Ali


152 min. / USA

Af en toe gebeurt het dat de internationale filmkritiek een
tegengestelde mentaliteit aanneemt over een film, en voor ‘Ali’,
Michael Manns biografische film over Muhammed Ali, is dit zeker het
geval. In de VS kreeg ‘Ali’voornamelijk negatieve reacties, in
Europa staan heel wat mensen “meesterwerk” te roepen. De waarheid
ligt, wat mij betreft, ergens in het midden.

Mann heeft de wellicht niet onverstandige keuze gemaakt zich te
beperken tot de dramatisering van één decennium uit het leven van
de bokser: de periode 1964-1974, waarin dan ook de meeste
kleurrijke gebeurtenissen van zijn leven plaatsvonden. Zijn
vriendschap met de militante Islamitische rassenleider Malcolm X,
zijn bekering tot de Islam en de verandering van zijn naam van
Cassius Clay naar Muhammed Ali, de moord op Malcolm X, Ali’s
weigering om in militaire dienst te gaan, de drie jaar dat hij
hierdoor niet kon boksen en zijn uiteindelijke comeback door de
rumble in the jungle in Kinshasa. Dit zijn de hoogtepunten van de
film, die af en toe wel een verzameling greatest hits lijkt uit de
biografie van the greatest.

Michael Mann, regisseur van onder andere ‘Heat’ en het schitterende ‘The Insider’, beweert in interviews steeds
opnieuw dat zijn film géén biopic is, maar net zoals praktisch al
zijn films, een personenportret. Hij zal vast wel gelijk hebben. Ik
had tijdens het bekijken van de film alvast de indruk dat ‘Ali’
heel wat probeert te zijn: een biografie (sorry, personenportret),
een geschiedenisles over de periode, een politieke thriller en
natuurlijk een sportfilm. Van al die genres passeren op een bepaald
moment wel eigenschappen de revue, en dat resulteert in soms
bruuske afwisselingen van toon, van sfeer en van tempo. De film
komt vaak heel fragmentarisch over.

Dat heeft onder andere tot gevolg dat nevenpersonages komen en gaan
zonder dat we ze echt leren kennen. De relatie tussen Ali en Martin
Luther King wordt wel aangeraakt, maar er wordt niet echt op
ingegaan. Ik had ook graag wat meer geweten over de echte gevoelens
van Ali tegenover de Nation Of Islam en hun rol in de dood van
Malcolm X en zijn schorsing als islamiet toen bleek dat hij
financieel in het slop zat. Zelfs de twee vrouwen die Ali huwt in
de periode waar de film over gaat, blijven schaduwachtige figuren,
die geen emotionele connectie uitlokken.

Een ander gevolg van de fragmentarische opbouw is dat sommige
fragmenten gevoelig lang uitvallen: de eerste boksmatch in de film
duurt tien volle minuten, en is magistraal geregisseerd, maar na
vijf minuten is de boodschap wel duidelijk. Een ander voorbeeld
hiervan komt veel later in de film, wanneer Ali gaat joggen in
Kinshasa, en gevolgd wordt door een meute straatkinderen. Hij
blijft maar joggen, tot ver voorbij het punt waarop de scène nog
nut had kunnen hebben.

Dat zijn heel wat negatieve aspecten, dat weet ik, maar er is ook
goed nieuws, want ondanks dat alles is Ali een zeer bekijkbare film
geworden. Voor elk segment dat te lang is uitgevallen of om een
andere reden doel mist, is er ook één die recht in de roos mikt. De
moord op Malcolm X, de meeste boksscènes, Ali’s showmanship voor de
wedstrijden en vooral de soms hilarische interviews die hij deed
met Howard Cosell zijn een lust voor oog en oor, en herinneren ons
eraan hoe goed Ali wel had kunnen zijn indien Mann dit een hele
film lang had kunnen volhouden. Vooral de boksscènes zijn
uitstekend: Mann romantiseert niet naar de triomfantelijke
‘Rocky’-stijl, en kiest ook niet voor de poëzie van Scorsese’s
ballet-achtige gevechtscènes in ‘Raging Bull’. Hij kruipt met de
camera mee de ring in en recreëert de historische gevechten van Ali
in een soms brutaal realistische stijl, waarin je elke slag voelt
(mede met dank aan het digitale geluidssysteem van onze lokale
cinema, natuurlijk). Daarom ook dat de tien minuten van het eerste
gevecht te lang zijn.

Het aspect van de film waar de meeste twijfels over bestonden, was
de casting van Will Smith in de titelrol: menige wenkbrauw werd
gefronst toen de naam van de “fresh prince” genoemd werd voor een
dergelijke serieuze, dramatische opdracht. Niet in het minst omdat
Smith een magere sprinkhaan was die schijnbaar nog in geen honderd
jaar tot zwaargewicht omgevormd zou kunnen worden. Maar wonder
boven wonder, Smith kweekte via een rigoureus trainingssysteem 12
kilo pure spieren aan zijn lichaam, liet zijn oren iets dichter
tegen zijn schedel plakken en leerde boksen als een kampioen. En
het werkte. We geloven hem als hij in de ring een KO toedient en,
wat wellicht nog belangrijker is, we geloven hem als hij, na de
dood van Malcolm X te vernemen, zijn wagen aan de kant zet en twee
tranen over zijn wangen laat lopen. Het is een klein moment dat
niet onnodig wordt uitgerokken; Ali breekt niet luidkeels in wild
gehuil uit en hij gaat ook de boel niet kort en klein slaan. Nee,
gewoon twee tranen, meer niet. En dat is genoeg. Smith is ver
gekomen sinds ‘Independence Day’.

En dan is er nog Jon Voight, vrijwel onherkenbaar als Howard
Cosell, sportjournalist en vaderfiguur voor Ali, en één van de
weinige mensen die hem na verloop van tijd de waarheid nog durven
te zeggen. Er heerst een soort van ontspannen, vanzelfsprekende
magie tussen die twee, als tussen mensen die elkaar inderdaad al
jaar en dag kennen en om elkaar geven zonder dat te hoeven
uitspreken. Het is één van Voight’s beste rollen in een heel lange
tijd.

Op die manier wordt ‘Ali’ dus een heel gemengde ervaring, 157
minuten lang irritatie en fascinatie. Ik kan begrijpen waarom de
Amerikanen problemen hadden met de film: er wordt geen beeldje
opgehangen van Ali als een heilige, zijn menselijkheid (zijn zwak
voor vrouwelijk schoon, bijvoorbeeld) wordt op een eerlijke wijze
behandeld. Laten we daar, in tegenstelling tot onze Amerikaanse
vrienden, alvast blij om zijn. Waar je mee over blijft aan het
einde van de rit, is een nogal dooreen gerammeld beeld van een
grote persoonlijkheid, en een handvol schitterende scènes. Dat is
althans iets.

http://www.spe.sony.com/movies/ali

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twintig + 1 =