Eurosonic 2026 :: Rotzooi met een zweem van melodie

Veertig jaar al is Eurosonic dat nieuwjaarsfeest voor de zotte nonkels uit de muziekbusiness. Dat zijn vier decennia van hoopvolle bandjes die zich voor die hongerige wolven gooien, en dromen van iets dat moet lijken op een carrière. Zit er dit jaar koren tussen het kaf? Gaan we een jaar als een euforisch debutantenbal tegemoet? Uw team zocht het uit.

Woensdag 14 januari: geen nieuws uit de jazzgazet

Het idee van Eurosonic is om elk jaar een nieuwe wereldster à la Dua Lipa voort te brengen, maar vaak blijft de realiteit haken in wishful thinking. Dat neemt niet weg dat er telkens geprobeerd wordt om de vinger aan de muzikale pols te houden en valt er voldoende lekkers – buiten de eierballen uiteraard, maar die zijn hors catégorie – te rapen om een gevarieerd en uitdagend programma samen te stellen. Ook dit jaar zit die kans er zoals altijd in, en net als bij de vorige editie zit de eerste avond alles geconcentreerd in de vele zalen van muziekcentrum De Oosterpoort.

19.30u. Marathonzaal.     Nejc Pipp komt uit Slovenië, maar dat is ongeveer het enige wat in zijn nadeel spreekt voor een internationale carrière. Voor de rest heeft moeder natuur deze jongeling behept met vele voordelen. Gezegend met een look die een nog onbesproken James Franco combineert met de staalblauwe ogen van Timothée Chalamet én een stem die neigt naar de croon van de hedendaagse Alex Turner, doen hij en zijn band samen iets met zweverige r&b. We krijgen warme gitaarsolo’s, bedjes van drumroffels en smachtende poëtische teksten, iets wat op plaat of als achtergrondmuziek bij het lezen lekker weghapt, maar live is dat anders. Pipp kijkt net iets te vaak naar de grond, staat regelmatig met de rug naar de mensen naar zijn band te kijken. Iets meer podiumprésence zou helpen, zeker in een vluchtig genre als neosoul waarin je moet knokken om de aandacht van het publiek te behouden.

19.40u. Bovenzaal.         Het festival is nog geen uur bezig, dus heel even hopen we nog dat die lange rij bij de vestiaire hoort, maar helaas: Dove Ellis is een hype, de Binnenzaal veel te klein, en er zit niks anders op dan onverrichterzake weer af te druipen. Gelukkig is er boven Eleni Drake, die troost biedt met haar lieve, kleine liedjes en boterzachte stem. Op album Chuck kleedt ze die liedjes aan met piano, viool en pedal steel, maar vanavond is het enkel she and her guitar. Geeft niks: er zit iets heel charmants in de manier waarop ze vertelt en speelt dat je doet luisteren, zelfs als het naar een trage, ietwat overbodige “Teenage Dirtbag”-cover is.

Dat eindeloze verontschuldigen voor hoe haar stem vanavond klinkt – ze is wat ziekjes – is dan ook nergens voor nodig. Integendeel, dat hese staat haar best goed, ook al pakt ze lang niet elke noot. Ontdaan van alle opsmuk hoor je bovendien pas echt dat ze met “Ripples”, “Saw It Too” en “Half Alive” een paar prachtsongs in haar zakken heeft zitten, en dus is het des te jammerder dat ze er tien minuten te vroeg een punt achter zet. Drink een theetje met honing, Eleni, en kom dan alsjeblief gauw nog eens terug.

20.20u. Kelder.       Jarenlang zijn we om de oren geslagen met onderzoeken hoe de Finnen de gelukkigste bevolking ter wereld zijn, vandaag zien we wat het opbrengt. “Next song is about girl who is invisible. So she goes to the roof and jumps. Happy stuff”, gaat gitariste Anna Karjalainen zo droog als maar kan, en ze zet weer een nieuwe popsong in. Een nummer verder volgt haar zus Kaisa van achter haar toetsen: “It doesn’t get happier. I changed perspective, in this song she is already dead.” Titel van het nummer? “Eivät enkelitkään ilman siipiä lennä”, en dat is ondoordringbaar Fins voor “Zelfs engelen kunnen niet vliegen zonder vleugels”.

Vrolijke muziek dus, dit Maustetytöt, Fins voor ‘Spice Girls’: het is rudimentaire eightiespop over een immer doordravende drumcomputer, met zusjes wiens stemmen mooi bij elkaar kleuren, maar dat doen met de uitstraling van twee dode bomen. Het communiceert niet met een publiek dat nog altijd maar op gang moet komen, en verloren loopt in het treurige Engels – serieus, wat doen die Gen Z-ers in dat land? Koreaans leren? – en dat ondoordringbare Fins. Dit voelt als een bezopen onderneming die bij voorbaat verloren was: alsof iemand ooit Gorki zou hebben willen verkopen in de Verenigde Staten.

20.20u. Kleine Zaal.     Tussen de gestaag groeiende pop- en indie-invasie op ESNS houdt de jazz gelukkig nog enigszins stand, en in die hoek valt altijd wel iets tofs, interessants of avontuurlijks te rapen. Al blijven we dit jaar helaas toch wat op onze honger zitten. Neem nu het Zweedse Yttling Jazz: een sextet dat draait rond pianist/componist Björn Yttling, u misschien beter bekend van Peter, Björn en John (de tweede dus). Yttling stak ooit zijn jazzcarrière in het vriesvak om popmuziek te maken, maar haalde die er na twintig jaar weer uit om een nieuwe plaat met dit combo op te nemen.

Het is al vrij snel duidelijk dat Yttling de voorbije twintig jaar geen jazzgazet meer gelezen heeft, want ‘mee met de tijd’ kun je dit optreden bezwaarlijk noemen. De uitstekend gebrachte bebop zoals in “Deadbeat Blues” doet exact wat ze moet doen, maar verrassen, laat staan van de sokken blazen, hoort daar helaas niet bij. Wanneer halverwege de set enkele uiterst genietbare filmische composities in de stijl van Ennio Morricone of Henry Mancini worden gespeeld, houdt het publiek het dan ook massaal voor bekeken. Het opzwepende slotnummer “Mr. Sopistication At The Losers Club” redt gelukkig de meubelen, maar hadden we misschien wat vaker moeten horen. Mocht er intussen iemand een spaghettiwestern, heistfilm of indieflick hebben liggen waar nog een soundtrack voor moet geschreven worden: wij weten wel een adresje.

21.40u. Kleine Zaal.     De jongere garde dan maar? De drie Hongaren van Jazzbois hebben duidelijk nog niet zo lang hun afstudeerfeest aan de jazzacademie gevierd, maar brachten op vijf jaar toch al vier albums en een handvol EP’s uit. Deze jonge gasten zijn dan ook hoorbaar zeer sterk op elkaar ingespeeld, wat een retestrakke jazzfunkset oplevert. Jazzbois haalt veel inspiratie uit de UK ‘nu-jazz’ van onder meer Moses Boyd en Yussef Dayes, en weet zich tussen die invloeden uitstekend staande te houden. Er een eigen draai aan geven, of er iets nieuws of spannends mee doen: dat bleek helaas niet meteen aan de orde. Dat is jammer, want aan het talent van deze drie Magyaren zal het niet liggen. We hopen met u dat daar nog verandering in komt, anders zullen de Jazzbois eeuwig gedoemd zijn tot een plekje in de middagprogrammatie van Gent Jazz en Jazz Middelheim.

21.00u. Binnenzaal.     Maar we lopen vooruit op de feiten. En die zijn: een mirakel! Nederland blijkt plotsklaps genezen van de Dutch disease, of toch alvast het stukje in deze bomvolle zaal, waar je een speld kan horen vallen. Dokter van dienst: Yana Couto, een Poolse neoklassieke pianiste die ongetwijfeld een hoop platen van Yann Tiersen, Nils Frahm en Arvo Pärt in haar kast heeft staan. Haar ingetogen, filmische composities zijn bloedmooi, zeker als je de ietwat knullige toelichtingen negeert die ze tussendoor denkt te moeten geven – kudo’s wel voor het publiek dat ook dan gedwee blijft luisteren en luidruchtige nieuwkomers met een kordate “shht” het zwijgen oplegt. Wanneer Couto halverwege de set een ruisende zee uit haar laptop tovert om onder haar repetitieve pianothema’s te leggen, wordt het echter bijzonder lastig om niet aan relaxerende new age te denken, en dat is wel het laatste wat we hier nodig hebben.

21.00u. Marathonzaal.       Tijd om het nationale enthousiasme wat te temperen. Ja, Lézard is een pittig en strak spelend bandje, maar toch overtuigt het Oost-Vlaamse vijftal op Eurosonic niet helemaal. Onder dat glitterende, funky geluid gaapt immers al eens de holle leegte, die opgevuld wordt met kreten als “Don’t let the rock roll you”, “Pop Pop Pop”, of “Manifastique”. En natuurlijk is dat laatste een erg fijne feestknaller, ontpopt Lézard zich tot een stomende discomachine waarbij frontman Neil Claes zich al solerend in de zotste bochten wringt, en Myrthe Asta hem ongenaakbaar naar de kroon steekt qua star quality. Maar toch. Al heeft Lézard een glimp van belofte in de ogen, de band maakt het nog niet helemaal waar. Alle elementen om dat ooit te zien gebeuren, staan echter op hun plaats. Komt dus wel goed.

21u. Bovenzaal.     De Nederlandse ISHA barst duidelijk net zo goed van het talent om fijne deuntjes in elkaar te bricoleren, maar ook zij struikelt – ondanks bakken charme en goede wil, in haar performance. Terwijl ze frivole licks staat te bassen, legt haar drummer de funky ritmes neer. Voor de rest staat er uit noodzaak het nodige op tape, zo ook de zang van de featurings op “Something New” en dat is … raar, maar vooral ook jammer, want zingen doet ze zelf ook niet slecht, zo laat ze in “Undone” horen. Ze had die zanglijnen dus kunnen overnemen. De nummers zijn immers goed genoeg, maar kijken naar een begeleidingsband en een lichaamloze stem horen is niet wat je wil zien tijdens een optreden. Een half gemiste kans dus, maar onze interesse in deze producer is wel gewekt.

22.20u. Bovenzaal.     Flora Hibberd, met kek potske op het hoofd (we zijn er niet uit of ze voor ouderwetse verpleegster of lichtmatroos ging), heeft niet meer dan een paar noten van “Remote Becoming Holy” nodig om ons totaal te overdonderen. Want wát een wonderbaarlijk stemgeluid heeft ze, laag, wendbaar en een tikje vreemd – denk Cate Le Bon, maar dan met iets minder moeilijkdoenerij. Overdag vertaalt Hibberd kunsthistorische boeken, en die job sluipt voortdurend haar folky, artistiekerige songs binnen, met teksten over taal en codes, en melodieën die al eens graag een omweggetje maken.

Strontvervelend, zou je denken, maar neen, “Code” en zeker “Lucky You” zijn vrolijk en speels, het orgeltje in het heupwiegende “Ticket” zelfs ronduit onnozel. “Every Incident Has Left Its Mark” ontroert in het refrein, voor de band heel even helemaal los mag, en altijd, altijd is er die superbe stem om de boel aan elkaar te lijmen. Vergeet die Dove van daarstraks, Flora Hibberd is de ontdekking van de dag.

23u. Kleine Zaal.     Het loont als artiest op Eurosonic om op voorhand al in grote letters het woord HYPE aan je broek te hebben hangen: gegarandeerd dat uw publiek vol sceneplayers en industry-bobo’s staat. Als je ze dan nog eens langer dan een kwartier hun aandacht weet vast te houden, zit je helemaal gebeiteld. We hebben daarom hoge verwachtingen voor Man/Woman/Chainsaw. Met de goedkeuringszegel van de Windmill uit Brixton (zie ook: Black Country New Road, Black Midi, Shame, Last Dinner Party, Squid en nog zo’n dozijn anderen), flink wat airplay op BBC 6 Music en een KEXP-sessie in de sacoche kon dit jonge zestal een kleine volkstoeloop in de Oosterpoort teweegbrengen. En yup, hier werd flink gescoord.

Openingsnummer “The Boss” is meteen een inkopper. Het zet ook meteen het handelsmerk van het zestal in de verf: zwierige en uitwaaierende composities, gestut door een stevige laag gitaargeweld en opgesmukt met uitstekende viool- en keyboardpartijen. Leadzangeres en bassiste Vera Leppänen staat daarbij nog eens uitstekend te zingen, wat het contrast met de eenvormige stem van co-zanger en gitarist Billy Ward licht pijnlijk in de verf zet. Maar met sterke nummers als “Adam & Steve”, “Mad Dog” of het meer ingetogen “Grow A Tongue In Time” toont dit zestal dat het meer sterktes dan zwaktes heeft, en daarmee de zaal moeiteloos naar hun hand zet. Uitsmijter “Ode To Clio” dat rustig begint maar eindigt in een heftige gitaaraanval zet de puntjes onder het uitroepteken. Punt gemaakt, zaal ingepakt, tot op de zomerfestivals!

23u. Kunstpunt.    Wat Italiaans is voor joie de vivre weet (jdr) niet, maar het stroomt tijdens de show van Gabriele Poso in elk geval met bakken van het podium. Het resultaat? Een band die zich het niet aan zijn hart laat komen dat de zaal bij aanvang nog halfleeg is, maar een half uur later aardig vol staat met dansende mensen. Dat krijg je als je uit Italië komt: daar schijnt de zon nu eenmaal altijd net iets feller. Poso, een van oorsprong Sardijn, zit zelf achter drie conga’s het beste van zichzelf te geven, omgeven door een bassist, drummer en toetsenist die naadloos de percussiesolo’s van hun frontman oppikken. De sound is geïnspireerd op Afro-Cubaanse ritmes en uiteindelijk – Gloria Estefan waarschuwde er ons al voor – krijgt het ritme je toch steeds te pakken. Hoe kun je nu onbewogen blijven wanneer die bassist zo overduidelijk geniet van zijn job en happy staat te slappen? Een call-and-response spelletje handjeklap met het publiek? Op een showcasefestival als Eurosonic reageert het publiek vaak al wat lauwer, maar nu laat het zich allemaal probleemloos oplepelen. Dit heet: het moment pakken.

23.40u. Marathonzaal.      Dat Gans elk hol op het Britse toilet circuit moet hebben gezien; je voélt het in de Marathonzaal, waar het duo aftrapt met het mes tussen de tanden. “A Fool” is zo bruut dat het industrial voelt. “In Time” heeft dan weer iets catchy dat het bijna populistisch maakt, terwijl “It’s Just Life” drijft op Soulwaxachtige bliepjes, en doet denken aan LCD Soundsystem, die dag dat James Murphy pis- en pisnijdig was. Slechts één keer loopt het mis, wanneer het in “I Think I Like You” toch iets te H-Blockx gaat klinken. Wij hebben er nooit om gevraagd aan dat slecht Duits ninetiesfenomeen te worden herinnerd.

Mooi verder hoe gitarist Tom Rhodes volhardt om werkelijk élk woordje Nederlands dat hij vanmiddag heeft opgepikt uit te spelen. “Potverdikkéééé” eindigt hij dat laatste nummer, verder regent het dankjewels, goed gedaans, en hele lappen tekst óver de vraag of hij nu goed Nederlands spreekt. Ja, best wel voor een Brit. Achter hem hamert Euan Woodman ondertussen door alsof hij hiervoor trainde bij de afdeling “fundamenten heien” van het lokale bouwbedrijf. Soms beukt alles daardoor net iets te plat, maar je kunt de overgave van het duo alleen maar appreciëren, zeker wanneer Rhodes er in slaagt om in “The Kings Head” op zijn uppie als een half Rammstein te klinken. “Make a fucking circle”, beveelt hij, een hele Marathonzaal gaat loos. “Goed gedaan!”, of zoals ze dat bij H Blockx zeggen: Ganz toll. Concluderen wij dan weer: Gans geil!

23.40u. Bovenzaal.     Op een onbewaakt moment waaien we binnen bij Tolstoys in de Bovenzaal en aanvankelijk zijn we wel gecharmeerd door wat we te horen en te zien krijgen. Deze Slovaken gaan op het podium tekeer als een bende losgeslagen swashbucklin’ piraten. Gekleed als een rondreizend zigeunercircus – rinkelende buikdanssjaal rond de heupen, veelkleurige en baggy kledij – staan ze losgeslagen te rocken à la Led Zeppelin en Canned Heat. De zangeres host rond met een tamboerijn die is vastgesjord op een houten stok, de gitariste flaneert zelfzeker over het podium en kijkt onversaagd uit boven het publiek. Ze bouwen een groove en rijden hem af tot aan het gaatje. Want, laat hier geen misverstand over bestaan: deze muzikanten willen vleselijkheid en seks uitstralen. Heupen stoten eindeloos op het ritme, de bassist en gitarist staan geregeld elkaar sensueel in de ogen kijkend te spelen. Alles kronkelt, beweegt en vibet op het ritme van de voodoo.

Al te snel verslapt – badùm! – de aandacht en beginnen dingen op te vallen. Makke teksten bijvoorbeeld: “I hear the ringing tone, I’ll ride to you baby, I’ll die for you baby, I lied to you baby, I tried to escape it.” Ze vernoemen zich misschien dapper naar de grote Russische schrijver, wereldliteratuur is het toch niet. Ook muzikaal sluipt al snel de eentonigheid binnen en gaandeweg kijk je naar een band die vooral erg probeert om de van drugs druipende psychedelische rock van de sixties en seventies herop te wekken. Tijdens “Truth Or Dare” begint “On The Road Again” van Canned Heat door te schemeren, terwijl bij andere songs de jams op den duur wel erg lang aanslepen.

Live komt deze groep wel degelijk beter uit de verf dan op plaat en bij momenten zijn ze best opzwepend, maar een teveel aan drama staat de geloofwaardigheid in de weg. Op ingestudeerde momenten knielt de band theatraal rond de drummer en wanneer de zangeres een zeeschelp wil gebruiken als blaasinstrument, blijkt toch vooral dat dat er beter uitziet dan het klinkt – als ze er al geluid uitkrijgt. Als we gemeen zouden willen zijn, zouden we zeggen dat Tolstoys een concept is, psychrock voor de Instagramgeneratie.

00.30u. Kunstpunt.     De Zweden van Sunnan weten waar ze mee bezig zijn. Ze komen op in het duister, met enkel rode spots op hun gezicht gericht, stijlvol gekleed in zwarte pakken. Ze kwamen als band samen tijdens de pandemie en maken filmische spaghettisoul op albums die titels torsen als Cinema en – inspiratie is een vreemd beestje – Cinema Sound System. Ze musiceren spaarzaam, over elke noot is nagedacht, zodat de verbeelding alle ruimte krijgt. Zo doet de band er het zwijgen toe wanneer frontman Pär Stenhammer al fluitend het steppekruid Ennio Morriconegewijs voor uw geestesoog doet rollen. Dit is “duel at high noon”. De band drapeert zich in zoveel stijl dat Jani Kazaltsis het er spontaan van in zijn broekje zou doen.

De keerzijde is dat het allemaal nogal cerebraal overkomt. Dit zijn vijf klasbakken van muzikanten op een podium, maar een song als “Feel” is, net als alle andere songs op deze set, muzikaal erg voldragen, maar laat ons eerder onbewogen. Bovendien duurt het ook allemaal lang. We zijn ondertussen al 25 minuten ver en dit is nog maar het tweede nummer. Wanneer zanger Pär Stenhammer vervolgens de zaal vraagt om bij “Cannot Get Enough” het koor te verzorgen, betrapt hij ons op een onbewaakt moment en komt de samenwerking maar moeizaam van de grond. Op afsluiter “Wild Horses” klinkt hun samenzang als iets van Fleet Foxes uit 2008, of – erger nog – een klassieke boyband. Onze aandacht is ondertussen al lang vervlogen. Jammer, dat hadden we bij het begin van de set niet zien aankomen.

01.00u. Binnenzaal.    Laatste halte van de avond, en de Glasgowse punkers van Soapbox weten ons in te pakken met hun woeste uithaal naar de staat van het Britse openbaar vervoer met “Private Public Transport” (“I AM WAITING ON A BUS!!”), en een sjofele, no-nonsense punkattitude. De camouflagejas van gitarist Angus Husbands met daarop “Please don’t put shit in my mouth” in roze plakletters doet alvast het beste vermoeden, en als zanger-opzweper-bowlingbal Tom Rowan zijn strot openzet, weten we dat we goed zijn voor een flink half uurtje batsen.

En toch moeten we ons initiële enthousiasme gaandeweg temperen. Een overdaad pinten-zuipen-maag-uitkotsen-pubrocknummers, een gitaargeluid dat spierballen mist en een gebrek aan échte ziedende hardcorefurie doet Soapbox de das wat om. Aan drumster Jenna Nimmo zal het alvast niet liggen; zij drumt zichzelf een optreden lang een viervoudige hernia en zorgt daarmee dat de vaart erin blijft. Het helpt ook niet dat de meest enthousiaste feestvierders bestaan uit een groepje marginale dronken vijftigers die de moshpit komen bederven en de sfeer als een vod uit de zaal zuigen. Laat ons dit nog eens opnieuw bekijken in een groezelig hol zonder PA, met het gitaarvolume helemaal open en zonder schurftige Hollanders. Ik weet nog wel een adresje.

Oh, heet het Knarie? Moeten we dringend eens gaan checken.

Tot morgen!

Beeld:
Ben Houdijk, Jessie Kamp, Niels Knelis, Casper Maas, Maas Shali, Daniek Snijder, Siese Veenstra - ESNS.nl

verwant

Eurosonic gooit eerste namen te grabbel

ESNS (Eurosonic Noorderslag) maakt de eerste namen bekend voor...

recent

Tsar B :: ”Onrust? Ik bén onrust”

Ze werd verliefd op zijn tekst, en vervolgens ook...

Wuthering Heights (2026)

Sinds actrice en scenariste Emerald Fennell zichzelf heruitvond als...

Slope-namen Rock Werchter bekend

De volledige line-up voor het vierde Werchterpodium, de Slope,...

Beck :: Everybody’s Gotta Learn Sometimes

Van wanneer dateert Becks laatste plaat ook alweer? Na...

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in