Rocky Balboa





102 min. / VS /
2006

Ik zit met een probleem. Het fenomeen ‘Rocky’ heeft
namelijk geen plaatsje in mijn nu al overvol nostalgisch geheugen.
Ik zat nog tussen de bloemkolen toen de eerste uitkwam en toen ik
oud genoeg was om de Italiaanse dekhengst in actie te zien, was hij
aan het knokken met de blonde übercommunist Ivan ‘Davay!’ Drago.
Die nostalgische sluier waar Stallone zijn final countdown
in heeft gewikkeld doet me dus eigenlijk niet zoveel. Ik zag geen
vergane glorie gekweld door weemoed en verdriet, maar een verlepte
botox-smoel die toch zo graag nog eens een hitje wil scoren. Maar
wanneer dat triomfantelijke Bill Conti-deuntje halverwege deze
‘Rocky Balboa’ (Romeinse cijfers zijn zo jaren tachtig) door de
zalen spetterde, gebeurde er iets eigenaardig. Ik kwam tot de
vaststelling dat ik met gebalde vuisten zat te kijken hoe een
zestigjarige vent zich klaarmaakte om zowel de meest belachelijke
als de meest spectaculaire comeback van zijn leven te maken. Voor
het eerst in m’n leven vond ik het een beetje jammer dat ik er niet
bij was in 1976. Toen hij voor het eerst die legendarische trappen
opliep, toen zijn muze Adrian nog leefde, en toen die gigantische
ader aan zijn linkerslaap nog niet zo gevaarlijk heftig pulseerde.
Zeg het niet te luid, maar Rocky is terug, al is het maar voor heel
even.

Sinds zijn geliefde Adrian is gestorven, gaat het het niet zo
goed meer met de Balboa Constrictor van weleer. Zijn zoon (Milio
Ventimiglia die perfect het krullende lipje van Stallone imiteert)
is druk bezig met een yuppiecarrière en Rocky’s vlucht in nostalgie
begint serieus op de zenuwen te werken van zijn buddy Pauly (Burt
Young die af en toe de film eens mag stelen met een vette
oneliner). Hij loopt doelloos rond in zijn eigen restaurant,
poseert op de foto met fans en amuseert klanten met vergeten
anekdotes uit vervlogen tijden. Van de ooit zo strijdlustige
champ blijft enkel nog een uitgebluste sad
bastard
over. Wanneer de onverslagen maar ook onpopulaire
bokskampioen Mason ‘The Line’ Dixon (Antonio Tarver) op zoek gaat
naar een waardige tegenstander, krijgt de volksheld en bijna-senior
Rocky een kans om zich nog maar eens te bewijzen in de ring. Met
kalk in de botten, gammele knieën en geplaagd door artritis begint
hij aan de voorbereiding van de allerlaatste kamp van zijn
leven.

Het succes van Rocky is eenvoudig te verklaren: het personage
Rocky Balboa is eigenlijk een gigantische crowdpleaser.
Hij is de ultieme underdog, iemand die ondanks (of net omwille van)
alle tegenstand en obstakels toch uitgroeit tot een winnaar. Zelfs
wanneer Rocky verliest, is hij een winnaar. Het is niks meer dan
een variatie op de oerklassieke ‘rags to riches‘-formule
met een uitvergrote ondertoon van de American Dream. En
voila, de Amerikanen op zoek naar eenvoudige edoch inspirerende
verhalen van gewone mensen (volgende week is het aan Will Smith met
zijn ‘Pursuit of Happyness’) hebben er weer een held bij.

In dit zesde Rocky-avontuur gaat Stallone terug naar die
underdog-roots van zijn personage, die steeds meer verloren raakten
in de sequels. Geen wraakmotief, geen aanval op het communisme en
geen ridicule hanekam van Mr. T of walrussnor van Hulk Hogan. Neen,
Rocky gaat back to basics (inclusief het grijze
trainingspak en het iconische hoedje) om de Balboasaurus een
waardig afscheid te geven na het gênante ‘Rocky V’, de enige
Rocky-film waar zelfs Stallone zich voor schaamt (en dat wil al wat
zeggen). ‘Rocky Balboa’ begint dus als een nostalgisch plakboek dat
op een nogal lompe manier herinneringen oproept aan vorige
afleveringen, met het origineel uit ’76 op het voorplan. Een klein
uur zien we de Sly al mompelend (de yo’s vliegen je om de
oren) door de streets of Philadelphia strompelen, op zoek
naar plekjes die hem doen terugdenken aan zijn glorietijden. De
oude gymzaal, het graf van Adrian (die fungeert als emotionele rode
draad voor de motivaties van Rocky), de vernielde ijspiste waar hij
nog met haar op date is geweest enzovoort. Sfeervol in beeld
gebracht met grauwe en mistroostige plaatjes maar even klef en
geforceerd als een mokerhamer met een confituurpot aan het
uiteinde. Gelukkig is Burt Young nooit veraf om de dromerige
praatjes van Stallone te voorzien van onsentimentele repliek. De
eerste helft van ‘Rocky Balboa’ heeft het hart op de juiste plaats,
maar doet ook veel te hard zijn best om de sympathie te winnen. Het
wordt pas interessant wanneer de plotkatalysator ‘kan Rocky het
nog?’ geïntroduceerd wordt.

Wat laat ons eerlijk zijn, nostalgie is allemaal goed en wel,
maar deze film zou geen bestaansreden hebben mocht Stallone niet
met de blote bast rondparaderen om te bewijzen dat hij nog steeds
een ferme oplawaai kan verkopen. En met voldoende zelfrelativering
en oprechtheid krijgt hij het gedaan. In een scène horen we de
trainer van Rocky al de dingen opsommen die hem eigenlijk totaal
kansloos maken, op één uitzondering na: de hurting bombs.
Rocky is traag, zijn lichaam kraakt langs alle kanten maar als hij
zijn armen voldoende traint kan hij misschien net genoeg pijnbommen
uitdelen om zijn tegenstander te verslaan. Rocky is geen atleet
meer en er wordt ook nooit beweerd dat hij dat na de obligate maar
passende montagescène (begeleid door de retro-trompetten van Bill
Conti) terug zal zijn. En als hij dan toch eindelijk de ring
instapt (het grijze decor van Philadelphia wordt ingeruild voor het
kitcherige vuurwerk van Las Vegas) dan is hij wonder boven wonder
net geloofwaardig genoeg om een klepper van een finale te bezorgen.
Zijn lijf staat al lang niet meer zo strak als vijfentwintig jaar
geleden, zijn borstjes beginnen door te zakken en de aders beginnen
steeds opzichtiger door zijn lijf te kloppen, maar zijn wil om te
winnen staat sterker dan ooit. Tuurlijk slaat hij er meer naast dan
erop en gebruikt hij zijn toupet strategisch om de uithalen van
Mason te incasseren, maar mijn kop eraf als ik niet een klein
beetje omhoog veerde toen Rocky na zijn zoveelste valpartij toch
nog terug opkroop om Mason een lesje in nederigheid te geven. Op
dat moment is de ziel van Rocky springlevend en alle respect voor
Stallone om dat terug te vinden en geloofwaardig over te
brengen.

Een echt goede film kan je ‘Rocky Balboa’ niet noemen, daarvoor
is het verhaaltje te voorspelbaar en worden de dialogen iets te
vaak beperkt tot gevleugelde boksmetaforen. Maar een gedreven
Stallone en een respectvolle toon maken er ook niet de beschamende
afgang van die het zo makkelijk had kunnen worden. Het zal me
benieuwen of hij met zijn andere (en veel foutere) icoon, John
Rambo, hetzelfde kan verwezenlijken.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

elf + veertien =