.

Fred, Daphne, Shaggy en Velma zijn de vier leden van Mystery Inc,
een groepje studentikoze jongelui die professioneel mysteries gaan
oplossen. Hierbij worden ze geholpen door Shaggy’s hond Scooby-Doo,
speciaal voor deze film geheel opgetrokken uit CGI, zodat de makers
Scooby naar wens konden laten praten, op zijn achterste poten
rondlopen, in Shaggy’s armen springen, vechten als was hij een
beroepsbokser enz…

Na een aantal egoconflicten tussen de verschillende leden van
Mystery Inc, besluit de groep te splitten – het lijkt wel een
boysband. Twee jaar later worden ze echter allemaal afzonderlijk
naar Spooky Island gelokt, een levensgroot pretpark dat eigendom is
van Emile Mondavarious. Deze meneer wordt gespeeld door Rowan
Atkinson, die schijnbaar dringend geld nodig had. Mondavarious ziet
met lede ogen toe hoe de studenten die zijn griezelpretpark
bezoeken, als wezenloze zombie’s weer naar huis keren, en denkt,
aldus de film “dat er een mysterie mee gemoeid is”. Lees dat
zinnetje nu nog eens en denk er even over na hoe absurd het is: “ik
denk dat er een mysterie mee gemoeid is”. Dat geeft het niveau van
de film perfect weer.

Het begint nochtans vrij leuk, met de oplossing van een eerste
mysterie, dat niets met de verdere plot van de film te maken heeft.
We worden geïntroduceerd in het bewust melige wereldje van
Scooby-Doo, en het verplichte nummer waar iedereen op zit te
wachten, wordt voor de gelegenheid meteen voorop gesteld: “I wonder
who he really was!” Het masker wordt afgerukt, en de slechterik
zegt: “I would have gotten away with it, if it wasn’t for you lousy
kids!” Oké, goed, je hoeft geen fan van de serie te zijn om van de
campy kwaliteiten van een dergelijke scène te kunnen genieten. Maar
vervolgens gaat het bergaf.

Vergeet het feit dat de plot nergens op slaat. Het hele verhaal is
absurd van begin tot eind, maar daar gaat het in een kinderfilm ten
slotte niet over. Wat veel erger is, is de gespleten
persoonlijkheid van de film, als het product van een clash tussen
de jaren zeventig en het jaar 2000. Mystery Inc. ziet er net
hetzelfde uit als in de tekenfilmpjes, met kledij en kapsels die zo
uit de late flower power zijn weggelopen, maar de rest van de
wereld heeft ondertussen wel verder gedraaid, zodat de
hoofdpersonages rondlopen als tijdreizigers die per ongeluk in ons
heden terecht zijn gekomen.

Matthew Lillard is de perfecte Shaggy, dat kan niemand ontkennen,
maar voor het overige wordt er nogal magertjes geacteerd. Vooral
Freddie Prinze heeft geen flauw idee hoe hij zijn rol als Fred
enige kleur kan meegeven. Hij krijgt een eerste plaats op de
aftiteling, en wordt als ster van de film aangekondigd, maar de
enige die het publiek misschien een klein beetje meekrijgt, is
Shaggy. En natuurlijk Scooby-Doo zelf, maar daar zijn dan weer
andere problemen mee.

Want, jongens, wat is die hond lelijk! Scooby-Doo is in deze versie
van de feiten een soort van kneedbare bruine blubber, die vaagweg
de vorm van een hond aanneemt en anderhalf uur lang van de ene hoek
van het scherm naar de andere stuitert, ondertussen klankjes
uitstotend waarvoor elke irritante zatlap die een pratende hond wil
imiteren, uit ons stamcafé gesmeten zou worden. Verondersteld dat
de irritante zatlap uit ons plaatselijke stamcafé dat zou willen,
natuurlijk, maar zelfs die is zo gek niet.

Goeie grappen zijn op de vingers van één hand te tellen, en ik kan
me maar één keer herinneren hardop gelachen te hebben – een gag die
naar weedgebruik verwijst, dan nog, dus de kans dat kinderen onder
de…euh… twaalf jaar ze begrijpen, lijkt me vrij klein. Voor het
overige krijgen we komisch bedoelde wedstrijden scheten laten en nu
al klassiek geworden kreetjes van ontstelling zoals jinxies.

Scooby-Doo als idee is natuurlijk pure camp. In de eerste plaats
had het verhaal binnen de jaren zeventig moeten spelen, ten tweede
had het bevolkt moeten worden met enthousiaste acteurs, en ten
derde had men op z’n minst een poging moeten ondernemen een paar
leuke grappen te bedenken. Mike Myers, met z’n gezonde obsessie
voor Amerikaanse camp (denk aan de verwijzingen naar reclamespots
en popcultuur in ‘Wayne’s World’ en ‘Austin Powers’), zou mij de
uitgelezen persoon lijken om zo’n film te maken, zelfs ondanks
‘Goldmember’.

Je kunt een film als’ Scooby-Doo’ dan wel afkammen, maar zolang
kinderen ermee kunnen lachen, kun je er in feite weinig op
aanmerken. Maar zelfs dat betwijfel ik. Jongere kinderen hebben
veelal geen boodschap aan heel die Scooby-Doo, ook niet aan de
tekenfilms, aangezien de verhaaltjes vierkant buiten hun leefwereld
en interesseveld vallen. En de oudere fans zullen teleurgesteld
zijn dat de sfeer van de originele cartoons verloren gaat in een
overdosis special effects en debiele grappen.

Op die manier valt ‘Scooby-Doo’ dus tussen twee generaties heen.
Hij is niet slecht genoeg om degelijke camp te zijn, hij is lang
niet goed genoeg om op zichzelf te bekijken. De vraag is dan ook
niet: Scooby-Doo, where are you, maar: Scooby-Doo, why are
you?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 × vier =