Cass McCombs :: Wit’s End

Domino, 2011
Konkurrent

Singer-songwriters komen in alle maten en gewichten, en de
meeste laten wij met graagte aan ons voorbijgaan. U kent het type
wel, het soort “dat alsmaar loopt te jammeren dat ze het zo zwaar
en zo moeilijk hebben, want ze zijn toch o zo gevoelig, en ze
trekken het zich allemaal toch o zo hard aan” zoals Hans Teeuwen
het zo sappig kan uitleggen. Van dat type singer-songwriters zijn
er veel te veel en generische gitaartokkelaars zijn niet ons ding.
Welnu, Cass
McCombs
, dat is precies zó’n singer-songwriter: gewicht van de
wereld op de schouders met een voorgeprogrammeerde krop in de keel
en op voorhand al verloren in een “endless sea of black”. Maar
schoon hoe die zijn miserie verklankt!

Wat Cass McCombs dan wel voor heeft op zijn collega-neuzelaars?
(En ja, Villagers, ik kijk hier naar u.) Zijn rijke arrangementen
al in ieder geval, al was dat vooral duidelijk op ‘Catacombs‘ uit 2009.
Voor opvolger ‘Wit’s End’ heeft hij zijn geluid nauwgezet
teruggeschroefd, al blijft in de spaarzame instrumentatie een vol
geluid echoën – alsof we een orkest horen vanop kilometers afstand.
Alleen de essentie is bewaard gebleven. Cass McCombs kiest op
‘Wit’s End’ dus voor een terugkeer naar het basisgeluid dat
Leonard Cohen
en Nick Drake perfectioneerden aan de vooravond van de jaren ’70,
hetzelfde geluid dat Elliott Smith stiekem
de jaren ’90 binnensmokkelde.

“I know people get lonely because I do, so that’s what I end up
writing songs about, how you get lonely sometimes and come up with
these big ideas that give you meaning for a second but then leave
you like everything else leaves you,” liet de man optekenen.
Pitchfork was mij al voor door stilletjes aan te tonen dat Cass
McCombs nog een streepje voor heeft op soortgenoten als Josh T. Pearson,
middels een vroom gebrek aan zelfmedelijden. McCombs maakt nota van
zijn lijden, probeert zijn eenzaamheid om te vormen tot iets moois,
en moves the hell on. “Look now, I open up” zingt hij in
‘Memory’s Stain’ en het is al sinds Perfume Genius
debuut geleden dat wij een muzikant nog eens zo oprecht zijn
binnenkant hebben weten tonen.

In de soulvolle sleper ‘County Line’ (Smokey Robinson is nooit
veraf) geeft Cass zich toch voor één keer over aan zijn miserie.
“You never even tried to love me”, betreurt hij zijn lot, maar als
die spijtgevoelens verpakt worden in een ballade die het midden
houdt tussen Bon
Iver
en Elvis
Costello
is het voor ons allang goed. De bloedmooie
lullaby ‘The Lonely Doll’ lijkt dan weer rechtstreeks uit
het debuut van Leonard Cohen geplukt (“In tribute to all things
petite / Pretty and sweet, the lonely doll”), terwijl Gram Parsons
als een droeve geest doorheen ‘Buried Alive’ waart. ‘Memory’s
Stain’ kan dan weer bogen op een pianolijntje op z’n Erik Satie’s.
Alle nummers hadden ze aan ons kunnen slijten als hedendaagse
bewerkingen van eeuwenoude ballads.

Gemis, verlies en vooral eenzaamheid krijgen een zoveelste
muzikale jasje aangemeten, maar het is – om maar eens een héél
kleffe analogie te gebruiken – een vintage leren jekker die u
meteen wil passen. Country, folk en soul gieren doorheen Cass
McCombs’ treurige observaties als testosteron door een stripclub en
heel ‘Wit’s End’ speelt zich duidelijk af in dezelfde bar als
Tom Waits
vroege platen. Kortom: als iedereen zo eloquent zou zagen, de
wereld zou een mooiere plek zijn.

http://www.myspace.com/cassmccombs

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

drie × twee =