Met Estiu 1993 en Alcarràs, respectievelijk uit 2017 en 2022, bouwde Carla Simón aan een drieluik rond geheugen dat nauw verweven is met haar eigen leven. In Romería (letterlijk een Spaanse religieuze pelgrimstocht) wordt die persoonlijke insteek het meest expliciet, een semi-autobiografische zoektocht naar haar ouders, die beiden stierven aan AIDS toen ze nog jong was. Waar Estiu 1993 rouw benaderde vanuit een kinderlijke herinnering en Alcarràs een collectief familieportret schetste in Catalonië, richt Romería zich veel directer op afkomst en identiteit. De film opent met instabiele, soms wazige camcorderbeelden die aanvoelen als postkaartjes en meteen de tijdsgeest van 2004 oproepen, met Vigo aan de Spaanse westkust als decor.
Over een periode van vijf dagen volgt de film Marina Piñeiro (Llúcia Garcia), een achttienjarige wees die haar biologische familie opzoekt om officieel erkend te worden als dochter van haar vader. Die erkenning is nodig om haar filmstudies te kunnen financieren, maar groeit al snel uit tot een existentiële zoektocht. Via kibbelende familieleden en tegenstrijdige verhalen probeert ze het verleden van haar ouders te reconstrueren, al blijft dat steken in fragmenten die elkaar voortdurend tegenspreken. Die zoektocht wordt aangevuld met dagboekfragmenten van haar moeder, afkomstig uit het dagboek van Simóns eigen moeder, die in voice-over door de film lopen en het geheel een uitgesproken persoonlijke lading geven.
De familie die Marina aantreft, vertolkt door onder meer Tristán Ulloa, Sara Casasnovas, Miryam Gallego en José Ángel Egido, wordt gekenmerkt door stilzwijgen, schaamte en onderdrukte spanningen rond druggebruik en AIDS. In die omgeving staat Marina, gespeeld door Llúcia Garcia, als een gesloten buitenstaander. Haar spel is ingetogen tot op het punt van verstilling. Emoties blijven onderhuids en reacties worden ingeslikt. Die keuze onderstreept de thematiek van generatietrauma en onuitgesproken woede, maar maakt het tegelijk moeilijk om echt tot haar door te dringen. Enkel in haar band met haar neef Nuno ontstaat er een voorzichtige opening.
Visueel sluit de film aan bij een traditie die doet denken aan Michelangelo Antonioni, met lange takes, een trage blik en een nadruk op leegte en isolatie. Met de kille Atlantische kust van Galicië als achtergrond fungeert klassieke muziek als leidraad die de landschapsbeelden verbindt tussen heden en verleden. Naar het einde toe verschuift de film richting magisch realisme. Marina volgt een kat in een duidelijke “follow the white rabbit”-beweging, langs de sporen van haar moeders verleden. In die sequentie botst ze plots op versies van zichzelf en haar neef, die als het ware haar ouders belichamen, alsof haar eigen verbeelding het verleden probeert in te vullen. Wat volgt zijn dromerige fragmenten waarin zij en Nuno als reflectie van haar ouders naakt over het strand lopen, samen de zee in trekken en ’s nachts op het dorpsplein belanden, waar een dans zich ontvouwt op de tonen van Bailaré sobre tu tumba. De symbolische witte lakens die over de dansende lichamen worden geworpen verwijzen op een vrij expliciete manier naar de slachtoffers van drugsverslaving en de AIDS-crisis. Door de plotse en vluchtige manier waarop deze scène wordt ingelast, zeker in vergelijking met het trage ritme van de rest van de film, verliest het beeld echter aan impact en blijft de beoogde lading grotendeels oppervlakkig.
De premisse is veelbelovend. Tegen de achtergrond van de AIDS-crisis en de heroïne-epidemie die Spanje in de jaren tachtig en negentig tekenden, biedt Romería een rijke historische en emotionele context. Toch blijft de film op afstand. De uitgesponnen traagheid en het gesloten hoofdpersonage zorgen ervoor dat de zoektocht zelden echt binnenkomt. Ondanks de sterke beelden en de oprechte autobiografische insteek voelt het geheel eerder als een observatie vanop afstand dan als een ervaring die volledig weet te raken.



