Das Leben der Anderen





137

Veel mensen die zichzelf wel eens “meerwaardezoeker” noemen –
een term die werd uitgevonden omdat “snob” direct zo negatief
klinkt – kijken tegenwoordig al gauw naar Azië voor de betere
cinema. Zo’n Wong Kar-wai, Chan Wook-Park of, als het wat extremer
mag, Takashi Miike biedt toch meteen een artistiek cachet waar je
in Amerika meestal lang naar kunt zoeken. Dat mag dan wel zo zijn,
maar de voorbije twee à drie jaar is mij veel dichter bij huis nóg
een sterke hausse opgevallen: de Duitsers zijn er weer, en
ze zijn volop bezig hun trauma’s uit het verleden van zich af te
filmen, of dat nu de Tweede Wereldoorlog (‘Der Untergang’, ‘Sophie Scholl’) of de
verdeeldheid van het land daarna betreft (‘Goodbye Lenin’ en nu deze
‘Das Leben der Anderen’). Debuterend regisseur Florian Henckel von
Donnersmarck heeft hier een erg traditioneel, maar knap verteld
drama van gemaakt, dat een duistere periode uit de recente
geschiedenis behandelt zonder daarom deprimerend of cynisch te
worden.

Ulrich Mühe speelt kapitein Gerd Wiesler, die anno 1984 voor de
Oostduitse Staatssicherheit (Stasi) werkt. In opdracht van de
socialistische regering luistert hij mensen af, leest hij hun post,
doorzoekt hij hun huis en ondervraagt hij hen soms 48 uur aan een
stuk om toch maar een bekentenis af te dwingen. We leren hem kennen
als een methodische, ijzig bedaarde man, die zelden spreekt en soms
zelfs lijkt te verdwijnen in de muren.

Op een dag krijgt Wiesler de opdracht om theaterauteur Georg
Dreyman in de gaten te houden (gespeeld door Sebastian Koch, die
onlangs nog in Paul Verhoevens kitschorgie ‘Zwartboek’ mocht
rondparaderen). Dreyman is een succesvol en ogenschijnlijk
kraaknette schrijver die alles vertegenwoordigt waar Oostduitsland
voor staat, maar hij is een intellectueel en bijgevolg per
definitie verdacht. Wiesler voorziet Dreymans flat van
microfoontjes en volgt zowat vierentwintig uur per dag het doen en
laten van de auteur. Gaandeweg raakt hij gefascineerd door het
warme, door emoties gedreven leven van Dreyman en wanneer blijkt
dat de schrijver toch niet zo zuiver op de graat is, maakt Wielser
een ondenkbare keuze: hij houdt informatie achter voor zijn
oversten om Dreyman te beschermen.

Peter Ustinov zei ooit dat het communisme misschien wel nobele
intenties had, maar gebaseerd was op een fundamentele denkfout: in
dat systeem vertrekt men immers vanuit het collectief, ze willen
doelen nastreven voor iederéén, terwijl een maatschappij natuurlijk
is opgetrokken uit individuen, en het individu dan ook centraal
dient te staan. ‘Das Leben der Anderen’ is eigenlijk een mooie
illustratie van dat idee: von Donnersmarck toont hoe persoonlijke
vrijheden één voor één verdwijnen ten dienste van een ongrijpbaar
collectief, “het volk”. Het “ik” kan zich nauwelijks nog bewegen,
het mag niet meer doen, zeggen of denken wat het wil, omdat het
“wij” daar wel eens slechter van zou kunnen worden. De centrale
ironie waar de plot van ‘Das Leben der Anderen’ op drijft, is
natuurlijk dat dat evenzeer (of zelfs nog méér) geldt voor de
Stasi-agent dan voor de persoon die onder observatie staat. Wiesler
heeft geen privé-leven behalve dat van Dreyman. Tijdens één immens
trieste scène zien we hoe een hoertje bij hem binnenwandelt,
bovenop hem gaat zitten, hem doet klaarkomen met dezelfde
zakelijkheid waarmee een andere vrouw haar baby’s pamper zou
verversen, en nog voor Wiesler goed en wel z’n broek weer dicht
heeft, opnieuw is vertrokken. “Ik heb over een half uur nog een
afspraak, volgende keer moet je me maar langer boeken.” En wég is
ze. Emoties of intimiteit zijn absoluut onmogelijk in zijn beroep –
als er ergens een slachtoffer van het systeem terug te vinden is,
dan is hij het wel.

Daar tegenover staat de warmte van het leven van Dreyman – oké,
de man heeft dan wel z’n relationele problemen met z’n vriendin
Christa-Maria (Martina Gedeck), maar hij heeft op z’n minst een
gevoelsleven die naam waardig, hij kan zich passie en zelfs
rebellie tegen het systeem permitteren. Het is mooi hoe von
Donnersmarck die tegenstelling tussen de twee personages uitspeelt.
De beide acteurs bevinden zich nooit in dezelfde kamer, maar de
regisseur verwerkt continu knap geconstrueerde parallelmontages in
zijn film die suggereren hoe sterk Wiesler naar een leven als dat
van Dreyman verlangt. Op een bepaald moment zien we Dreyman in
slaap vallen terwijl hij zijn vrouw knuffelt. In het volgende shot
zien we Wiesler, moederziel alleen op zijn stoel met z’n
koptelefoon op, maar door de manier waarop hij daar zit te slapen,
lijkt het alsof hij iemand omhelst die er niet is. Von Donnersmarck
werkt ook met contrasterende kleurenpaletten: ijkoude grijs- en
blauwtinten voor Wiesler, warmer geel en groen voor Dreyman. Oké,
dat visueel trucje is niet bijster vernieuwend, maar goed, het
werkt wel.

Ondanks het feit dat dit de eerste film is van een relatief
jonge regisseur (hij was 33 toen hij ‘Das Leben der Anderen’
maakte), is dit een opvallend bedaarde prent, die maar weinig blijk
geeft van de “kijk-eens-wat-ik-allemaal-kan” sturm und
drang
die debutanten vaak hebben. We krijgen een traditionele
opbouw met een chronologisch verhaal dat netjes naar een emotionele
climax leidt, er wordt nergens wild met de camera geschud en er
wordt zelfs geen hoofdpijnverwekkende montage gebruikt. Een gebrek
aan ambitie of gewoon een teken van vertrouwen in het verhaal zelf?
Gezien het feit dat die klassieke stijl nergens afbreuk doet aan de
kracht van het drama, zou ik eerder dat laatste zeggen.

Onvergetelijk kun je ‘Das Leben der Anderen’ niet noemen.
Daarvoor zijn de motivaties van sommige personages wat al te wazig
(vooral die van Christa-Maria), en voelt von Donnersmarck zich net
niet comfortabel genoeg met heftig emotionele scènes. Openlijke
emotie is vrij zeldzaam in de film, maar wanneer het dan toch
voorkomt (een ruzie tussen Dreyman en zijn vrouw, het resultaat van
een huiszoeking aan het einde van de film) lijkt de regisseur te
twijfelen hoe ver hij mag gaan, hoe melodramatisch hij mag worden.
Vandaar dat ik ook zeer blij was met het eigenlijke einde, dat dan
weer op een prachtige manier ingehouden en (om een Ingeborg-woord
te gebruiken) zelfs sereen is. Elke film die mij het woord
sereen uit m’n bek kan wringen, heeft verdomd iets
gepresteerd.

Met goeie acteerprestaties (vooral Ulrich Mühe is fenomenaal als
the man who wasn’t there), een sober maar degelijk
scenario en een fascinerende thematiek is ‘Das Leben der Anderen’
alweer een ganz nette aanvulling op het uitdijend canon
aan sterke recente Duitse films. Alle dahin und schnell ein
Bisschen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in