Het leven is een tranendal zonder draaideur aan het einde. Op Hoe diep is een put? gaat Kaboutertje Putlucht op zoek naar de vraag waar het ooit stopt. “Ik wil je helpen maar alles lijkt te veel voor mij.”
Taal is alles. Is het belangrijk dat Hoe diep is een put? een geweldige oefening dark wave is? Ik denk het niet. Het hélpt als je van duistere synths, knarsende gitaren en een losgeslagen drumcomputer houdt, maar dat alleen zal je niet over de streep trekken. Wie voor Kaboutertje Putlucht valt, valt omdat voor hem of haar de parler vrai van zanger Barry (familienaam spoorloos) als poëzie aanvoelt. Legendarische Factory Recordspief Tony Wilson vergeleek ooit de schrijfsels van Shaun Ryder van Happy Mondays met het werk van Keats, welaan dan: Barry is de Jules Deelder die we nu nodig hebben. Een rauwe reus die ware woorden laat snijden als een mes in een schildersdoek
“Alles wat ik weet dat is verloren / Zonder jou / Alles voelt nu zo onbehoorlijk / Zonder jou / Ik weet dat het pijn doet / Maar wie is er nu voor jou?”: “C’est la vie” heeft de taal van de smartlap, maar is de rozengeur en maneschijn vergeten. Hoe mooi dat gitaarlijntje, die synth die daar galmt op zijn Molchat Doma‘s; dit is een pikzwart spookhuis. Hoe diep is een put? is een plaat die op zijn donkerst klinkt als een flinke relatiecrisis, op zijn best als mannelijke onbeholpenheid wanneer de dingen niet met een biertje weg te lachen zijn: “het diepe dal, het liefdesspel / de traumapijn, het samen zijn”. En dat hij zijn trui mist; het is eens iets anders dan het zwarte t-shirt van Ben Folds.
Therapie dan maar? Barry is er niet van, zo getuigt de cynische opener “GGZ”: “Met z’n allen therapieën / GGZ moet geld verdienen”. De dreun die gitarist Bram Bisperink, toetsenman Hessel Josemans en producer/man-achter-de-schermen Loek van Beers er onder leggen heeft de logge legerstap van Front 242 geleend. Vluchten in drank? Die afslag is genomen, en met moeite weer afgeleerd: “Ik heb een drankprobleem: ik drink alcoholvrij bier en ik lust het geeneens.” In de monoloog waarin Barry de oorsprong van zijn drankzucht documenteert – “Lekker drinken, zeven was ik / Wat heb ik genoten die dag” – botst droge vertelling op onpeilbare tristesse. Het is harde realiteit bruut in je smoel geramd over een gortdroge drumbeat en met een gierende synth.
Laat die psycholoog toch maar eens soebatten over “Lokomotief”, dat gaat over hoe het vroeger was: “Ben een donker wonderkind wat nooit heeft kunnen bloeien / Aan water was er geen tekort, maar zonlicht om te groeien / Was ik maar een champignon, dan was ik een hele mooie / Duisternis als voedingsbron, en sporen om te strooien”. En laat hem vooral geen vragen stellen bij wat volgt, wanneer een melodieuze gitaarlijn danst vooraleer Bonzaïsynths de boel vergabberen, want ja: Nederland. Het wordt immers flink ongemakkelijk met dat “hoe laat begint de barbecue” als de titel “Crematorium” is, en het refrein “Grote glimlach, als ik in het oventje kijk”. Je maakt in Nijmegen beter geen vijanden.
Het is wat het is: een puinhoop waar je niet van wil wegkijken, waar je naar blijft luisteren. Kaboutertje Putlucht zou niet mogen werken, maar net omdat het zo volstrekt niet spoort, klopt alles. “Nu loop ik hier in een wildvreemde stad / Waarom heb ik al die pillen gepakt? / De schemering, de radio hard”, en de conclusie van die knarsende synthtrip “De bittere pil” rijmt: “het leven dat is chaos net als Mario Kart.” Guus Meeuwis doet er maar mee wat ie wil. Muzikaal is Kaboutertje hier op zijn best: ongegeneerd wavy, met een gitaar die lelijke dingen doet, en een basdrum die ongeveer even lomp rondhost als Barry.
Het is te laat om nu nog gas terug te nemen. Hoe diep is een put? gaat hard tot het gaatje, met een dubbelslag waarbij “In de Waal zien zakken” onmerkbaar in “Ronaldinho” overgaat als eclatant uitroepteken. Het is Electronic Body Rock van een pittig jaar, en dan nog eens hetzelfde maar nog harder, nog beter. En klaar, uitroepteken. De wereld is geen hol beter geworden, het is nog steeds donker op de weg, iedereen gaat nog altijd slecht, helemaal alleen. De uitgang is niet in zicht. Maar we hebben er negenendertig minuten hard op gedanst.
Een mens moet iets.




