Vorig jaar verraste singer-songwriter Cass McCombs nog met Seed Cake On Leap Year, een verzameling rariteiten uit het prille begin van zijn muziekcarrière. Na bijna een kwarteeuw omvat die loopbaan al elf soloalbums. Op die elfde worp, Interior Live Oak, doet de troubadour wat de troubadour moet.
Als de rasartiest die hij toch wel is, schenkt Cass McCombs ons zonder grote gebaren om de paar jaar fijne plaatjes. Heartmind van enkele jaren terug was nog een uitzonderlijk pareltje, goed voor een flinke 9 hier. Interior Live Oak is alvast op één vlak meer dan die vorige plaat: deze keer krijgen we zestien songs, dubbel zoveel als die vorige keer. Het toont hoe opvallend moeiteloos McCombs knappe songs uit zijn mouw schudt, met een vrijheid van een muzikant die gewoon zijn muziek wil maken.
Met Interior Live Oak – naar een boomsoort uit zijn heimat, de Californische Bay Area – toont McCombs zich dus buitengewoon vrijgevig. Zo krijgen we minstens enkele songs die mogen meedingen naar een plekje op een eventuele best of. Opener “Priestess”, een grafrede aan een ongenoemde tragische heldin (“You were dealt a rotten hand / On a highway in Colorado / … / Your dark humor no one could touch / From experience no one could bear”), heeft dankzij gezapig funky gitaarwerk en soulvolle zang die McCombs’ americana kruiden weinig tijd nodig om zijn pantheon te betreden.
In “Who Removed The Cellar Door?” neemt McCombs ons opnieuw op sleeptouw door zijn droomvisioenen, op dezelfde manier die klassieker “Bum Bum Bum” op Mangy Love uit 2016 zo’n eigenaardige voldoening gaf. Hier is de kelderdeur zoek, en een naamloze “you” neemt hem mee op een onbestemde queeste langs de Niagarawatervallen, Mississippi en Tennessee, tot “both sides of the pond”. Het mysterie blijft onopgelost, de droom blijft onvatbaar, maar de reis stelt vreemd genoeg gerust in al zijn ongemak.
“A Girl Named Dogie” roept via gerichte gitaarstrums met succes een nachtelijk sfeertje op rond een zekere Dogie van ergens “hella plain” die opduikt in een bar in New York, waar ze zichzelf kan zijn. In de finale van de song komt de beste gitaarsolo op Interior Live Oak naar boven. “Van Wyck Expressway” is dan weer een treurwilg van een ballad waarvan Elliot Smith grote fan geweest zou zijn. McCombs’ personage – zou het die Dogie van daarnet kunnen zijn? – laat de maatschappij uitgebrand links liggen (“I’ve seen enough for one day / I’ll sleep it off on the expressway”).
De medaille die Interior Live Oak verdient omwille van zijn veelvoud aan fascinerende verhalen in McCombs’ folkloristische mythologie, heeft ook een keerzijde: er zitten toch wat middelmatige songs bij die niet boven het niveau van vulling willen raken (“Home At Last”, “I’m Not Ashamed”, “Diamonds In The Mine”, …). Wiegeliedje “Strawberry Moon”, vlak voor het einde, is een relatief dieptepunt. Gelukkig is er titelsong “Interior Live Oak”, gedreven bluesrock uit een groezelige bar, om die kleine teleurstelling door te spoelen.
Met zestien songs toont McCombs zich misschien wat te gretig meester over zijn stiel. Bijna alles klopt wel, en aan zang en gitaar zal het zeker niet gelegen hebben, maar ’t zijn de vullers die Interior Live Oak nekken. Less is more, Cass: een bondiger album had meer opgeleverd.




